Op een mooie dag, ergens in de zomer, zat een vrouw op een bankje in de zon.
Ze keek om zich heen en merkte op hoe stil het was in het park.
Nergens zag ze kinderen spelen.
Ze zag geen moeders met wandelwagens en geen mannen die tussen de middag op een bankje hun boterham aten en hun krant lazen.
Niemand was er te zien.
“Zou het park gesloten zijn voor bezoekers?” vroeg ze zichzelf af.
Maar die gedachte vervaagde al snel.
Ze had nu eens de tijd om rustig van de schoonheid van de natuur te genieten, zonder lawaai van buitenaf.
Ze keek naar een boom die tegenover haar stond.
Hij was enorm groot en zijn takken hingen vol bladeren.
Een specht klom langs de stam omhoog en pikte hier en daar in de schors.
De vrouw keek, maar had geen gedachten.
Toen ze verder keek, zag ze in de vijver van het park twee zwanen met hun jongen.
Ze zwommen achter elkaar aan en af en toe keken vader en moeder zwaan achterom om te zien of iedereen wel meekwam.
Even verderop stond een man.
Hij was, net als zij, aan het genieten van deze bijzondere dag.
Ook hij keek stil, zonder gedachten.
Hij liep op haar af, ging naast haar op het bankje zitten, pakte haar hand vast en begon tegen haar te praten.
“Ik kom je ophalen,” zei hij vriendelijk.
De vrouw begreep het niet en keek hem angstig aan.
“Maar dit is mijn thuis!” zei ze boos, terwijl ze wilde opstaan en weglopen.
De man pakte haar hand weer vast en zei zacht:
“Nee, mijn lief... jouw huis is hier, bij mij.”
De vrouw keek verwilderd om zich heen.
Een Engel, die al die tijd achter hen had gestaan, legde heel voorzichtig zijn hand op haar hoofd.
Hij keek de man aan en zei:
“Ze zal nu wel rustiger worden.”
Er ging een diepe zucht door de vrouw heen.
Toen ze haar ogen opende, keek ze de man naast zich lachend aan.
“Kom, ga je mee?” zei de man opnieuw.
De vrouw knikte, stond op en keek hem nog eens aan.
Hij kwam haar zo bekend voor, maar ze wist niet meer waarvan.
De man pakte haar hand vast.
“Kom, lieverd, ik breng je weer naar huis.”
Al lopend bleef ze hem aankijken.
“Ik ken u ergens van,” zei ze zacht.
De man bleef even staan, draaide zich naar haar om en hield haar met beide handen bij haar schouders vast.
“We zijn zo thuis.
Dan zul je je alles weer herinneren.
Nu zijn we nog even in een wereld waarin je mag wennen aan de veranderingen.
Je kunt hier tot rust komen.
Geen verleden, geen gedachten die je heen en weer slingeren.
Hier mag je even alles vergeten.”
Hij glimlachte liefdevol naar haar, pakte haar hand weer vast en samen liepen ze een andere wereld binnen.
Langzaam veranderde er iets in de vrouw.
Opeens kreeg ze al haar herinneringen terug.
Niet alleen van lang geleden, maar ook van gisteren.
Ze moest zich even aan de man naast zich vasthouden.
“Maar... waar ben ik?” vroeg ze, terwijl ze hem vragend aankeek.
Haar man stond naast haar.
Hij had haar naar deze wereld gebracht.
“Oh, Jans!” riep ze, terwijl ze hem in zijn armen vloog.
Hij hield haar stevig vast en kuste haar betraande wangen.
“Je was een beetje de weg kwijt, lieverd.
Je leefde niet meer in het heden, maar alleen nog in het verleden.
Mijn dood heeft diepe sporen bij je achtergelaten.
Je was zo eenzaam...
Maar nu ben je thuis.
Terug bij mij.
En we zijn voor altijd weer samen.”
Hand in hand liepen ze hun nieuwe wereld binnen.
Een wereld vol liefde.
Een wereld zonder zorgen.
Een wereld van houden van.
