Een jongetje zit door het raam naar buiten te staren. Er is daarbuiten ook zoveel te zien.
De Meester komt naar hem toe gelopen en vraagt:
“Vind je het geen leuke les?”
De jongen schrikt op. Hij kijkt verschrikt om zich heen en haalt zijn schouders op.
“Wat voor les zou jij leuk vinden?” vraagt de Meester weer, en hij kijkt de jongen lachend aan.
Alle ogen waren nu op hem gericht en hij probeerde uit zijn woorden te komen en een beetje stotterend zei hij:
“De lessen van het leven, Meester.”
“Je bedoelt wat wij als mensen allemaal meemaken, de nare dingen?”
De jongen schudde zijn hoofd en zei:
“Nee Meester, ik bedoel wat er in het leven te leren is.
Waarom zitten we deze suffe oude geschiedenis te leren? Het is toch al geweest?
Ik vraag me dan vaak af: was dit wel het echte verhaal?
Een verhaal heeft toch altijd twee kanten? Misschien is het wel heel anders gegaan en dan heb ik iets geleerd waar ik helemaal niets mee kan.
Waarom gaan we niet naar buiten? Waarom gaan we niet onderzoeken hoe het leven buiten eraan toe gaat?
Laten we naar bloemen en dieren kijken. Laten we het weer onderzoeken — die hebben geen twee kanten van een verhaal.
Laten we iets leren wat wél iets toevoegt aan mijn leven hier op aarde en niet van die stomme jaartallen die ik toch weer vergeet.”
De Meester keek eens bedenkelijk. Misschien had die jongen wel gelijk.
Hij klapte zijn geschiedenisboek dicht en trok zijn jas aan.
“Kom kinderen, trek je jas aan, we gaan naar buiten!”
Alle kinderen joelden en renden naar buiten.
Ze hadden die middag bij de lammeren gekeken en hoe een koe gemolken werd.
De Meester had verteld over de paardenbloem en hoe je daar gezonde thee van kon zetten.
Ze hadden in één middag nog meer geleerd dan het afgelopen halfjaar… en het was een heerlijke middag.
Voldaan ging iedereen die middag na school naar huis.
De volgende dag zat iedereen vol goede moed in de schoolbanken en keken hoopvol naar de Meester…
Maar hij sloeg zijn geschiedenisboek open en vroeg aan de klas:
“Waar waren we ook alweer gebleven?”
Een oude man keek bedroefd voor zich uit.
De tranen liepen over zijn oude en diep gerimpelde gezicht.
Hij keek naar beneden vanaf zijn balkon en zag de wingerd waar hij met zoveel liefde en toewijding de afgelopen vijfenveertig jaar voor had gezorgd.
Vijfenveertig jaar geleden groeide het als klein plantje bij de buren in de tuin, vlakbij zijn pand.
Hij had de plant verzorgd en met veel geduld langs de muren van zijn oude herenhuis geleid.
Zo voorzichtig mogelijk snoeide hij zo min mogelijk van de ranken, die hun weg naar boven zochten.
De oude man kon zo genieten van deze wingerd.
In die vijfenveertig jaar had de wingerd inmiddels de volledige achterkant van zijn huis van een prachtig rood-groen blad voorzien.
Er woonden vogels in de wingerd en de vlinders kwamen vaak even voorbijgevlogen en gingen dan op zijn balkon zitten.
De oude man praatte tegen de wingerd en zijn metgezellen.
Het was zijn familie, het was zijn thuis.
Een kat uit de buurt klom elke week tegen de wingerd op naar boven, om even gedag te zeggen. Vaak kreeg hij van de oude man iets lekkers en liet dan zich langs de takken weer naar beneden zakken.
De vogels en vlinders kenden de oude man.
De vogels kwamen naar hem toe gevlogen en vroegen dan nieuwsgierig om wat kruimels.
Oh, er zat zoveel liefde in deze wingerd en haar bewoners.
Maar op een dag, kreeg de man nieuwe buren.
Hij belde bij hen aan en vroeg of ze alsjeblieft de wingerd wilden behouden.
De buurman was beleefd en beloofde de oude man dat hij de wingerd zou laten staan.
De oude man was blij en liep tevreden terug naar huis.
Heel voorzichtig klom hij zijn ladder op om een paar ranken te verwijderen die voor zijn ramen groeiden.
Hij keek en praatte met zijn vogels en een vlinder fladderde voorbij.
Nadat hij klaar was met het snoeiwerkje, ging hij tevreden in een stoel zitten en keek naar buiten.
De volgende dag werd hij wakker van een hart brommend geluid.
In zijn streepjespyjama snelde hij naar zijn balkon.
Hij deed de balkondeuren open en keek naar beneden de tuin van de buren in.
De zoon des huizes had een kettingzaag en zaagde de stam van de vijfenveertigjarige wingerd met één beweging door.
“Nee!” schreeuwde de oude man.
De tranen stroomden uit zijn ogen.
De onmacht die hij voelde, dit was zijn levenswerk, dit was zijn thuis!
Het voelde of zijn hart uit zijn lichaam gerukt werd en hij liet zich op zijn knieën vallen.
Hij keek naar boven en met betraande ogen riep hij: “Waarom, waarom!!”
