~ ♥ Verhalen uit het Leven 9. ♥ ~

~ ♥ De Wereld Door Zijn Raam ♥ ~

Wanneer een oude man uit het raam kijkt, lopen de tranen over zijn gerimpelde gezicht.

Hij is net na de oorlog geboren.
De gruwelijke verhalen hoorde hij al in zijn jeugd.
Er was schaarste.
Maar samen bouwden ze het land weer op.

Hij vond het een mooie tijd.
Er werden prachtige en handige uitvindingen gedaan.
Uitvindingen die het leven makkelijker maakten.

De welvaart bracht nieuwe kansen.
Iedereen streefde naar een betere wereld.

 

De oude man veegt de tranen van zijn gezicht.

Misschien is de mens een beetje uitgeschoten.

Als hij naar zijn kleinkinderen kijkt, kan hij amper met hen communiceren.
Ze zitten de hele tijd op hun telefoon.
Ze kijken hem alleen aan als het echt moet.

Misschien heeft deze technologie de samenleving uit elkaar getrokken.

 

De oude man denkt aan zijn eigen jeugd.

Er waren ook telefoons.
Maar andere telefoons.

Ze stonden op een kastje.
Met een snoer eraan.
Waar je met je vingers in vast bleef zitten als je de draaischijf rond draaide.

Mensen belden voor de tijd.
Of voor het weer.

Hij was altijd buiten met zijn vrienden.
Ze bouwden hutten.
Ze schaatsten op de sloten.

Er waren buurtfeesten.
En later, toen hij ouder werd, dansavonden op zaterdag.

Zo heeft hij zijn vrouw ontmoet.

Tegenwoordig zoeken mensen hun partner op internet.
Ze keuren elkaar op uiterlijk en status.

Zijn kleinzoon had hem dat verteld.
Het eerste wat jonge dames vragen is:
of hij een eigen huis heeft…
en wat hij per maand verdient.

 

De oude man voelt boosheid opkomen.

Waar is de romantiek gebleven?

Waar is de aantrekkingskracht tussen twee mensen?

Zijn wij als mens niet te ver doorgeschoten?

Waar is het praatje bij de bakker gebleven?
Waar is het sociale contact?
De hulp aan elkaar?

Alles moet snel.
Alles is onpersoonlijk geworden.

De samenleving is verdeeld geraakt.
Het is nu ieder voor zich.

 

De oude man kijkt opnieuw de straat over.

Hij ziet mensen zich vluchtig heen en weer bewegen.
Gehaast.
Afgesloten.

De wereldse spanningen herhalen zich.
Hij herinnert zich de verhalen uit zijn jeugd.

Maar toen was het anders.

Ze waren samen.
Ze waren één.

Nu is het ieder voor zich.

De man loopt weg bij het raam.
Hij gaat in zijn stoel zitten.

Hij sluit zijn ogen.

En vraagt zacht aan de Engelen om hem heen:

“Mag de verdeeldheid ons weer samenbrengen?”

~ ♥ De Verzamelaar ♥ ~

Een oude man zat tegen een boomstam aangeleund en keek om zich heen.

Hij vond het fijn om zijn gedachten te onderzoeken en zo tot inzichten te komen.

In de verte zag hij een kleine rode eekhoorn die rond de hazelaar aan het zoeken was.
Hij was aan het verzamelen.

De oude man glimlachte.

Wij mensen zijn niet veel anders dan die kleine eekhoorn, dacht hij.
Wij verzamelen gedachten en emoties.
We onthouden alles wat niet leuk was.

Zodra iemand boos op ons is, of er gebeurt iets wat ons raakt, zoeken we onbewust in onszelf naar dezelfde ervaringen die daarop lijken.
Alsof we ze opnieuw oprapen en bewaren.

De oude man wist al lang dat we deze gedachten niet meer hoeven vast te houden.
Dat we emoties mogen loslaten.

Wij hoeven niet te blijven verzamelen zoals die rode eekhoorn.

Verzamelen betekent dat er te veel is.
Te veel emoties.
Te veel nare gedachten en gebeurtenissen die je onbewust met je meedraagt — en die je ongelukkig maken.

Laat ze los, dacht hij zacht.
Ze zijn niet meer belangrijk.

De oude man stond op en keek nog eenmaal naar de eekhoorn.

Hij glimlachte weer.

“Hou jij het maar bij het verzamelen, kleine vriend.
Voor jou heeft verzamelen een heel andere betekenis.”

En langzaam liep de man zijn pad op.

~ ♥ De Poortwachter van het Bos ♥ ~

Een buizerd vliegt over en een vrouw, die naar de lucht staart, kijkt hem na.
Ze glimlacht, want buizerds hebben het overzicht.
Zodra de vogel langzaam uit het zicht verdwijnt, stapt ze rustig verder richting het bos.

De weg die ze gaat is steil en grote stukken stenen liggen los op het pad.
Ze moet goed kijken waar ze haar voeten neerzet om niet te struikelen of, in het ergste geval, te vallen.
Stapje voor stapje neemt ze deze steile weg naar boven en met rustige passen komt ze boven op de heuvel aan.

De bosrand is nu goed te zien en de weg ernaartoe is beter begaanbaar dan de weg waar ze zojuist overheen liep.


Aan weerskanten van het smalle pad staan grote bramenstruiken en zo nu en dan blijft de vrouw even staan om een paar braampjes te plukken.
Ze smaken heerlijk zoet en de vrouw geniet.

Bij de ingang van het bos staat een oude, grote eik.
Hij staat een beetje scheef en zijn lange takken hangen hoog boven het bospad, iets naar voren.
Het kleine ijzeren draaihekje onder de eik geeft aan dat je nu een andere wereld binnenloopt.

De vrouw kijkt naar de oude eik. Hij is groot en dik, dus heel erg oud.
Zijn bast is gerimpeld en het lijkt net of hij op het bospad neerkijkt.
Met een stille stap nadert ze de oude eik.

Ze kijkt naar boven en ziet dat de boom een oud gezicht heeft.
De contouren van ogen, neus en laaghangende mondhoeken zijn er duidelijk in te herkennen. Hij lijkt nors.
De vrouw legt haar handen tegen de bast van de oude boom aan.

Onmiddellijk gaan zijn ogen open en hij kijkt de vrouw streng aan.
“Wat mot je? Heb ik je soms gevraagd om aan me te zitten!?”

“Nee,” zegt de vrouw en ze kijkt de oude boom met een onschuldige blik aan.
“Ik zag dat u niet zo gelukkig was en wilde u graag troosten.
Is er soms iets wat ik voor u kan doen, zodat u niet meer zo boos bent?”

“Huh,” zegt de boom. “Jij wilt mij helpen? En waarom dan wel!? Alsof jij alles kunt oplossen!”

“Ik kan het toch proberen,” zegt ze beleefd.

“Ik zal je eens laten zien wat er aan de hand is.
Ga daar maar op dat bankje zitten en kijk dan naar wat er met mij gebeurt.”

De vrouw gaat op het bankje zitten dat schuin tegenover de oude boom staat en wacht op wat er gaat gebeuren.


In de verte hoort ze stemmen en ze kijkt de kant op waar ze vandaan komen.

Een groepje wandelaars heeft hetzelfde pad gekozen en ze spreken luid over onderwerpen zoals waspoeder en dat de boodschappen zo duur zijn geworden.
Ook roddelen ze over andere mensen die ze kennen en de vrouw begrijpt een beetje waarom de boom zo boos is. 
In plaats van dat ze opgaan in de natuur in al haar schoonheid, praten ze over onderwerpen die niet belangrijk zijn.
De vrouw ziet hoe het groepje haar kant op komt en haar met een knikje begroet.

De mensen komen bij de oude eik aan en, zonder hem te zien, draaien ze aan het ijzeren hekje.
Pieeeeeep… pieeeeeep… pieeeeeeep… doet het draaihekje.

De vrouw begrijpt meteen waarom de oude eik zo uit zijn humeur is.
Dit geluid is niet om aan te horen. Geen wonder dat hij een oude brom-eik werd.

Nadat de wandelaars uit het zicht zijn verdwenen, loopt de vrouw weer naar de oude eik toe.
“Ik zie nu waarom u zo boos bent.
Dat geluid is ondragelijk, zelfs voor mij.
Hoe moet dat dan voor u zijn, een oude eik die van de stilte houdt?”

De oude eik kijkt de vrouw nu wat vriendelijker aan.
“Ik kan er niets aan doen. Elke dag komen vele wandelaars deze kant op en ze gaan allemaal door dit draaihek.
Het geluid verstoort mijn groeiproces, het verstoort de wereld achter de sluiers waar ik de poort van ben.
Maar de mensen begrijpen dat niet.
Ze plaatsen hier zomaar een ijzeren draaihek en kijken er verder niet meer naar om.”

De vrouw kijkt de oude eik verdrietig aan.
“Ik zou kunnen kijken wat ik eraan kan doen.”

“Heus?” vraagt de oude eik verbaasd.

“Ja,” zegt de vrouw. “Ik ga er direct werk van maken.
Nog heel even geduld, lieve eik. Ik kom terug met een oplossing.”

 

Zo gaan er dagen voorbij.
De vrouw is bij het gemeentehuis geweest, waar ze haar in haar gezicht hebben uitgelachen.
Niemand van de groenvoorziening wil iets aan het piepende hek aan de rand van het bos doen.

Nadat de vrouw van alles heeft geprobeerd en er geen positieve reactie op heeft gekregen, pakt ze haar hamer en een paar spijkers en stopt deze in haar rugtas.
Ze trekt haar wandelschoenen aan en loopt richting het bos.

Opnieuw loopt ze over de weg met de grote stenen en opnieuw moet ze oppassen om niet te vallen.
Wanneer ze eindelijk boven op de heuvel is aangekomen, draait ze zich om.
Het is een prachtig gezicht en de natuur is hier zo schoon.

De zon begint al aan de horizon te zakken en het zal niet lang meer duren voordat de avond invalt.
Snel loopt ze naar de oude eik toe, knikt naar hem en trekt aan het draaihekje.
Met een beetje extra kracht trekt ze het hekje uit de grond.

Daarna loopt ze het bos in, waar ze een paar afgevallen takken vindt.
Met haar hamer en spijkers maakt ze een prachtige boog.

 

De vrouw gaat zo op in haar werk dat ze niet in de gaten heeft dat de zon al ver is gezakt.
Het is bijna donker.
De boog is klaar en de vrouw kijkt tevreden naar wat ze heeft gecreëerd.

Daarna kijkt ze de oude eik aan en zegt: “Ik hoop dat deze boog de stilte niet verstoort.”

De oude eik kijkt tevreden en zegt liefdevol: “Ik wil je bedanken, mijn kind, voor deze prachtige creatie.
Alle bosbewoners en ik zijn er erg blij mee.”

Hij kijkt de kant van het bos op.
Overal waar de vrouw kijkt, ziet ze dieren.
Uilen, vosjes, konijntjes en eekhoorntjes.
De vogels op de takken kijken haar dankbaar aan.

Maar wanneer ze nog beter kijkt, ziet ze ook Elfjes, Kabouters en Feeën.
Kleine Bosnimfen strooien met goudstof zodat ze goed zichtbaar zijn voor de vrouw.
Het is zo mooi dat ze haar ogen niet kan geloven.

 

“Ik wil deze stilte niet verstoren,” zegt de boom, “maar ik zie dat de zon al onder is en je nog een lange weg naar huis moet.
Het lijkt me geen goed idee om dezelfde weg terug te lopen.
De kans dat je valt is te groot.

Ga door het bos, mijn kind.
Het licht van onze liefde zal je de weg wijzen.
Kom de volgende keer weer hier, dan kunnen we nog eens praten.”

De vrouw knikt.
“Graag. Fijn dat ik welkom ben.”

“Ga nu maar. Het bos zal je pad verlichten.”

De vrouw kijkt naar het pad dat voor haar ligt en loopt onder haar eigen gemaakte poort door het bos binnen.
Meteen zijn daar de vuurvliegjes om haar pad te verlichten.
Bosnimfen strooien goudstof om het zicht nog beter te maken.
Kleine Elfjes vliegen met lantarentjes met haar mee, totdat ze de rand van het bos bereikt.

Ze kijkt nog eens om en ziet dat alle bosbewoners zijn meegelopen en -gevlogen. Ze zwaaien haar uit.

Een mooie Fee, die haar gedachten heeft opgepikt, zegt in haar hoofd:
“Welkom in onze wereld van de sprookjes.
Een wereld waar wij vandaan komen, maar die zo dicht bij de mensheid staat.
Tot de volgende keer.”

De lantaarnpalen nemen het over van de Elfjes.
Wanneer de vrouw thuis is en in bed ligt, zegt ze tegen de maan, die bijna vol is:

“Ik heb mijn nieuwe weg gevonden.
Het land van de sprookjes zal nu voor ons opengaan.”

En nadat de slaap is ingevallen, kijkt een Meester vanuit het Hiernamaals tevreden toe.

Ze heeft haar nieuwe weg gevonden.

~ ♥ Met de Tijd Mee ♥ ~

Het is vrijdagmorgen en een oude vrouw loopt naar de dichtstbijzijnde supermarkt.
Dit weekend krijgt ze haar kleinkinderen op bezoek en ze wil hen graag een beetje verwennen.

Ze loopt met haar trolley achter zich aan de winkel binnen.
Bij de ingang zet ze de trolley netjes aan de kant en pakt een winkelwagentje.
Uit haar handtas haalt ze een papiertje met daarop de boodschappen die ze nodig heeft, en een pen om de artikelen aan te kruisen zodra ze die in haar wagentje heeft gelegd.

De oude vrouw loopt het gangpad in en ziet dat de schappen voor de zoveelste keer veranderd zijn.
Nu moet ze opnieuw gaan zoeken waar alles staat.

 

Ze is één van de oudste buurtbewoners en er is veel veranderd vergeleken met vroeger.
Toen was de supermarkt het middelpunt van de samenleving.
Daar hoorde je de nieuwste nieuwtjes en er was saamhorigheid.

Tegenwoordig is alles snel en mechanisch.
De oude vrouw zucht. Waar zijn die gezellige winkels gebleven?

Waar is de groenteboer, waar je elke dag vers fruit en groenten haalde en waar altijd tijd was voor een praatje?
Of de slager en de bakker… ze zijn zo goed als uit het straatbeeld verdwenen.

Nu zijn er grote supermarkten met zelfscan-kassa’s en alles draait om massa.

 

De oude vrouw kan de mix voor de boterkoek niet vinden.
Ze loopt het ene gangpad in en het andere weer uit.
Ze is moe. Dit wil ze eigenlijk niet… maar uiteindelijk vraagt ze toch een vakkenvuller waar de boterkoekmix ligt.

De jongen kijkt haar aan en zegt:
“Tweede gang rechts, bij de bakspullen.”

De oude vrouw loopt verder en telt de gangen, maar raakt een beetje de weg kwijt.

“Kan ik u helpen?” vraagt een vriendelijke stem.

Verschrikt kijkt ze op en ziet een lief meisje staan.
De oude vrouw schudt haar hoofd.

“Ik zoek de boterkoekmix, maar ik kan het niet meer vinden,” zegt ze verdrietig.

“Geeft u mij uw lijstje maar, dan zal ik uw boodschappen bij elkaar zoeken.”

De vrouw geeft het meisje haar lijstje en weg is ze.
Telkens komt ze terug met een artikel van het lijstje.
Ze legt de boodschappen in het karretje en glimlacht lief.

Wanneer alles compleet is, zegt de oude vrouw:
“Dank je wel, lief kind.”

Het meisje glimlacht… en verdwijnt weer tussen de schappen.

 

De oude vrouw is blij dat ze klaar is en loopt richting de kassa’s.
Plots blijft ze staan en kijkt om zich heen.

De kassa’s zijn verdwenen.
Ze ziet alleen nog zelfscan-kassa’s.

Ze loopt wat rond en — gelukkig — er is nog één normale kassa, met een band.
Maar tot haar schrik hangt er een blauw lint voor: gesloten.

Met tranen in haar ogen kijkt ze naar de zelfscan-kassa’s en naar een groepje winkelpersoneel dat met elkaar staat te praten.

 

“Kan ik u helpen?” vraagt één van hen.

“Ik zou zo graag mijn boodschapjes op de band willen leggen,” zegt ze wat ontdaan.

Het winkelmeisje antwoordt:
“Dat gaat niet, mevrouw. Die kassa is dicht.
U zult de zelfscan moeten gebruiken.”

“Maar… ik heb dat nog nooit gedaan. Ik weet niet hoe dat moet.”

“Dan wordt het eens tijd dat u dit leert.
U moet wel met de tijd meegaan, mevrouwtje,” zegt het meisje.

 

De oude vrouw loopt naar de zelfscan en kijkt haar vragend aan.
Het winkelmeisje legt in sneltreinvaart uit hoe het werkt… en loopt daarna weg.

De oude vrouw pakt een pak melk en zoekt naar de streepjescode.
Ze houdt het pak voor de scanner.

Piep.

Eén voor één scant ze haar boodschappen.
Maar ze raakt in de war.

Waar moet ze de gescande boodschappen laten?
Welke heeft ze al gehad?

Ze kijkt verschrikt om zich heen.

Het winkelmeisje grijpt in en helpt haar.
Alle boodschappen worden opnieuw gescand.

Het apparaat geeft aan dat ze moet wachten op een medewerker.

 

Nu mag ze betalen — maar alleen met pin.
Ze had juist contant willen betalen.

Het winkelmeisje helpt haar opnieuw en legt uit hoe het moet.
De vrouw volgt de stappen.

Eindelijk is het gelukt.
Met haar bonnetje, dat ze eerst nog moet scannen, mag ze door het poortje.

Terwijl ze haar boodschappen in haar trolley legt, kijkt ze nog één keer de winkel in.

En ze denkt zachtjes:

“Vroeger… was alles toch veel makkelijker.”

~ ♥ De Berg van Heling ♥ ~

Er was een jonge vrouw die heel verdrietig was.

Ze was niet alleen verdrietig, maar ze was ook heel eenzaam.

En elke keer als zij zich eenzaam voelde en daardoor verdriet had, begon ze te eten.

Niet omdat ze het zo lekker vond — nee, ze at omdat het haar enigszins troost gaf. Jaar in, jaar uit was ze eenzaam en verdrietig.

En wat ze ook maar probeerde, het veranderde niet.

Ze deed echt haar best.

Ze zat bij verenigingen, ze had een paar vriendinnen, ze had fijne kinderen, maar zodra de dag om was en haar kinderen heerlijk lagen te slapen, kwam daar die eenzaamheid weer de hoek omkijken.

Ze had niemand waar ze tegenaan kon zitten of die een arm om haar heen sloeg.

Niemand die haar echt wilde leren kennen.

Ze was alleen… en telkens was daar die eenzaamheid die haar naar de kast deed lopen om eten te pakken.

 

De vrouw was nog jong, maar de kilo’s bleven komen.

De vrouw voelde zich niet meer mooi en aantrekkelijk en besloot om op dieet te gaan.

Maar de onmacht die ze voelde, haar verscheurende hart dat ze met zich meedroeg, deed te veel pijn.

Ze wilde wel afvallen, maar haar geest was sterker.

Die verlangde naar eten, heel veel eten.

Geen enkel dieet lukte en de vrouw voelde zich nog eenzamer en verdrietiger dan ze al was.

Ze had gefaald, ze was niet mooi, ze was te dik.

En zo verstreken de jaren en de vrouw werd ouder… en steeds zwaarder.

 

Tot op een dag haar wereld opeens veranderde.

Ze had het licht gezien dat haar hart verwarmde, dat haar troost gaf in de moeilijke uren.

Ze was gezien en de liefde die ze voelde was hemels.

Ze begon bewust te worden van zichzelf en haar leven.

Ze zag hoe zij zichzelf kon veranderen.

Ze zag de liefde die ze in zichzelf droeg ook bij anderen.

En haar creatieve Kundalini-lijn werd verankerd.

Ze schreef het ene boek na het andere.

Ze maakte de mooiste dekens voor dierbaren… maar ze bleef eten.

Haar pijnlichaam was zo sterk dat het gevoed wilde worden.

Elke dag was daar die onbenoembare kracht die om eten schreeuwde.

Maar hoe kon dit?

Ze had zoveel liefde voor anderen, zoveel liefde voor ieder dier en zoveel liefde voor de wereld.

En de vrouw begon te huilen.

“Hoe kan dit!” schreeuwde ze naar de Hemel.
“Hoe kan dit!”

De vrouw kreeg het benauwd, haar armen werden zwaar en een drukkende pijn op haar borst was het antwoord.

Ze was bang, heel erg bang en besloot te bidden.

 

Een Engel kwam naar haar toe en zei: “Je staat nu op de top van de hoogste berg.

Je kunt niet verder dan dit punt. Kijk om je heen.”

De vrouw zag de besneeuwde toppen, ze zag de witte wolken door de heldere blauwe lucht drijven en ze zuchtte diep.

De druk in haar borst nam af en ze voelde zich opeens schoon.

“Dit is hoe jij je straks zult voelen als je weer in het dal staat.

Je zal tijdens de afdaling de minst mooie gebeurtenissen weer tegenkomen.

Je hoeft ze niet meer te onderzoeken, je mag ze opruimen.

En Saint Germain zal ze transformeren naar liefde.

Iedere kilo die jij hebt gegeten uit pijn, verdriet en uit onmacht zal verdwijnen en je zal jezelf steeds mooier en liefdevoller gaan vinden.

Je mag jezelf nu helen, mijn kind.”

En de Engel aaide over haar betraande wangen.

“Laat ons jou helpen… laat ons jou weer heel maken.

Een ziel die straks alleen nog bestaat uit pure liefde.”

En de Engel gaf haar een kus op haar voorhoofd en verdween.

 

De vrouw huilde.

Ze zat op haar knieën en keek naar de Hemel.

“Dank jullie wel,” zei ze dankbaar.

 

En ze keek naar buiten, waar de witte wolken langzaam overdreven in de heldere blauwe lucht.