~ ♥ Sluierverhalen 8. ♥ ~

~ ♥ De Kleine berg ♥ ~

Als de eerste zonnestralen aan de horizon verschijnen, wordt een kleine berg wakker.

Het zijn de vogels die hem wakker hebben gemaakt.

Het klinkt heerlijk, vindt hij, en hij luistert nog eens aandachtig naar hoe mooi deze vogels als één orkest samen zingen.

De kleine berg geniet en hij kijkt naar zijn vader en moeder, die schuin achter hem staan. Zij zijn veel groter dan hij en hij kijkt enorm tegen hen op.

 

Ze zijn ook zo wijs.

Hij heeft veel van hen geleerd en nu ziet hij zijn wereld met heel andere ogen.

Elke morgen, wanneer de eerste zonnestralen verschijnen, zingen de vogels hem wakker.

Hij kent al veel vogels bij naam.

Hij herkent de merels die zo mooi zingen en de vinkjes, zo schattig, maar ook de lijster en de nachtegaal.

De kleine musjes met hun getjilp vindt hij lief, maar ook de kraaien en de eksters vliegen door zijn wereld.

Wanneer de avond invalt en de laatste merel zijn lied zingt, wordt het opeens heel stil. Er heerst dan een serene rust in zijn wereld en de nachtdieren komen langzaam tevoorschijn.

De kleine berg kijkt vaak nieuwsgierig toe, naar wie er door zijn wereld loopt.

 

Hij is dan wel klein, maar vele boomsoorten staan te pronken wanneer hij ze één voor één bekijkt.

Opeens ziet hij een uil vanuit een boom tevoorschijn komen.

De uil vliegt over het bos, op zoek naar een muisje dat zijn weg kwijt is.

De vos sluipt door zijn wereld, op zoek naar een verdwaald konijntje.

Eenmaal is er een roedel wolven zijn wereld binnengedrongen en hij hield heel even zijn adem in, maar hij hoefde helemaal niet bang te zijn, had zijn vader gezegd.

Opgelucht had hij hen toen ook in zijn wereld verwelkomd.

Het is fijn om een berg te zijn en er valt zoveel te ontdekken.

 

Vader en moeder, die schuin achter hem staan, zijn al oud.

Net als bij hem groeien er vele soorten bomen op hun hellingen die hun wereld zo bijzonder maken.

Vaak kijkt hij omhoog en dan ziet hij dat zijn vader grove rimpels heeft van gekleurde lagen steen.

Boven op zijn top is hij wat kaal, doordat de bomen daar de boomgrens aangeven.

Moeder daarentegen staat te schitteren.

Ze is wat kleiner dan zijn vader, maar ze heeft een open blik.

Aan haar achterkant groeien prachtige dennen, maar aan de voorkant ligt een zachte groene grasmat die glanst in de zon.

Zij is een echte moeder, vindt hij.

 

In de winter, zodra het heeft gesneeuwd, komen de mensen speciaal naar haar toe en spelen daar totdat de zon weer sterker wordt en de sneeuw verdwijnt.

De kleine berg vindt het een prachtig gezicht wanneer het heeft gesneeuwd.

Alles is dan wit en het dorp lijkt op een sprookje.

In het dal, waar de mensjes wonen, is het gezellig en overal branden lantarentjes.

Hij vindt dit het mooiste moment van het jaar.

 

Zijn grootouders en overgrootouders staan vlak achter zijn ouders.

Ze zijn hoog en kaal en vaak kijkt hij nieuwsgierig naar hen.

Zij zijn de grootste en hoogste bergen, altijd wit van de sneeuw die op hun kruinen blijft liggen.

Ze zijn wijs en al heel oud.

Vaak slapen ze, want ze hebben alles al gezien.

De kleine berg hoopt dat hij ooit net zo groot en sterk zal zijn als zij.

 

Opeens springt er een eekhoorntje voor hem langs, dat van boom naar boom springt.

De kleine berg glimlacht.

Wat is zijn wereld toch bijzonder…

Zijn wereld in het bergendorp.

~ ♥ Koningsgeld ♥ ~

In een land hier heel ver vandaan woonde een Koning met zijn vrouw.

De Koning was erg wispelturig en verveelde zich altijd in tegenstelling tot zijn vrouw die rustig was en altijd iets te doen had.

Zijn vrouw had haar hofdames waar ze dag mee door bracht, maar de Koning had alleen zijn adviseur die hem raad gaf.

Maar door zijn wispelturigheid, luisterde hij daar nauwelijks naar.

Op een dag was de koning zo wispelturig dat hij zijn kroon afzette.

Hij kleedde zich als burger en liep door de poort naar buiten.

Nadat hij op een enige afstand van het paleis was gekomen, deed hij zijn pet af.

Hij voelde de frisse wind door zijn haren heen gaan.

Het voelde zo heerlijk aan! Ja, dit was vrijheid.

Onderweg kwam hij een koopman tegen die de prachtigste kralenkettingen verkocht.

De koning kocht ze allemaal.

Nadat hij in het dorp was aangekomen, zocht hij de mooiste vrouwen uit en hij gaf hen een kralenketting, maar hij wilde er wel graag iets voor terug.

De Koning was op zoek naar onvoorwaardelijke liefde.

Hij wilde dat de vrouwen hem leuk, aardig, maar vooral lief vonden.

Maar de vrouwen bedankten hem voor zijn gulle cadeau en lieten hem beteuterd achter.

Teleurgesteld liep hij terug naar het paleis, waar hij zag dat zijn vrouw naar hem lachte, maar de koning draaide zich om, om naar zijn kamer te gaan.

 

De volgende dag kleedde hij zich weer om als burgerman en liep richting het dorp.

Onderweg kwam hij een bloemenkoopman tegen en hij kocht al zijn bloemen.

Eenmaal in het dorp aangekomen gaf hij iedere mooie vrouw een bloem.

De vrouwen bedankten de Koning en lieten hem weer achter.

De Koning begreep het niet. Hij was het gewend om zijn zin te krijgen.

Hij was hoffelijk en toch gaven ze hem niet waar hij zo naar verlangde.

Teleurgesteld liep hij terug naar het paleis.

De Koning zag dat zijn vrouw op hem wachtte, maar hij deed net of hij haar niet zag en liep zijn kamer binnen.

 

De volgende dag verkleedde hij zich weer.

Hij stopte al zijn zakken vol met goudstukken en liep het paleis uit.

In het dorp zag hij de vrouwen die hij zo had bewonderd, maar ze keken niet naar hem.

Totdat hij één van de vrouwen hoorde zeggen: “Mijn koe is gisteren ziek geworden en is vanmorgen gestorven.

Hoe kom ik nu aan geld voor een nieuwe koe?”

De koning liep meteen op de vrouw af en gaf haar twee goudstukken.

“Hier, koop er twee en wees er blij mee”, zei hij en glimlachte liefdevol naar haar.

De vrouw keek verwonderd naar de Koning en bedankte hem.

De Koning kon de glimlach van die mooie vrouw niet vergeten en al zingend liep hij naar het paleis terug.

Eenmaal terug op het paleis kwam zijn vrouw lachend op hem toe gelopen.

“Ik heb je in tijden niet zo opgewekt gezien. Misschien doen die wandelingetjes je wel goed..”

De Koning had maar met een half oor geluisterd en ging zijn kamer binnen.

 

Op de dagen die volgden ging hij telkens bij de vrouw aan wie hij de goudenstukken had gegeven langs.

Ze had van de twee goudstukken een koe, wat suiker, meel en specerijen gekocht.

Hij overlaadde haar met dure cadeaus. Elke keer glimlachte de vrouw liefjes en bedankte hem.

Totdat hij op een dag weer langs kwam en hij de vrouw huilend aantrof.

“Wat is er lieve mooie vrouw?”

Met betraande ogen keek ze hem aan.

“Ach lieve man, ik krijg binnenkort visite, maar ik kan mijn visite toch niet in zo’n armoedig huisje verwelkomen?

Mijn dak is lek en mijn put is bijna leeg en mijn hek is vervallen”,  zei ze met betraande ogen en keek de Koning smekend aan.

De Koning hoefde hier niet over na te denken en legde zonder pardon een buidel met goudstukken op tafel neer. 

“Hier, voor jou!” zei hij en keek haar liefdevol aan.

De vrouw griste de buidel met goud van de tafel en bedankte hem met een glimlach.

De Koning liep terug naar het paleis.

Hij was verliefd, maar toch klopte er iets niet.

Hij kreeg namelijk niet datgene waarnaar hij verlangde.

Bij aankomst in het paleis stond zijn vrouw al bij de poort op hem te wachten.

“Heb je weer zo’n heerlijke wandeling gemaakt?” vroeg ze hem hoopvol, maar de Koning gromde wat en riep: “Stuur mijn adviseur naar me toe!”

 

“Wat kan ik voor u doen Koning?” vroeg zijn adviseur.

“Ik wil liefde! Ik wil aandacht! Maar wat ik ook geef, ik krijg er niets voor terug!

Ik heb een lief vrouwtje leren kennen en ik heb haar een koe laten kopen, nadat haar oude dood was gegaan.

Ik heb haar overladen met de prachtigste cadeaus en vandaag was ze in tranen omdat haar dak lekte, haar hek kapot was en haar put leeg is.

Ik heb haar mijn buidel met goud gegeven, in de hoop de liefde te krijgen die ik hiervoor terug verdien.”

Zijn adviseur trok zijn wenkbrauwen omhoog.

“Wat kan ik voor u doen?” vroeg hij opnieuw.

“Hoe krijg ik die vrouw zover dat ze mij lief heeft? Ik heb er alles voor over!”

 

“Maar Koning, u bent gehuwd met de Koningin. Ze houdt van u en ze is alleraardigst.”

De Koning haalde zijn schouders op.

“Ze is saai. Ze is niet zo bewust als ik en ze houdt me tegen in mijn zoektocht naar echte zielenliefde.”

“Wilt u mijn advies Koning?”

“Ja graag”, en de Koning hing aan zijn lippen.

“Die vrouw heeft misbruik gemaakt van uw goedheid.

Ze zal u nooit geven waar u naar verlangt en ze zal alleen maar meer willen.

U zoekt het buiten uzelf, terwijl de liefde en rust in uzelf te vinden is.

U zoekt het in andere mensen, maar die kunnen dat wat u zoekt niet geven.

Ik raad u aan om het contact met deze vrouw te stoppen en naar uzelf te gaan kijken en van daaruit te leren.”

 

De Koning was enigszins teleurgesteld, maar hij zag wel in dat zijn adviseur gelijk had.

De volgende dag bleef hij thuis. Hij ergerde zich aan zijn vrouw die rustig een boekje zat te lezen.

Met haar kon hij geen lol hebben, ze waren zo verschillend.

Het thuisblijven had ook zijn voordelen. Zijn verliefdheid was verdwenen en hij zag wel in dat hij onvolwassen had gehandeld.

Je mag niemand omkopen met goud voor aandacht en liefde.

Maar na een paar dagen werd de Koning toch weer onrustig.

Dus trok hij de volgende dag zijn burgerkleding weer aan en liep naar het dorp.

Hij zag de vrouw die hij zo liefhad aan de arm van een andere man.

Ze had de jurk die ze van hem had gekregen aan, droeg zijn kralenketting en woonde nu in een huis dat hij had betaald met zijn goudstukken.

Teleurgesteld keek hij hen na, totdat hij op zijn schouders werd getikt.

De Koning draaide zich om en keek naar een prachtige vrouw.

Ze huilde en ze keek hem met betraande ogen aan.

“Maar wat is dat nu vrouwtje? Waarom huil je zo?”

“Oh”, zei de vrouw huilend. “Ik ben zó verdrietig.

De dakgoten vallen van mijn dak af en mijn spinnenwiel heeft zijn laatste wol gesponnen.

Nu kan ik niets meer verdienen”, zei ze verdrietig en keek hem met betraande en smekende ogen aan.

De Koning dacht niet meer aan de wijze woorden van zijn adviseur en kreeg zo nooit waarnaar hij zo verlangde.

~ ♥ Kinderen van het Sprookjesbos ♥ ~

Het was koud, de regen sloeg tegen de ramen.

Een meisje en een jongetje stonden voor het raam.

Ze hadden beiden hun neusjes tegen het raam gedrukt.

De warme adem die uit hun mondjes en neusjes tevoorschijn kwam, zorgde ervoor dat het raam besloeg.

Met hun vingertjes tekenden ze ieder een hondje op de ruit.

Hun hondje was nu in de Hemel en speelde nu met andere hondjes en was gelukkig.

Maar het jongetje en het meisje misten hem zo.

Soms huilden ze nog stiekem om hem.

 

Het was inmiddels donker geworden.

Ze hadden gegeten en waren al in bad geweest.

Mama keek naar haar beide kinderen. Goh, wat hield ze toch van hen.

Ze ging achter haar kinderen staan en keek naar de tekeningen op het raam en zag beiden hun hond hadden getekend.

Moeder ging op haar knieën zitten, drukte haar neus tegen het raam en ademde net zolang totdat het besloeg.

Naast de twee hondjes die haar kinderen hadden getekend tekende ze een maan.

In een wolkje zette ze met grote letters “Bedtijd”.

 

Haar kinderen wilden nog niet naar bed.

Ze wilden eigenlijk nog opblijven.

Maar moeder zei dat het tijd was en dat morgen weer een nieuwe schooldag was.

Met enige tegenzin liepen ze voor moeder uit naar hun slaapkamertjes.

“Mogen we nog een verhaaltje?” vroeg Emma.

“Ja, ik wil ook een verhaaltje!” Riep Gijs.

Moeder lachte. “Jullie mogen allebei een verhaaltje uitzoeken.”

 

Snel zochten ze een verhaal uit.

Eerst ging moeder naar Gijs.

Ze las hem een prachtig verhaal voor over een koe en een schaap die samen op avontuur gingen. Het was reuze spannend.

Moeder gaf Gijs een nachtzoen en wenste hem welterusten.

Daarna ging moeder naar de slaapkamer van Emma.

“En wat voor verhaaltje wil jij horen?” vroeg moeder.

Emma stak het verhaal omhoog: “Deze wil ik”.

Moeder pakte het verhaal en keek er naar.

Dit verhaal kende ze nog niet.

“Hoe kom jij aan dit verhaal Emma? Deze hebben we nog nooit gelezen.”

Emma deed haar schoudertjes omhoog.

“Ik weet het niet mama, het stond hier opeens tussen mijn boeken.

Ik heb dit verhaal nog nooit gezien.” 

Vreemd, dacht moeder maar begon te lezen.

 

Dit verhaal ging over een broertje en een zusje.

Ze waren in een groot bos. Het bos was al heel oud.

Het was het grote toverbos waar alle verhaaltjes verdaan kwamen.

Ook kwamen daar de sprookjes vandaan.

Dus de grote boze wolf van roodkapje en van de zeven geitjes woonde hier.

En ook de grote boze toverheks.

Maar in dit verhaal zullen we de wolf en de heks niet tegen komen.

Nee, de twee kinderen gingen op reis.

Ze hadden elk een rugtas om met daarin de nodige bagage.

Ze liepen over de zandpaden door het bos.

Langs het pad groeiden bloemen.

De één was geel de ander weer rood, maar zo nu en dan zagen ze ook paarse bloemen.

De zon scheen en het broertje en zusje liepen hand in hand.

 

De vogels vlogen voor hen uit en een hertje liep naar het jongetje.

Het keek hen uitdagend aan.

“Wat wil je dan hertje?” vroeg het jongetje. “Wil je soms een stukje rennen?”

Het hertje begon al te rennen.

Beide kinderen renden achter het hertje aan.

Bij een splitsing sloeg het hertje linksaf.

Het jongetje en meisje volgden hem.

“Niet zo snel!” riepen ze hem na.

Maar het hertje was al verdwenen in het struikgewas.

 

Ze gaven elkaar weer een hand en liepen naast elkaar over de paden verder. 

Een uil die in een hoge boom zat en alles gade sloeg keek naar beneden. 

Hij had hen al van veraf aan zien komen.

Hij zag dat de beide kinderen links afsloegen en door een onzichtbare poort liepen. Een poort naar een andere wereld.

Een wereld waar alleen maar Elfjes, Feetjes en lieve tovenaars woonden.

Kaboutertjes kwamen uit hun huisjes en keken met liefdevolle blik naar beide kinderen. “Waar komen jullie vandaan?” vroegen ze beleefd.

 

De kinderen begrepen niet wat ze zagen.

Ze hadden weleens van kaboutertjes gehoord, maar er nog nooit één gezien.

“Wij komen van huis.” zei het zusje.

Een oud kaboutervrouwtje begint te lachen en zegt: “Ik denk dat jullie een beetje verdwaald zijn. Kom, ik zal jullie naar de Feeën brengen.

Zij zullen ervoor zorgen dat jullie op de juiste pad en weer thuis komen.

Kom, volg mij maar.”

 

De beide kinderen liepen achter het kaboutervrouwtje aan.

Niet alleen de kinderen, maar heel het kaboutervolk volgde de kinderen. 

De Elfjes die rond fladderden vroegen wie die kinderen waren en waar ze naar toe gingen. “Wij gaan naar de Feeën!” zei het jongetje trots. 

De vogels en vlinders volgden de stoet op de voet en de lieve diertjes sloten de rij af. Een grote optocht was ontstaan in dit prachtige toverbos met het kaboutervrouwtje voorop.

Steeds dieper liepen ze het toverbos in.

De bossen gingen over in grote heuvels en het gras was prachtig groen. 

De paden waren hier breder en het meisje en het jongetje keken hun ogen uit.

Ze zagen watervallen, besneeuwde bergtoppen en telkens kwamen ze weer in een ander landschap terecht.

 

We zijn er bijna zei het kaboutervrouwtje.

Nog een paar heuvels over en dan zijn we er.

Het broertje en zusje knikten, ze hadden het begrepen. 

De heuvels waren nu bebost en de bomen waren hier zo ontzettend hoog dat je de toppen niet kon zien.

De heuvels waren met mos begroeid en ze zagen prachtige bloemen.

De geur was zoet en het voelde zo veilig.

Ze liepen over een loopbrug en liepen het Feeën dorp binnen.

Midden op het plein stond het kaboutervrouwtje stil.

“We zijn er”,  zei ze vriendelijk.

“Ik zal de koning van deze wereld ophalen.

Hij zal wel weten hoe hij jullie weer thuis kan brengen.”

 

Het kaboutervrouwtje liep naar een kasteeltje.

Ze beklom de treden van de trap en klopte aan op een grote houten deur. 

De deur ging meteen open.

Ze keek omhoog en zag de oude Feeënkoning staan.

“Majesteit, ik heb hier een broertje en een zusje meegebracht. 

Ze zijn een beetje verdwaald. Kunt u ze weer naar huis brengen?” 

De Feeënkoning lachte vriendelijk toen hij naar de beide kinderen keek.

“Maar natuurlijk kan ik dat!” riep hij enthousiast uit. 

 

Naast de koning kwam een man staan.

Hij had een grote cape om met grote zilveren sterren.

Hij was al oud want hij had grijs haar en een lange baard.

Hij lachte vriendelijk naar beide kinderen.

“Laat ze toch binnen komen, dan kunnen ze even wat eten en drinken!” zei hij vriendelijk.

De Feeënkoning nodigde de beide kinderen uit om binnen te komen.

Heel voorzichtig, stapje voor stapje liepen ze achter de Feeënkoning en de oude man naar binnen.

Eenmaal binnen mochten ze aan een grote tafel zitten waar opeens de meest lekkere dingen op tafel stonden.

 

Verschrikt keken de beide kinderen elkaar aan.

“Maar hoe kan dat?” vroeg het jongetje aan de oude man.

“Ik ben de oudste tovenaar hier in dit sprookjesbos.

Ik ben de liefste, aardigste, leukste en vrolijkste tovenaar die je ooit zult tegenkomen. Ik help ieder kind dat bang, eenzaam of verdrietig is.

“Oh, maar hoe doet u dat dan?” vroeg het meisje nu. 

“Het is heel simpel”, zei de oude man.

“Neem bijvoorbeeld jullie rugtas. Doe die eens af?”

De beide kinderen deden wat hen gevraagd werd.

Maak deze maar eens open en leg alle spulletjes maar eens op tafel neer.”

 

De kinderen haalden hun tassen leeg.

Ze hadden allebei een appel voor onderweg bij zich.

Een boekje waarin ze konden schrijven en een warme trui voor als het koud mocht worden. De oude tovenaar keek tevreden.

Als jullie weer thuis zijn wil ik jullie graag aanraden om een deken te maken of kopen die je echt heel erg mooi vind.

Een dekentje die warmte geeft maar ook bescherming.

Als je verdrietig of bang bent dan kun je dit dekentje om je heen slaan.

Je kunt er ook onder slapen en ik weet zeker dat je dan heerlijk zult slapen.

 

Het boekje dat jullie bij jullie hebben is een goede keus.

Schrijf hier alles in wat je hebt meegemaakt, leuke en minder leuke dingen. 

Vind je schrijven nog een beetje moeilijk dan kun je het ook tekenen. 

Het zal dan jouw geheime boekje zijn.

Als je het boekje dan op een geheime plek in je eigen slaapkamertje neerlegt, weet ik het boekje te vinden en zal ik er alles aan doen om jou te helpen als je verdrietig bent.

 

Als je leuke dingen hebt opgeschreven, zal ik er om lachen en zal het mij nog gelukkiger maken.

De beide kinderen knikten dat ze het begrepen hadden.

De Feeënkoning kwam nu naar hen toe gelopen.

“Wisten jullie dat er op dit moment over jullie word geschreven?”

De kinderen keken elkaar verbaasd aan.

“Ja, jullie hebben iets heel erg liefs gedaan.

Weten jullie nog wat?” vroeg de Feeënkoning.

De kinderen dachten eens na, maar ze wisten het niet meer.

 

“De mevrouw die jullie ooit eens een deken heeft gegeven was erg ziek.

Hebben jullie voor haar niet een hele mooie tekening gemaakt om haar op te vrolijken?” De kinderen wisten het weer, ze waren het bijna vergeten.

“Ja, dat hebben wij gedaan. Mama zei dat deze mevrouw ziek was en wij vonden dat heel erg. Daarom hebben wij haar een tekening gestuurd met onzichtbare inkt.”

 

De Feeënkoning ging verder met zijn uitleg.

“Nou, wisten jullie dat deze vrouw sprookjes schrijft en dat jullie nu in één van haar sprookjes voorkomen?”

Nee, dat wisten de kinderen niet.

“Deze mevrouw was zo dankbaar en blij met jullie tekeningen en daarom is ze dit verhaal voor jullie gaan schrijven.   

Een verhaal speciaal voor jullie. Om jullie te bedanken.

Ze zal het aan jullie geven, zodat mama het zo vaak als jullie willen voor kan lezen.”

 

De kinderen keken blij naar elkaar en naar de Feeënkoning.

“Maar ik denk dat het tijd is en dat jullie nu naar huis moeten.

Het is bedtijd en het verhaal duurt nu wel heel erg lang.

Morgen zal mama het weer voor lezen en overmorgen net zo vaak als jullie het willen. Ga met deze oude tovenaar mee, hij word ook wel vadertje tijd genoemd. 

Hij zal er voor zorgen dat je lekker kunt slapen. 

Vraag naar hem als je wilt dat hij langs komt.

Hij zal je dan om de juiste tijd bezoeken en je in slaap laten vallen.”

De kinderen knikten.

 

Nog voor ze weg gingen liepen de beide kinderen naar de deur en deden deze open.

Buiten stond het plein vol met kabouters, feetjes, hertjes, konijntjes, ganzen, biggetjes, geitjes, vogels en vlinders. Iedereen begon te juichen.

De kinderen zwaaiden en liepen vrolijk terug naar binnen.

Ze gaven Vadertje Tijd een hand en verdwenen terug naar huis.

 

Emma die in haar bed lag en met open mond naar haar verhaal had geluisterd, keek haar moeder verbaasd aan.

Gijs die nog niet kon slapen en in de deuropening het verhaal stiekem had mee geluisterd keek naar zijn zusje en zijn moeder.

‘Mama’, zei hij zacht. “Wil je morgenavond dit verhaal nog eens vertellen?”

Moeder stond op. Ze knikte.

“Ja, ik zal jullie dit verhaal net zolang voorlezen totdat jullie er genoeg van hebben.”

En ze gaf haar dochter een zoen.

“Lekker slapen hè, vadertje tijd komt zo langs.” En ze liet het nachtlampje aan.

Snel bracht ze haar zoontje naar zijn bed.

“Ik zal het morgen weer vertellen”, zei ze zacht en stilletjes liep moeder de slaapkamer en het verhaal uit. Slaap lekker!