*** Altijd alleen ***

“Wat is er, mijn zoon? Waar denk je aan?”

De jongen keek omhoog naar de man die nu zijn vader was.

“Ik weet het niet, vader, maar volgens mij was ik hier eerder dan u. Ik heb gedroomd dat mama en ik eerst samen waren en dat u er later bij bent gekomen.”

De man keek naar het bezorgde gezichtje van de jongen. Hij knielde neer en keek hem recht in de ogen.

“Dat klopt, mijn jongen. Jij was hier eerst alleen met je moeder en je zusje. Maar na het overlijden van je zusje heb ik mij over je moeder en jou ontfermd. Jullie waren toen zo breekbaar. Ik ben met je moeder getrouwd omdat ik van haar hou en omdat ik wilde dat jij een vader zou krijgen, net als het broertje en zusje die na jou zijn gekomen.”

De jongen keek de man nu boos aan.

“Eerst neemt God mijn zusje van mij af, daarna mijn broertje en nu is mama zo ziek van verdriet dat ook zij snel zal gaan.”

De man kon zijn tranen niet meer bedwingen.

“Ik weet het, jongen. Het leven is soms zo zwaar.”

“Kom, we gaan bij mama kijken.”

Samen liepen ze naar het grote bed waar zijn moeder in lag. De dokter was al bij haar en keek vader verdrietig aan. Hij schudde zijn hoofd.

De jongen keek naar zijn moeder.

Ze was er niet meer.

Een leeg lichaam lag in het grote bed.

De jongen liet zich op het bed vallen en schreeuwde:

“Mama, kom terug! Mama, ik kan niet zonder u! Ik heb u zo nodig!”

En hij begon heel hard te huilen.

Maar moeder kwam niet terug.

Langzaam drong het besef tot hem door.

Hij liep naar de kamer van zijn zusje. Ze lag te spelen in de box.

Hij tilde haar op en zei met een snikkende stem:

“Alleen wij twee zijn nog over van ons vijven.”

Het meisje keek haar grote broer aan en lachte.

 

De jongen wist dat hij nu wees was en altijd alleen zou zijn.