Voorbereiding op Zomerland

Mama, ik wil je graag vertellen over Zomerland.

Mijn Engel en ik gingen opnieuw naar de bibliotheek.

De professor had, net als de vorige keer, al een boek opengeslagen en op tafel gelegd.

Hij glimlachte toen we binnenkwamen.

“Wat is het toch een prachtig gebouw hé,” zei hij.

“Moet je je voorstellen hoeveel geheimen van de wereld hier liggen. Wat een kennis.”

Ik nam plaats en keek naar het boek dat voor me lag.

Maar ik zag niets bewegen, geen beelden zoals de vorige keer.

De bladzijde bleef leeg.

De professor knikte. “Je ziet niets, Jesse. Dat klopt.

Dit is niet het boek waar ik je eigenlijk eerst naar wilde laten kijken.

Zomerland is groot, maar dat kan nog even wachten.

Dit boek is op dit moment belangrijker.”

Ik keek hem verbaasd aan.

“Waar gaat dit boek dan naartoe?”

“Kijk maar,” zei hij.

Hij legde zijn vinger op de lege bladzijde.
Terwijl ik keek, begon er langzaam een beeld te ontstaan.

Eerst vaag, maar toen duidelijker.

Ik zag een huis… jouw huis, mama.

Het was herfst en de kastanjes lagen op de grond.

Ik zag een jongetje dat kastanjes opraapte.

Ik wist meteen waar ik naar keek.

“Mama… dit is het begin van jouw boek,” fluisterde ik.

De professor glimlachte. “Wat je hier ziet, is een beeld van wat jouw moeder heeft geschreven.

Dit is het boek van Manu.”
Hij sloot het boek even, en op de voorkant zag ik de jonge Manu.

Zijn naam stond in grote sierlijke letters op de kaft.

Hij opende het weer, en opnieuw zag ik het jongetje, rond de twaalf jaar oud.

“Dit boek is al geschreven,” zei hij.

“De reis is ooit al gemaakt, maar het verhaal is nog niet af.

Toen je moeder de Waterengelen schreef, gebeurde hetzelfde.

Ook toen moest ze even stoppen, omdat ze door haar eigen processen heen moest.

Maar haar verbinding bleef. Zo is het ook met Manu.

Ze voelt zoveel liefde voor hem.

Een deel van jouw ziel heeft deze reis al gemaakt.

Die ervaring bestaat echt, dit verhaal komt uit het veld van jouw ziel.”

 

Ik keek hem aan, vol ongeloof. “Maar… hoe dan? Ik begrijp het niet zo goed.”

“Stel je voor,” zei hij zacht, “dat jij in jouw blauwdruk kan kijken.

Dan zie je levens van jezelf.

Je moeder schrijft vanuit haar blauwdruk, vanuit alle lagen rond de aarde die ermee verbonden zijn, én vanuit de hemel.

Nu schrijft zij met jou, maar ze kan ook vanuit jouw blauwdruk schrijven.

Ze is verbonden met jou, én met vele anderen.

Maar goed… dit boek is nog niet af. En nu willen we vragen of jij dit verhaal aan je moeder wilt voorlezen.

Het eerste deel heb ik al aan haar doorgegeven. Maar nu is het jouw beurt.

En jouw moeder zal het opnieuw gaan lezen.

Zo komt ze weer in dezelfde sfeer, en kan ze verder schrijven.

De verbinding met dit avontuur wordt hersteld.

Jij mag verder gaan waar het verhaal wacht om geschreven te worden.”

Ik voelde mijn hart sneller kloppen. “En dan…?”

“Dan,” zei de professor, “mag jij vanuit hier het boek oppakken en je moeder vertellen wat je ziet, door de ogen van Manu. Zo gaat het verhaal verder.

Maar jullie moeten rekening houden met de tijd in de wereld van je moeder.

Zij bepaalt wanneer ze eraan toe is om een hoofdstuk te schrijven.

Zodra dat moment komt, geef jij het haar door.

Samen maken jullie het avontuur van Manu af. Dat is jullie opdracht.”

Hij sloot het boek met een zachte klap.

“Ondertussen gaan wij hier gewoon verder.

Want we willen je laten zien dat er hier vele sferen zijn.

Je zult je moeder veel mogen vertellen over wat je hier ziet. Alles is verbonden.

Alles is uiteindelijk één.”

De professor gaf het boek aan een Engel die voorbij liep, die het terugbracht naar de kast.

“Zie je, Jesse, heel veel kennis mag vanuit hier gedeeld worden?

Jij bent nu een ziel die deze hemelse kennis mag doorgeven aan je moeder.

En je moeder zal het verspreiden aan iedereen die het wil lezen.”

Een andere Engel kwam langs en gaf de professor een nieuw boek.

Hij legde het voor me neer.

Met sierlijke letters stond er ‘Zomerland’ op de kaft.

Ik keek mijn Engel en de professor lachend aan.

“Dus toch!”

“Dat hadden we toch beloofd,” zei mijn Engel.

De professor sloeg het boek open.

Op de eerste bladzijde zag ik een groot gouden hek, versierd met prachtig gekleurde stenen.

Ik streek met mijn vingers over het beeld en voelde energie door het boek heen stromen.

“Wauw… dit is magisch,” fluisterde ik.

“Ik heb zó’n zin om deze reis te maken.”

“Je krijgt toestemming om Zomerland binnen te gaan, Jesse,” zei de professor.

“Maar onthoud: Zomerland is niet alleen een plek met spelende kinderen.

Het is ook een plek waar kinderen naartoe gaan die met zwaar trauma de hemel binnenkomen door oorlog, ziekte, mishandeling.

Zomerland bestaat uit vele sferen.

Je mag naar de sfeer nadat de ziel een abortus of miskraam heeft ervaren.
Naar de sfeer waar baby’s die tijdens of kort na de geboorte zijn gestorven.
Naar kinderen met hersenbeschadiging.
Kinderen met ziekte.
Kinderen die mishandeld zijn.
Kinderen uit oorlog.
Kinderen die door een ongeluk naar de hemel zijn terug geroepen.
Kinderen met een geestelijke beperking en innerlijke kinderen.

En tenslotte: het Zomerland waar ze allemaal weer kind kunnen zijn.

 

Zie je, Jesse… het is niet allemaal licht en vrolijk.

De ziel van een kind kan veel trauma mee dragen.

En jij mag deze sferen gaan bezoeken om de lezen hierover te vertellen”

Hij keek me liefdevol aan.

“Het is tijd. Jouw reis naar Zomerland mag beginnen.

Ga met je Engel mee en vertel je moeder alles.”

Ik glimlachte. “Morgen gaan we onze eerste reis naar Zomerland maken.
Mama… ik vind het spannend maar heb er ook zin in?”