*** De Laatste Reis ***

“Waar gaan wij naartoe oma?” vroeg een meisje, lopend aan de hand van haar oma. Oma keek en lachte naar haar.
“Jij bent mijn Engel en jij mag terug naar Aarde.”

Het meisje keek met grote ogen oma aan: “Naar de Aarde?” 

Oma keek nu niet zo blij, haar gezicht stond strak en ze ging wat sneller lopen.

“Oma, waarom loopt u zo snel?”

Oma liep nu wat rustiger en zei: “We moeten opschieten, anders missen we de trein.” Haar kleindochter begreep het en liep nu zonder protest met haar oma mee.

Op het perron was het druk, er stonden allemaal meisjes en jongens die net als zij met de trein meegingen.

Alle voorouders waren meegekomen om de kinderen uit te zwaaien.

Er hing een gespannen sfeertje op het perron, het zou een afscheid voor een lange tijd worden.

Vanuit het geroezemoes, riep een man met een luide stem: “Kijk daar komt de trein!” Iedereen keek vol spanning dezelfde kant op. 

Een grote zware locomotief reed het station binnen.

Grote stoomwolken blies hij de lucht in en er waren wel duizend wagons aan de locomotief gekoppeld. Iedereen hield even de adem in.

Ze keken vol bewondering naar hoe dit grote gevaarte het station binnen reed.

De trein stond stil, de deuren werden geopend en de machinist van de trein riep: “Iedereen instappen!”

Het meisje draaide zich om naar haar oma en vroeg: “Oma, u gaat toch ook mee naar de Aarde?” Oma keek haar kleindochter in haar grote ogen aan en zei: “Nee mijn kind, dit is jouw laatste reis naar de Aarde en jij mag daar met al deze kinderen een prachtige tijd hebben.” 

Het maakte het meisje wat verdrietig, omdat ze haar oma achter moest laten.

Maar van de andere kant werd ze ook wel weer blij, want het leek net een schoolreisje. 

Het was tijd om in te stappen en heel even pakte oma haar kleinkind stevig vast: “Wat er ook gebeurd en wat je ook mee zult maken, weet dat diep van binnen er altijd een uitweg is!

Al is het nog zo zwaar en denk je dat je geen uitweg meer ziet, weet dan dat die er altijd is!” Het meisje begreep het niet, de Aarde leek haar zo leuk en bijzonder, ze had er zoveel leuke dingen over gehoord.

Ze stapte in, de deuren gingen dicht en ze ging bij het raam zitten.

Ze zag haar oma op het perron staan.

Ze lachte, maar ze lachte niet zoals anders. 

Ze zwaaide met een verdrietig lachje op haar gezicht.

Terwijl de trein langzaam begon te rijden, keken ze elkaar nog één keer aan en het meisje wist dat dit geen leuk reisje zou worden, maar een reis met zware beproevingen. Tranen rolden over de wangen van het meisje dat begon te huilen om het gemis van haar oma en de opkomende onrust.

De reis duurde lang en ze was in slaap gevallen.

Toen ze wakker werd, kreeg ze trek in wat eten.

Naast haar was een jongen komen zitten, een aardige jongen van ongeveer dezelfde leeftijd en hij at een boterham.

“Jij hebt boterhammen bij je”, zei ze spontaan.

“Ja”, zei hij, “wil jij ook?” en hij gaf haar een boterham. 

“Weet jij waar wij naar toe gaan?” vroeg hij haar.

Zij knikte: “Ja, naar de Aarde.”

De jongen keek haar even aan en at zijn boterham verder op.

“Ben jij wel eens naar de Aarde geweest?” vroeg zij aan de jongen.

Hij knikte van ja en zei: “Maar kan me daar niets meer van herinneren” en hij stopte het laatste stukje brood in zijn mond.

Het meisje keek weer naar buiten. 

Ze begon een beetje bang te worden en hoe meer ze erover nadacht des te erger het werd. Langzaamaan reed de trein zachter, het eerste station was bereikt.

Door een luidspreker werden de namen van de kinderen genoemd die uit moesten stappen. De namen van de jongen en het meisje werden niet genoemd. 

Op het perron stonden allemaal nieuwe ouders. 

Ze omhelsden de kinderen die waren uitgestapt en alle kinderen waren blij.

En met deze beelden achterlatend, reed de trein langzaam het stationnetje uit.

Uren waren voorbijgegaan en nog steeds zaten ze in die lange trein.

Er waren inmiddels nog meer kinderen uitgestapt op de andere stationnetjes en overal stonden ouders te wachten op hun kinderen.

Na een paar uur rijden kwamen ze opnieuw op een station aan en weer werden er namen afgeroepen.

Met een schok hoorde het meisje dat haar naam afgeroepen werd.

Het jongetje met wie ze al die tijd was opgetrokken, begon te huilen: ”Je mag niet uitstappen, je mag niet!” snikte hij.

Wat moest ze doen, ze wilde ook niet uitstappen, ze wilde bij hem blijven.

Maar ze zag ook al die blije mensen op het perron staan, het was één groot feest.

Ze keek naar het jongetje wat zo verdrietig was en bang om alleen gelaten te worden en zei: “Mijn vriendje, ik zal altijd bij je blijven.”

De deuren sloegen dicht en langzaam begon de trein te rijden. 

Op het lege perron bleven een papa en mama achter.  

Urenlang bleef de trein rijden en weer passeerde de trein stationnetjes, maar de naam van het jongetje zat er telkens niet bij. 

Elke keer als ze een stationnetje naderden werden ze stiller en stiller en dachten ze dat ze afscheid van elkaar moesten nemen. 

Langzaam reed de trein weer een stationnetje binnen. 

Ze zaten dicht tegen elkaar aan, met de ogen stijf dicht geknepen en met beider handjes strak in elkaar gevouwen, te bang om van elkaar gescheiden te worden.

Daar hoorden ze allebei zijn naam, ze waren verstijfd van schrik.

Wat moesten ze doen?

Nu zei het meisje op haar beurt: “Laat me niet alleen, alsjeblieft.”

Het jongetje huilde dikke tranen en kon niets anders dan haar vasthouden en blijven zitten. De deuren werden gesloten en weer reed de trein langzaam het station uit.

Op het perron bleven een dame en een heer alleen achter.

De trein vermeerderde vaart, ging steeds sneller rijden en verliet de Aarde.

Het jongetje en het meisje waren nu nog de enige passagiers van deze trein en ze wisten niet waar ze heen gingen. 

De trein ging nog sneller rijden. 

Het ene station na het andere stoven ze voorbij, tot opeens de trein volop remde en stil stond. De kinderen wisten meteen dat ze waren ontdekt.

De machinist had nog twee namen van de kinderen die niet waren uitgestapt in zijn lijst staan. Ergens in “het Niemandsland” stonden ze stil, het was nog geen middag, maar de zon stond al hoger dan normaal.

Het was warm en het was er stil, heel stil.

Het meisje deed het raampje open en stak haar hoofd naar buiten.

“Zie je iets?” vroeg de jongen. “Nee, niets”, zei het meisje. In de verste verte was er geen beweging te zien en het leek net alsof alles stil stond. Het was windstil.

De bomen, het gras, de bloemen langs het rails, niets bewoog.

Ze hoorden geen enkel geluid.

“Wat raar”, zei ze. Ze ging weer zitten en keek het jongetje aan: “Wat moeten we nu?” “Misschien kunnen we op zoek gaan naar de machinist en hem eerlijk vertellen wat wij hebben gedaan. Want haar oma had gezegd: “Er is altijd een uitweg. En de enige die ons nu nog kan helpen is de machinist.”

De jongen knikte bedroefd en samen liepen ze naar voren.

Bang voor wat er ging komen.

Na een aantal uren kwamen ze aan bij de locomotief, daar zagen ze de machinist door een raampje zitten. Ze liepen hand in hand naar de deur en klopten aan.

De deur ging open en voor hen stond een grote man.

Hij had prachtige azuurblauwe ogen en hij lachte naar de kinderen.

“Welkom in mijn trein”, zei de man. “Hebben jullie genoten van de reis?”

De kinderen knikten van ja, maar ze waren eigenlijk heel bang geweest.

Niet bang voor de reis zelf, maar vanwege het feit dat ze uit elkaar moesten.

De man wist allang dat hij achterblijvers bij zich had en vroeg aan hen: “Waarom zijn jullie niet uitgestapt?”

Beide kinderen keken met onschuldige ogen omhoog naar de man. 

“Wij waren bang, bang dat wij elkaar niet weer zouden zien.

Wij wilden graag bij elkaar blijven”, zei het meisje.
De man dacht eens na. “Ik heb een goed idee. Als ik jullie nu eens naar de Witte Engelen breng? Zij beantwoorden al jullie vragen. Zijn jullie dan bereid om uit te stappen, op het stationnetje waar jullie eigenlijk uit hadden moeten stappen?” vroeg de machinist.

De twee kinderen knikten van ja en haalden opgelucht adem.

Ze gingen samen op het bankje naast de machinist zitten en langzaam begon de trein weer te rijden.

De trein ging steeds sneller en sneller, passeerde station na station, grote pluimen rook stegen op en op een gegeven moment ging de trein zo snel dat je niet eens meer kon zien waar je was. In snelle flitsen ging de trein door de tijd en ruimte en opeens trapte de machinist op de rem.
“We zijn er, Station de Zon”, zei de machinist.

“Jullie kennen de Zon wel hè, maar de Zon is in het echt heel anders dan jullie geleerd hebben. Jullie hebben geleerd dat de Zon warmte geeft en dat hij zorgt voor de Aarde. Dat doet hij ook, maar wat jullie niet weten is dat de Zon een stationnetje is.

Een stationnetje waar mensen in- en uit stappen. Kom laten wij uitstappen”, zei de machinist. De deuren werden geopend en op het perron stond een gids. 
De gids en de machinist begroetten elkaar en ze namen beide kinderen bij de hand. ”Kom”, zei de gids, “laten we daar gaan kijken.”

En hij wees naar een groot plein.
Ze liepen richting het grote plein en op dat plein stonden allemaal kleine wagentjes die geen wielen hadden, maar op wolken dreven. 

“Je kunt met deze wagentjes door het heelal reizen”, zei de gids. “Je kunt naar Mars, of naar de Maan of naar een mooie Ster. Alles is mogelijk.”

“Kom”, zei de gids, “ik zal jullie iets leuks laten zien.”

Samen met de machinist en de gids stapten ze in. 

Heel langzaam ging het wagentje omhoog en boven de grond ging het zwevend vooruit. Eerst heel langzaam daarna sneller en sneller, totdat ze op hun bestemming aankwamen.

“Allemaal uitstappen!” zei de machinist lachend. ”Waar wij nu zijn is een groep sterren”, zei de gids, “sterren die heel dicht bij elkaar liggen. 

Deze sterren hebben een poort. Die poort zorgt ervoor dat alle gebeurtenissen die geweest zijn, alle emoties en gedachten die je als mens hebt meegemaakt hier opgeslagen liggen. Wij noemen dit de kronieken van het leven.

Als je hier komt, kun je inzien wat je hebt gezegd en wat je hebt gedaan, maar ook wat je nog mag doen. Willen jullie een kijkje nemen in deze poort?” vroeg de gids. 

De kinderen knikten instemmend ja. Wat kon er gebeuren

Het meisje ging als eerste de poort binnen.

Binnen zaten twaalf Engelen in het wit. Hun ogen waren groot en zwart en als je goed keek, zag je een sterrenhemel in hun ogen. 

De Witte Engelen lachten naar haar toen ze binnen kwam.

Ze stonden tegelijk op en begroetten haar liefdevol. Een oude Engel nam haar bij haar hand. “Kom”, zei hij en liep met haar weg van de andere Engelen.

“Luister, wat ik jou ga vertellen is moeilijk, maar ik weet zeker dat je het zult begrijpen.” Ze knikte en luisterde naar wat deze oude Engel haar te vertellen had. ”Wat ik jou nu ga vertellen en wil laten zien, is iets wat jij nog niet weet, maar ik laat jou dit zien, zodat je bent voorbereid op wat er komen gaat.” 

Het meisje knikte weer. “Luister goed en kijk naar het scherm, terwijl ik vertel.

Wij zijn net als jij en wij hebben net als jij deze reis afgelegd.

Jij maakt hetzelfde mee als wat wij hebben mee gemaakt. 

Jij zal hetzelfde doen als wat wij hebben gedaan.”

Het meisje keek met ongeloof naar de oude Engel.

“Kijk maar naar het scherm, dat ben jij. Jij bent als ons, jij bent ons en wij helpen jou nu omdat jij nog één reis mag maken, één reis om terug te keren naar ons. 

Jij mag nog één reis maken om alles in balans te brengen. 

Alles wat je al geleerd hebt, wordt in een sneltreinvaart nog eens aan je geleerd.

Wat niet voldoende in balans is, mag je nog eens overdoen.

“Kijk maar naar het scherm”, zei de oude Engel nog eens en het meisje keek. 

Een hele snelle film werd afgedraaid. Binnen een korte periode zag zij wat ze allemaal al in balans had. 

“Maar”, zei de oude Engel, “nu komt de film over wat er nog geleerd moet worden en niet in balans is.” Het meisje pakte de hand van de oude Engel vast en kneep er zachtjes in. Ze was zo geschrokken, dit kan niet waar zijn, dit is verschrikkelijk!

Met betraande ogen keek ze de oude Engel aan. “Waarom ik?”

De Engel sloeg een arm om haar heen en zei: “Alles komt goed.”

Teruggekomen bij de Engelen nam ze huilend afscheid van hen.

De oude Engel zei: “Ga, leer en weet dat er altijd een uitweg is.”

“Ja dat zei oma ook”, snikte het meisje.

De oude Engel gaf haar een kus op haar voorhoofd en bracht haar naar de gids.

De gids nam het arme meisje over van de oude Engel en bracht haar naar het wagentje, daar zat de machinist op haar te wachten. 

“Was het zo erg?” vroeg de machinist, ze snikte en knikte van ja.

Nu was het de beurt aan het jongetje.

De gids nam hem bij zijn hand en liep met hem de poort door.

Alle witte Engelen zaten om een ronde tafel.

Toen ze de jongen zagen begonnen ze te lachen en kwamen op hem af. 

Ook de jongen werd liefdevol begroet en hij was zo blij. Hij vond het heerlijk hier bij deze Witte Engelen. Ook hij mocht met de oude Engel mee en kreeg de kans om in te zien wat al geleerd en in balans was en wat er nog moest gebeuren. 

Het zou niet makkelijk worden, dat wist hij al.

De oude Engel zei: “Ik wil je nog iets laten zien, iets wat je vriendinnetje niet heeft gezien. Het gaat over jullie nieuwe weerzien.” 

De jongen keek naar het scherm. Hoe meer hij zag hoe blijer hij werd. 

Hij zag de toekomst, hij zag haar nu als vrouw en zichzelf als man en ze waren bijna aan het einde van de reis die ze straks samen mochten maken.

“Wat zullen we een prachtig en fijn leven hebben”, zei de jongen en straalde van geluk. De Witte Engelen namen afscheid van hem en de oude Engel zei: “Weet dat wij er altijd zijn, vraag aan ons de hulp die je nodig hebt en wij staan voor jullie klaar.” De oude Engel gaf de jongen over aan de gids die bij de poort stond te wachten.

Hij liep aan de hand van de gids terug naar het wagentje. 

Het meisje zat stil te wachten, totdat hij terug zou komen.

Na een tijdje was daar haar vriendje blij en opgelucht, hij straalde.

Ze was in de war door hem. “Hoe kan dit?” vroeg ze aan hem.

De jongen lachte: “Eerst is het moeilijk, maar daarna… Heerlijk, wat word ik gelukkig.” Hij keek haar plagend aan. “Ik word gelukkig met jou!” 

“Wij gaan elkaar weer zien. Ik heb gezien dat wij samen oud worden.”

“Ik heb alleen maar veel pijn en verdriet gezien”, zei het meisje, “en toen stopte het filmpje.” “Wat ik heb gezien”, zei de jongen, “is dat wij elkaar weer gaan zien en heel gelukkig worden.” Het meisje begon te huilen, “maar hoe kan dat dan?” 

De machinist stapte in de wagen en keek de beide kinderen aan.

“Maken jullie je nu maar geen zorgen, wij helpen als jullie denken dat er geen uitweg meer is.” Toen wist het meisje dat het goed zou komen.

Ze moest net als haar vriendje vertrouwen hebben.

Op de terugweg naar de Zon babbelden ze nog wat over hetgeen ze gezien hadden. En het jongetje zei: ”Weet dat ik jou zal vinden.

In welk land of welke stad of dorp je ook zit, ik weet dat je op mij wacht.

Laten we afspreken om het nooit op te geven en dat we samen teruggaan.”

Het meisje knikte en sloeg haar armpjes om hem heen. Met een vaart waren ze terug bij de Zon. De gids nam afscheid van beide kinderen en de machinist klom weer achter het stuur van de trein.

“Riemen vast!” en met een ruk gingen ze vooruit, steeds sneller en sneller ging de trein, de kinderen vonden het prachtig.

Dikke rookwolken vulden de Hemel en de machinist keek de kinderen ondeugend aan. Hij begon hardop te lachen en trapte het gaspedaal nog wat verder in.

Sneller dan het licht ging de trein en de machinist liet de kinderen het hele melkwegstelsel zien. Ieder aan één kant bij een raam, de neuzen tegen het glas gedrukt, keken ze hun ogen uit.

Na een tijdje ging de trein langzamer rijden, ze passeerden stationnetje na stationnetje, totdat de trein stil stond.

De machinist keek het meisje aan en knikte. Ze was er.

De machinist nam haar in zijn armen, tilde haar op, gaf haar een knuffel en deed de deur open.
Op het perron stonden twee mensen, een man en een vrouw.

Ze keken boos, ze hadden al de hele tijd staan wachten.

De machinist keek het meisje strak aan: “Luister mijn kind, doorleef alles met wat je ook doet, er komt een moment in je leven dat alles anders gaat worden, vertrouw daarop.” Ze knikte en omhelsde machinist nogmaals.

De machinist zette haar op de grond.

Het echtpaar nam hun kind bij de hand en liepen met haar het station uit. 

Net voordat ze het station uitliepen keek ze nog één keer achterom naar het jongetje dat naar haar zwaaide.

Ze wist dat ze elkaar weer zouden zien. 

De machinist pakte de lijst met namen en vinkte haar naam af.

“Waar gaan wij naartoe, oma?” vroeg een meisje, lopend aan de hand van haar oma.

Oma keek naar haar en lachte.

“Jij bent mijn Engel en jij mag terug naar de Aarde.”

Het meisje keek haar oma met grote ogen aan.

“Naar de Aarde?”

Oma keek nu niet zo blij. Haar gezicht stond strak en ze ging wat sneller lopen.

“Oma, waarom loopt u zo snel?”

Oma liep nu wat rustiger en zei: “We moeten opschieten, anders missen we de trein.”

Haar kleindochter begreep het en liep nu zonder protest met haar oma mee.

Op het perron was het druk. Er stonden allemaal meisjes en jongens die net als zij met de trein meegingen. Alle voorouders waren meegekomen om de kinderen uit te zwaaien.

Er hing een gespannen sfeertje op het perron. Het zou een afscheid voor lange tijd worden.

Vanuit het geroezemoes riep een man met een luide stem:

“Kijk, daar komt de trein!”

Iedereen keek vol spanning dezelfde kant op.

Een grote, zware locomotief reed het station binnen. Grote stoomwolken blies hij de lucht in en er waren wel duizend wagons aan de locomotief gekoppeld.

Iedereen hield even de adem in. Ze keken vol bewondering naar hoe dit grote gevaarte het station binnenreed.

De trein stond stil, de deuren werden geopend en de machinist van de trein riep:

“Iedereen instappen!”

Het meisje draaide zich om naar haar oma en vroeg:

“Oma, u gaat toch ook mee naar de Aarde?”

Oma keek haar kleindochter in de grote ogen aan en zei:

“Nee, mijn kind. Dit is jouw laatste reis naar de Aarde en jij mag daar met al deze kinderen een prachtige tijd hebben.”

Het maakte het meisje verdrietig, omdat ze haar oma achter moest laten. Maar aan de andere kant werd ze ook weer blij, want het leek net een schoolreisje.

Het was tijd om in te stappen en heel even pakte oma haar kleinkind stevig vast.

“Wat er ook gebeurt en wat je ook mee zult maken, weet dat er diep van binnen altijd een uitweg is.

Al is het nog zo zwaar en denk je dat je geen uitweg meer ziet, weet dan dat die er altijd is.”

Het meisje begreep het niet. De Aarde leek haar juist zo leuk en bijzonder. Ze had er zoveel mooie dingen over gehoord.

Ze stapte in, de deuren gingen dicht en ze ging bij het raam zitten.

Ze zag haar oma op het perron staan. Ze lachte, maar ze lachte niet zoals anders. Ze zwaaide met een verdrietig lachje op haar gezicht.

Terwijl de trein langzaam begon te rijden, keken ze elkaar nog één keer aan.

Het meisje wist ineens dat dit geen leuk reisje zou worden, maar een reis met zware beproevingen.

Tranen rolden over haar wangen en ze begon te huilen om het gemis van haar oma en de opkomende onrust.

De reis duurde lang en ze was in slaap gevallen.

Toen ze wakker werd, kreeg ze trek.

Naast haar was een jongen komen zitten, een aardige jongen van ongeveer dezelfde leeftijd. Hij at een boterham.

“Jij hebt boterhammen bij je,” zei ze spontaan.

“Ja,” zei hij. “Wil jij ook?”

Hij gaf haar een boterham.

“Weet jij waar wij naartoe gaan?” vroeg hij haar.

Zij knikte.

“Ja, naar de Aarde.”

De jongen keek haar even aan en at zijn boterham verder op.

“Ben jij wel eens op de Aarde geweest?” vroeg zij aan de jongen.

Hij knikte.

“Ja, maar ik kan me daar niets meer van herinneren.”

Hij stopte het laatste stukje brood in zijn mond.

Het meisje keek weer naar buiten.

Ze begon een beetje bang te worden en hoe meer ze erover nadacht, des te erger het werd.

Langzaam reed de trein zachter. Het eerste station was bereikt.

Door een luidspreker werden de namen van de kinderen genoemd die uit moesten stappen. De namen van de jongen en het meisje werden niet genoemd.

Op het perron stonden allemaal nieuwe ouders. Ze omhelsden de kinderen die waren uitgestapt en alle kinderen waren blij.

Met deze beelden achterlatend reed de trein langzaam het stationnetje uit.

Uren waren voorbijgegaan en nog steeds zaten ze in die lange trein.

Er waren inmiddels nog meer kinderen uitgestapt op andere stationnetjes en overal stonden ouders te wachten op hun kinderen.

Na een paar uur rijden kwamen ze opnieuw op een station aan en weer werden er namen afgeroepen.

Met een schok hoorde het meisje dat haar naam werd genoemd.

Het jongetje met wie ze al die tijd was opgetrokken, begon te huilen.

“Je mag niet uitstappen, je mag niet!” snikte hij.

Wat moest ze doen?

Ze wilde ook niet uitstappen. Ze wilde bij hem blijven.

Maar ze zag ook al die blije mensen op het perron staan. Het was één groot feest.

Ze keek naar het jongetje, dat zo verdrietig was en bang om alleen gelaten te worden, en zei:

“Mijn vriendje, ik zal altijd bij je blijven.”

De deuren sloegen dicht en langzaam begon de trein weer te rijden.

Op het lege perron bleven een papa en mama achter.

Urenlang bleef de trein rijden en opnieuw passeerde hij stationnetjes, maar de naam van het jongetje werd telkens niet genoemd.

Elke keer als ze een stationnetje naderden, werden ze stiller en stiller. Ze dachten steeds dat ze afscheid van elkaar moesten nemen.

Langzaam reed de trein weer een stationnetje binnen.

Ze zaten dicht tegen elkaar aan, met de ogen stijf dichtgeknepen en hun handjes stevig in elkaar gevouwen, te bang om van elkaar gescheiden te worden.

Toen hoorden ze allebei zijn naam.

Ze verstijfden van schrik.

Wat moesten ze doen?

Nu zei het meisje op haar beurt:

“Laat me niet alleen, alsjeblieft.”

Het jongetje huilde dikke tranen en kon niets anders doen dan haar vasthouden en blijven zitten.

De deuren werden gesloten en opnieuw reed de trein langzaam het station uit.

Op het perron bleven een dame en een heer alleen achter.

De trein maakte meer vaart, ging steeds sneller rijden en verliet de Aarde.

Het jongetje en het meisje waren nu nog de enige passagiers in deze trein en ze wisten niet waar ze naartoe gingen.

De trein ging steeds sneller rijden.

Het ene station na het andere schoot voorbij, totdat de trein opeens hard remde en stil stond.

De kinderen wisten meteen dat ze waren ontdekt.

De machinist had nog twee namen op zijn lijst staan van kinderen die niet waren uitgestapt.

Ergens in het Niemandsland stonden ze stil. Het was nog geen middag, maar de zon stond al hoger dan normaal.

Het was warm en stil, heel stil.

Het meisje deed het raampje open en stak haar hoofd naar buiten.

“Zie je iets?” vroeg de jongen.

“Nee, niets,” zei het meisje.

In de verste verte was geen beweging te zien en het leek alsof alles stil stond.

Het was windstil.

De bomen, het gras en de bloemen langs de rails, niets bewoog.

Ze hoorden geen enkel geluid.

“Wat raar,” zei ze.

Ze ging weer zitten en keek het jongetje aan.

“Wat moeten we nu?”

“Misschien kunnen we op zoek gaan naar de machinist en hem eerlijk vertellen wat wij hebben gedaan. Oma zei altijd dat er een uitweg is. En de enige die ons nu nog kan helpen, is de machinist.”

De jongen knikte bedroefd en samen liepen ze naar voren.

Bang voor wat er ging komen.

Na een aantal uren kwamen ze aan bij de locomotief.

Daar zagen ze de machinist door een raampje zitten.

Hand in hand liepen ze naar de deur en klopten aan.

De deur ging open en voor hen stond een grote man.

Hij had prachtige azuurblauwe ogen en hij lachte naar de kinderen.

“Welkom in mijn trein,” zei de man. “Hebben jullie genoten van de reis?”

De kinderen knikten, maar eigenlijk waren ze heel bang geweest.

Niet bang voor de reis zelf, maar voor het feit dat ze uit elkaar moesten.

De man wist allang dat hij achterblijvers bij zich had en vroeg:

“Waarom zijn jullie niet uitgestapt?”

Beide kinderen keken met onschuldige ogen omhoog naar de man.

“Wij waren bang. Bang dat wij elkaar niet meer zouden zien. Wij wilden graag bij elkaar blijven,” zei het meisje.

De man dacht even na.

“Ik heb een goed idee. Wat als ik jullie naar de Witte Engelen breng? Zij beantwoorden al jullie vragen. Zijn jullie dan bereid om uit te stappen op het station waar jullie eigenlijk uit hadden moeten stappen?”

De twee kinderen knikten opgelucht.

Ze gingen samen op het bankje naast de machinist zitten en langzaam begon de trein weer te rijden.

De trein ging steeds sneller en sneller, passeerde station na station. Grote pluimen rook stegen op en op een gegeven moment ging de trein zo snel dat je niet eens meer kon zien waar je was.

In snelle flitsen ging de trein door tijd en ruimte en opeens trapte de machinist op de rem.

“We zijn er. Station de Zon,” zei de machinist.

“Jullie kennen de zon wel, hè? Maar de zon is in werkelijkheid heel anders dan jullie geleerd hebben.

Jullie hebben geleerd dat de zon warmte geeft en zorgt voor de Aarde. Dat doet zij ook.

Maar wat jullie niet weten, is dat de zon een stationnetje is. Een stationnetje waar mensen in- en uitstappen.

Kom, laten we uitstappen.”

De deuren werden geopend en op het perron stond een gids.

De gids en de machinist begroetten elkaar en namen beide kinderen bij de hand.

“Kom,” zei de gids, “laten we daar eens gaan kijken.”

Hij wees naar een groot plein.

Ze liepen naar het plein en daar stonden allemaal kleine wagentjes zonder wielen, die op wolken dreven.

“Met deze wagentjes kun je door het heelal reizen,” zei de gids.

“Je kunt naar Mars, naar de Maan of naar een mooie ster. Alles is mogelijk.”

“Kom,” zei de gids, “ik zal jullie iets moois laten zien.”

Samen met de machinist en de gids stapten ze in.

Heel langzaam ging het wagentje omhoog.

Zwevend boven de grond bewoog het zich vooruit.

Eerst langzaam, daarna steeds sneller, totdat ze op hun bestemming aankwamen.

“Allemaal uitstappen!” zei de machinist lachend.

“Waar wij nu zijn, is een groep sterren,” zei de gids, “sterren die heel dicht bij elkaar liggen.

Deze sterren hebben een poort.

Die poort zorgt ervoor dat alle gebeurtenissen die geweest zijn, alle emoties en gedachten die je als mens hebt meegemaakt, hier opgeslagen liggen.

Wij noemen dit de Kronieken van het Leven.

Als je hier komt, kun je inzien wat je hebt gezegd en gedaan, maar ook wat je nog mag doen.

Willen jullie een kijkje nemen in deze poort?”

De kinderen knikten instemmend.

Wat kon er gebeuren?

Het meisje ging als eerste de poort binnen.

Binnen zaten twaalf Engelen in het wit. Hun ogen waren groot en zwart en als je goed keek, zag je een sterrenhemel in hun ogen.

De Witte Engelen lachten naar haar toen ze binnenkwam. Ze stonden tegelijk op en begroetten haar liefdevol.

Een oude Engel nam haar bij de hand.

“Kom,” zei hij en hij liep met haar weg van de andere Engelen.

“Luister, wat ik jou ga vertellen is moeilijk, maar ik weet zeker dat je het zult begrijpen.”

Ze knikte en luisterde naar wat deze oude Engel haar te vertellen had.

“Wat ik jou nu ga vertellen en wil laten zien, is iets wat jij nog niet weet. Maar ik laat jou dit zien, zodat je voorbereid bent op wat er komen gaat.”

Het meisje knikte opnieuw.

“Luister goed en kijk naar het scherm terwijl ik vertel.

Wij zijn net als jij en wij hebben net als jij deze reis afgelegd. Jij maakt hetzelfde mee als wat wij hebben meegemaakt. Jij zult hetzelfde doen als wat wij hebben gedaan.”

Het meisje keek met ongeloof naar de oude Engel.

“Kijk maar naar het scherm, dat ben jij. Jij bent als ons, jij bent ons en wij helpen jou nu omdat jij nog één reis mag maken. Eén reis om terug te keren naar ons.

Jij mag nog één reis maken om alles in balans te brengen. Alles wat je al geleerd hebt, wordt in een sneltreinvaart nog eens aan je geleerd. Wat niet voldoende in balans is, mag je nog eens overdoen.”

“Kijk maar naar het scherm,” zei de oude Engel nogmaals.

Het meisje keek.

Een hele snelle film werd afgespeeld. Binnen een korte periode zag zij wat ze allemaal al in balans had gebracht.

“Maar,” zei de oude Engel, “nu komt de film over wat er nog geleerd moet worden en nog niet in balans is.”

Het meisje pakte de hand van de oude Engel vast en kneep er zachtjes in.

Ze schrok hevig.

Dit kan niet waar zijn.

Dit is verschrikkelijk.

Met betraande ogen keek ze de oude Engel aan.

“Waarom ik?”

De Engel sloeg een arm om haar heen en zei:

“Alles komt goed.”

Teruggekomen bij de andere Engelen nam ze huilend afscheid van hen.

De oude Engel zei:

“Ga, leer en weet dat er altijd een uitweg is.”

“Ja, dat zei oma ook,” snikte het meisje.

De oude Engel gaf haar een kus op haar voorhoofd en bracht haar naar de gids.

De gids nam het arme meisje over van de oude Engel en bracht haar naar het wagentje, waar de machinist op haar zat te wachten.

“Was het zo erg?” vroeg de machinist.

Ze snikte en knikte van ja.

Nu was het de beurt aan het jongetje.

De gids nam hem bij de hand en liep met hem door de poort.

Alle Witte Engelen zaten om een ronde tafel.

Toen ze de jongen zagen, begonnen ze te lachen en kwamen ze op hem af.

Ook de jongen werd liefdevol begroet en hij was direct op zijn gemak.

Hij vond het heerlijk hier bij deze Witte Engelen.

Ook hij mocht met de oude Engel mee en kreeg de kans om in te zien wat al geleerd en in balans was gebracht en wat er nog moest gebeuren.

Het zou niet makkelijk worden, dat wist hij al.

De oude Engel zei:

“Ik wil je nog iets laten zien. Iets wat je vriendinnetje niet heeft gezien. Het gaat over jullie nieuwe weerzien.”

De jongen keek naar het scherm.

Hoe meer hij zag, hoe blijer hij werd.

Hij zag de toekomst.

Hij zag haar als vrouw en zichzelf als man en ze waren bijna aan het einde van de reis die ze straks samen mochten maken.

“Wat zullen we een prachtig en fijn leven hebben,” zei de jongen stralend van geluk.

De Witte Engelen namen afscheid van hem en de oude Engel zei:

“Weet dat wij er altijd zijn. Vraag ons om de hulp die je nodig hebt en wij zullen voor jullie klaarstaan.”

De oude Engel gaf de jongen over aan de gids, die bij de poort stond te wachten.

Hij liep aan de hand van de gids terug naar het wagentje.

Het meisje zat stil te wachten totdat hij terugkwam.

Na een tijdje verscheen haar vriendje weer.

Blij, opgelucht en stralend.

Ze begreep er niets van.

“Hoe kan dit?” vroeg ze aan hem.

De jongen lachte.

“Eerst is het moeilijk, maar daarna... heerlijk. Wat word ik gelukkig.”

Hij keek haar plagend aan.

“Ik word gelukkig met jou!”

“Wij gaan elkaar weer zien. Ik heb gezien dat wij samen oud worden.”

“Ik heb alleen maar veel pijn en verdriet gezien,” zei het meisje, “en toen stopte de film.”

“Wat ik heb gezien,” zei de jongen, “is dat wij elkaar weer gaan zien en heel gelukkig worden.”

Het meisje begon te huilen.

“Maar hoe kan dat dan?”

De machinist stapte in het wagentje en keek beide kinderen aan.

“Maken jullie je nu maar geen zorgen. Wij helpen wanneer jullie denken dat er geen uitweg meer is.”

Toen wist het meisje dat het goed zou komen.

Ze moest net als haar vriendje vertrouwen hebben.

Op de terugweg naar de Zon babbelden ze nog wat over hetgeen ze gezien hadden.

En het jongetje zei:

“Weet dat ik jou zal vinden.

In welk land, welke stad of welk dorp je ook bent, ik weet dat je op mij wacht.

Laten we afspreken om het nooit op te geven en dat we samen teruggaan.”

Het meisje knikte en sloeg haar armpjes om hem heen.

Met een vaart waren ze terug bij de Zon.

De gids nam afscheid van beide kinderen en de machinist klom weer achter het stuur van de trein.