Het is donker en aan de kant van de weg zit een man op zijn knieën.
Hij heeft zijn handen voor zijn gezicht geslagen en hij huilt.
Hij begrijpt de wereld niet meer, begrijpt de mensen niet meer en hij begrijpt zichzelf niet meer.
Hij is zo moe.
Altijd heeft hij maar moeten vechten.
Als klein jongetje was hij altijd zó bang.
Hij werd thuis door zijn broers en op school gepest.
Vaak verstopte hij zich, waardoor hij nog meer in de problemen kwam.
Zijn ouders hadden het te druk.
Een vrouw staat op haar balkon, waar ze uitkijkt over de straten.
Ze is naar buiten gegaan, nadat ze de nare berichten op tv had gezien.
Ze kon er niet meer zo goed tegen.
Elke keer als ze er naar keek, werd ze onrustig en haalde het haar uit haar liefelijkheid. Ook in de nacht droomde ze veel over wat ze op de dag gezien had.
De nachten waren gevuld met de angst en het verdriet, dat niet van haar was.
Ze verwerkte dat wat ze op het nieuws had gezien.
Dit is een verhaal van lang geleden.
Het verhaal komt oorspronkelijk uit het oude Egypte en is in de vergetelheid geraakt door de jaren heen.
Toen die tijd was alles anders en het land was vruchtbaar.
De man waar ik over wil vertellen was de oude hofmeester die de Farao hielp met al zijn kennis.
Hij was boos! Hij was zo boos!
Stampvoetend zette hij zijn voeten op de grond.
Hij wilde de beste zijn. Nee, hij wilde eigenlijk nog beter zijn! Iedereen moest het zien! Zien hoe bijzonder hij was.
Hij was té aardig en deed té lief tegen iedereen die hij aansprak.
Oh ja, hij was altijd in het wit gekleed.