Zomerland 4.

We wandelden verder en kwamen bij de hekken van Zomerland.

Zomerland is de enige sfeer waar hekken omheen staan; het is een speciale plaats.
De Engel die ons rondleidde legde uit dat Zomerland grenzen heeft, omdat ze niet willen dat kinderen zonder begeleiding verder reizen.

De hemelse sferen zijn enorm groot en de kans om te verdwalen is groot.

Hun Engel is wel dicht bij hen, maar voor kinderen voelt het prettig om een veilige omheining te hebben.

Ik keek opnieuw naar het hek.

Het was heel hoog, met lange gouden spijlen.

Bovenop elke spijl lag een grote parel, bijna net zo groot als een tennisbal.

De hoogte van de spijlen verschoof steeds, waardoor het hek nog mooier leek.

Overal schitterden edelstenen in de zon.
In sierlijke letters stond ‘Zomerland’ in het hek geschreven.

Ik liep ernaartoe en raakte het heel even aan. Het was prachtig.

“Kom,” zei de Engel van Zomerland. “We gaan naar binnen.”

Mijn Engel en ik liepen achter haar aan.

In het hek zat een deur en een Gouden Engel deed die voor ons open.

Hij glimlachte naar mij en zei: “Welkom terug, Jesse.”

Verbaasd keek ik hem aan.
“Ben ik hier al eerder geweest?”
“Oh ja,” zei hij.

“Heel vaak zelfs.

Als kind, wanneer je sliep, kwam je in je dromen hiernaartoe. Je was nergens bang voor.

Ik weet het nog heel goed.”

Ik keek verbaasd naar mijn Engel en hij glimlachte.
“Kom,” zei zij de Engel van Zomerland vriendelijk. “Ik leg het je straks uit.”

 

We gingen op een bankje zitten.

Overal zag ik kinderen spelen.

Meteen viel me iets op: er waren twee soorten kinderen.
Kinderen die hier thuishoorden en kinderen die een soort zwaarte met zich meedroegen.

“Ja,” zei de Engel. “Dat zie je goed, Jesse.

Wat je hier ziet zijn hemelse kinderen én innerlijke kinderen.

Ieder mens heeft een innerlijk kind.

Dat kind is puur, vrij en wil graag gezien worden.

Het innerlijk kind is het begin van het kind-zijn, staat nog in verbinding met de lichtwereld.”

Ze vertelde dat baby’s eigenlijk nog tussen hemel en aarde zweven.

Overdag zijn ze op aarde, maar wanneer ze slapen keren ze even terug.

De verbinding tussen de twee werelden is dan heel sterk.
Maar naarmate een kind ouder wordt, neemt de slaap af, en daardoor ook de verbinding.

Rond het tweede jaar begint een kind tijdens de slaap naar Zomerland te gaan.

Hoe langer en dieper het slaapt, hoe sterker die verbinding blijft.
Maar later, wanneer het kind ouder wordt, neemt de afstand toe.

“Wanneer een mens ouder wordt,” legde de Engel uit, “neemt hij emoties met zich mee.

Die emoties houden het innerlijke kind vast in het lichaam.

Het kan niet meer vrij bewegen.

Kun je je herinneren hoe vrij je was als kind?

Je had fantasie, je speelde, je voelde je veilig.

Toen ging je iedere nacht naar Zomerland en speelde je met andere kinderen.

Maar hoe ouder je werd, hoe minder vrij je je voelde en hoe minder vaak je hier kwam.

De fantasie raakte op de achtergrond, en je vergat je kind-zijn.”

Ik knikte. Het klopte allemaal.

“Maar,” ging ze verder, “als een mens op zoek gaat naar wie hij werkelijk is, als hij oude emoties verwerkt en loslaat, dan komt dat innerlijke kind langzaam weer tevoorschijn.

Het krijgt weer verbinding met de sferen en wordt weer puur.

Dat is de terugweg naar God.”

Ik keek naar de spelende kinderen.
“Dus… is het innerlijke kind van mijn moeder hier ook?”
De Engel glimlachte. “Ja, die is hier. Wil je haar ontmoeten?”

Ik schrok. “Mag dat zomaar?”
“Natuurlijk. Je kent haar al.

Je hebt haar aan het begin van je hemelse reis gezien, maar nog niet echt ontmoet. Dat gaan we later doen.”

Het drong tot me door. Dat moest Sanne zijn.
Het kon niet anders: Sanne was het innerlijke kind van mijn moeder.

Ik sprong van het bankje en keek om me heen. De Engelen lachten.

“Ze is nu niet hier, jongen. Straks bij de zee, daar komt ze vaak wanneer je moeder slaapt.

Nu gaan we eerst Zomerland verder ontdekken.”

Ik wilde niets liever dan haar zien, haar omhelzen.

Ze is een deel van mijn moeder.

Ik vroeg me af of ze mij zou herkennen, maar eerst zouden we naar de scholen gaan.

 

De scholen waren prachtig, totaal anders dan op aarde.

Als de scholen op aarde zo zouden zijn, zouden kinderen veel gelukkiger zijn.
Er waren geen dichte gebouwen met lokalen zoals wij ze kennen.

De meeste lessen werden buiten gegeven.

De kinderen zaten op de grond in een kring, en de Engelen gaven les.

De gebouwen die er waren, zagen er licht en vriendelijk uit.

We liepen naar een buitenklas.

We vroegen of we erbij mochten zitten en dat mocht.
“Dit is Jesse,” zei de Engel die les gaf. “Hij komt de hemel verkennen.

Zijn moeder, die nog op aarde leeft, schrijft alles op.”

De kinderen keken me nieuwsgierig aan en vroegen hoe het leven op aarde was.
Ik wist niet goed hoe ik moest antwoorden. De Engel naast mij fluisterde:

“Deze kinderen hebben al heel lang geen fysiek leven meer gehad.

Hun laatste leven is vroeg geëindigd. Daarom vragen ze dit.”

 

De leraar vertelde de kinderen: “De aarde is een planeet waar veel geleerd mag worden.

Ze lijkt een beetje op hier, maar daar is dag en nacht.

Er zijn seizoenen, warm en koud, zon, regen, hagel en sneeuw.

De aarde is prachtig, maar kan ook woest en wild zijn.

Alle tegenstellingen kun je daar ervaren.

Door die tegenstellingen leer je veel over jezelf, over anderen, en over de wereld.”

Hij knikte naar mij.
“Jesse is nog maar kort terug in de hemel.

Hij vond zijn aardse ervaringen zwaar, maar heeft ook mooie dingen meegemaakt.

Daarover gaan we later een les over geven.”

Toen klapte hij in zijn handen: het teken dat de les voorbij was.

De kinderen renden weg.
Hij kwam naar ons toe.

“Kinderen zijn altijd leergierig,” zei hij.

“De lessen hier zijn anders dan op aarde. Onze sfeer is veel groter.

We staan in verbinding met vele planeten en werelden.

Onze kennis reikt ver; dat is op aarde niet te bevatten.

Het geeft ook niet.

De lessen hier gaan over de werelden van God. We bezoeken die werelden ook echt.”

Hij glimlachte.
“Nog niet zo lang geleden zijn we in de sfeer geweest die jullie op aarde ‘Het sprookjesbos’ noemen.

Alles daar bestaat echt.’

 

We liepen gezamenlijk naar een schoolgebouw.

De leraar vroeg of we binnen wilden kijken.

Dat liet ik me geen twee keer zeggen.
De gebouwen waren rond, met hoge ramen.

De muren leken van kristal en de daken van goud.

Binnen was er geen lokaal zoals op aarde, maar één grote ruimte.

De kinderen lagen op zwevende matrasjes.

Het licht in het lokaal veranderde zodra we binnenkwamen.

De wat oudere kinderen keken omhoog.
Ik keek mee en zag ons melkwegstelsel.
De sterren, de zonnen, de planeten, alles bewoog vloeiend in elkaar over.
De kinderen kregen les in sterrenkunde.

Het voelde alsof ik tussen de sterren door zweefde.
Ik voelde de energie van elke ster en elke planeet.

Ik verloor mezelf er bijna in.
De leraar fluisterde: “Daarom krijgen ze les vanaf hier. Ze zijn nog te jong om alleen de ruimte in te gaan.”

We verlieten het gebouw. Nog steeds onder de indruk vroeg ik mijn Engel:
“Kunnen we ook eens het heelal verkennen?”
Hij lachte. “Ach, Jesse… we zijn nog maar net begonnen. Het heelal komt zeker nog.”

 

We namen afscheid van de leraar en we liepen verder Zomerland in.

Wat ik zag was ongelofelijk: grote tipi’s, indianenhuizen, boomhutten, ondergrondse huizen, huizen in heuvels, iglo’s die niet smolten, hutten van kleden… alles zag er vrolijk en vriendelijk uit.

“De kinderen mogen zelf kiezen waar ze rusten,” zei de Engel.

Of dat nu in een iglo is, een boomhut, of onder de grond. Alles mag.

Het landschap is kleurrijk, met bomen, bloemen, vlinders en vogels.

Het licht is hier zacht, veel zachter dan in andere sferen. Dat zorgt voor rust.

"Gaan jullie mee? Zomerland is groot, maar staat ook in contact met andere sferen.

Die wil ik jullie ook graag laten zien.” En we liepen achter haar aan.