Een meisje vraagt haar moeder waarom haar vader is weggegaan. De moeder weet het niet en vertelt dat er geen ruzie was; ze hadden juist gelachen om het meisje dat achter een vlinder aan rende. Het meisje omhelst haar moeder en beseft dat ze nu met z’n tweeën zijn. Langzaam komt opluchting: de liefde voor de vader vervaagt, terwijl moeder en dochter samen de warmte van de zon en hun band koesteren.
Een vrouw ligt in haar bed.
Ze had nog even gelezen, maar nu had ze het licht uitgedaan en staarde naar het plafond.
Ze dacht aan haar moeder. Haar vader was al lang geleden overgegaan, maar haar moeder was niet in staat om de moeder dochter relatie te herstellen.
Van kleins af aan had haar moeder haar bekritiseerd en nu ze zelf een volwassen vrouw was, kwam ze erachter, dat hetgeen waar haar moeder kritiek op had, ze zelf had gedaan als jong meisje.
Een jonge vrouw voelt pijn en verdriet door een gebroken relatie met haar moeder. In een droom verschijnt een stralende, liefdevolle vrouw – de universele Moeder – die haar onvoorwaardelijke liefde toont. Via deze verbinding voelt de jonge vrouw liefde voor zichzelf en anderen. Ze beseft dat ze deze liefde kan doorgeven aan de wereld, en opent haar hart om te helen, te geven en te stralen.
Het was bijna kerst.
De dagen werden korter de nachten werden langer.
Een eenzame oude man strompelt door de oude binnenstad.
Hij had twee verschillende schoenen aan, met daarom heen stevig plakband gebonden. Dit had hij gedaan om ze bij elkaar te houden en tegen de scherpe kou die naar binnen wilde dringen.
Zijn jas was dik, maar hier en daar zag je een scheur van slijtage.
In de heuvels aan de rand van het dorp woonde er een meisje.
Dit meisje woonde daar met haar paard en een ezeltje.
Haar ouders waren op reis en haar oma, die vlak bij haar woonde, keek elke dag even door het raampje naar binnen, om te zien of alles goed ging. Het meisje had het geweldig naar haar zin zo in haar eentje. Elke dag liep ze met haar paard het dorp in om boodschappen te doen. Ze haalde dan een half bruin brood bij de bakker,
wat groente en fruit bij de groenteboer en bij de slager
‘Lieverd kom je aan tafel?’ De heer des huizes legde zijn krant opzij en stond op van zijn stoel. Langzaam, nog een beetje stijf van het zitten liep hij naar de eettafel. Een grote tafel waar twaalf stoelen omheen stonden pronkte in de eetkamer.
Prachtige zilveren kandelaars stonden over de tafel verdeeld.