Wanneer een jongen een aanloop neemt, rent hij opeens een andere wereld binnen.
Verschrikt kijkt hij om zich heen.
“Waar ben ik?” vraagt hij verbaasd terwijl hij om zich heen kijkt.
Hij is niet meer in de wereld waar hij vandaan kwam.
Nee, een ongeval heeft hem naar deze prachtige wereld gebracht.
Een wereld met spelende kinderen en mooie witte Engelen.
“Dag, lieve jongen,” zei een stem op liefdevolle toon.
“Ik wil je vragen om met mij mee te gaan.”
De jongen draaide zich om en keek in de ogen van een prachtige Engel.
“Ga je met mij mee?” vroeg de Engel opnieuw en hij stak zijn hand uit.
De jongen pakte zijn hand vast en liep samen met de Engel mee.
“Waar ben ik?” vroeg de jongen aan de Engel.
De Engel bleef staan en keek de jongen blij aan.
“Je bent hier in Zomerland, mijn kind.
Dit is de plek waar alle kinderen naartoe gaan als ze overgaan.
Jij hebt een ongeluk gehad en je zieltje heeft besloten om terug te gaan naar hier, de Hemel.
Vanuit hier zul je opgroeien en zul je, net als waar je vandaan komt, naar school gaan.
Alleen is hier naar school gaan veel leuker,” en de Engel lachte vrolijk naar de jongen.
“Ik ben jouw Engel en ik zal je de Hemel laten zien.
Ik zal samen met jou naar je ouders toe reizen en we gaan je familie en vrienden opzoeken.”
De Engel aaide de jongen even over zijn haar.
“Het komt allemaal goed, dat beloof ik je.
Je kunt je ouders zo vaak terugzien als je wilt.
Je zult ze zelfs helpen in hun wereld, maar eerst ga je even uitrusten van jouw reis.”
De jongen knikte en liep weer met de Engel mee.
Bij een huisje zonder muren bleven ze staan.
Onder het dakje stonden twaalf bedden.
In ieder bedje lag een kindje dat was overgegaan.
Behalve in één bedje, dat leeg was.
Samen met de Engel liepen ze naar het lege bedje en de Engel zei dat hij in het bed mocht gaan liggen.
De jongen klom op het bed en ging op zijn rug liggen.
De Engel, die naast het bed stond, pakte uit een mandje een paar kristalletjes.
Deze liet hij boven het lichaam van de jongen zweven.
“Doe je ogen maar dicht, mijn kind.
Laat de kristallen hun werk doen.”
De jongen deed zijn ogen dicht en langzaam zweefde hij samen met zijn Engel door het licht.
Langzaam zag hij dat de sluiers van de wereld voor hem opengingen en dat hij de Aarde van een afstandje kon waarnemen.
“Zullen we afscheid gaan nemen van je stoffelijke lichaam?” vroeg de Engel aan de jongen.
De jongen knikte weer en opeens waren ze in het huis van zijn ouders.
Hij zag dat zijn ouders verdriet hadden en huilden.
Hij ging naast hen staan en kuste zijn moeder op haar haar.
Zijn rechterhand legde hij op de schouder van zijn vader.
Hij keek de kamer rond en zag de familie verdrietig zitten.
“Kom,” zei de Engel.
“We komen later nog eens terug.
We gaan eerst kijken naar je stoffelijke lichaam dat je hier hebt achtergelaten.”
Het decor veranderde en hij zag zichzelf in een mooie kist liggen.
Er lagen bloemen en knuffeldiertjes rondom de kist.
De kinderen van zijn klas hadden die daar neergelegd.
De jongen liep naar zijn eigen lichaam toe en de Engel bleef achter hem staan.
“Dit lichaam blijft nu achter, maar jij blijft altijd leven.
Je zult net als hier naar school gaan en je zult de Hemel mogen verkennen.
Je zult later, als je wat groter bent, je ouders mogen helpen.
En als het hun tijd is, zul jij hen ophalen vanuit deze wereld en hen het Hemelrijk in dragen.”
De jongen knikte en keek weer naar zijn lege lichaam.
Hij vond het raar.
Het was niet meer hij die daarin lag.
Hij zat er immers niet meer in.
De dienst begon en samen met zijn Engel stond hij aan de kant en keek naar de mensen die binnenkwamen.
Ze waren zo verdrietig en de jongen stond met tranen in zijn ogen.
Hij keek zijn Engel met betraande ogen aan en die knikte.
De jongen liep naar zijn vader en moeder toe en ging achter hen staan.
Heel zachtjes legde hij zijn hand op hun hoofd en kriebelde door hun haar.
Hij boog zich voorover en fluisterde zachtjes in hun oor:
“Ik ben het niet vergeten.
Ik zal, zolang ik bij jullie mag zijn, laten merken dat ik naast jullie sta.
Ik kriebel dan door je haar en laat op deze manier weten dat ik van je hou en je nooit zal vergeten.
Luister naar dit teken.
Dit is een teken van liefde vanuit de wereld waar ik nu woon.”
De jongen liep door de menigte heen en bij iedereen legde hij heel even zijn hand op het hoofd en kriebelde wat door het haar.
Nadat hij bij de laatste persoon een hand op het hoofd had gelegd, kwam de Engel naar hem toe.
“We gaan afscheid nemen.
Ga naar je ouders toe en laat hen weten dat je hen vaak komt opzoeken.”
De jongen liep weer naar zijn ouders toe.
Hij ging weer achter hen staan en fluisterde in hun oor:
“Dag papa en mama.
Ik ga heel even weg, maar ben snel weer bij jullie.
Zie mij in het opkomen en ondergaan van de zon.
Luister naar mij in een vogel die een lied speciaal voor jullie zingt.
Zie mij in de bladeren die ritselen aan de bomen.
Weet dat ik, waar je ook bent, naast je zal staan.
Ik kriebel door je haar en ik zal zachte, lieve woordjes tegen je spreken.
Ik hou van jullie.”
En hij kuste zijn vader en moeder.
De Engel stond naast hem en zei:
“Kijk nog eenmaal achterom, dan zal ik je de Hemel in tillen.”
De jongen keek nog eenmaal de zaal binnen en langzaam deed hij zijn oogjes open.
De Engel die met hem meegereisd was, lachte.
“Welkom, mijn kind, in Zomerland, de Hemelse wereld waar alleen kinderen komen.”
De jongen sprong van zijn bed af en keek blij om zich heen.
“Ja, ga maar spelen.
Ik kom je straks wel halen,” zei de Engel lachend.
De jongen rende naar een groepje spelende kinderen en samen renden ze Zomerland binnen.
Elke dag bezocht hij zijn vader en moeder en kriebelde hij zachtjes door hun haar.
