Een vrouw ligt in haar bed en huilt.
Ze voelt zich eenzaam en kijkt terug op haar verleden.
Er zijn niet zoveel mensen meer om haar heen in dit aardse leven.
Eén voor één heeft ze afscheid van hen moeten nemen.
Ze veegt de tranen van haar gezicht en doet het licht uit.
Als ze door het open raam naar buiten kijkt, ziet ze de volle maan en vraagt:
“Waarom moet het leven hier op Aarde zo zwaar zijn?”
Dan sluit ze haar ogen en valt rustig in een diepe slaap.
Een Engel die naast haar bed staat, kijkt naar haar beide opa’s.
“Ik neem haar mee naar een speciale plek.
Er is namelijk één iemand die haar de stilte in zichzelf terug kan laten vinden.”
Voorzichtig tilt hij de vrouw op.
Haar beide opa’s, die op het voeteneind van het bed zaten, keken toe hoe de Engel hun kleindochter de Hemel in droeg.
Hij nam haar mee naar een zonnige wereld.
In deze wereld stond maar één boom.
Haar levensboom.
De Engel legde haar onder de boom neer en zei:
“Lief kind, je mag nu wakker worden.”
De vrouw deed haar ogen open en keek de Engel verdrietig aan.
“Ga hier tegen de boom aan zitten en geniet van deze bijzondere wereld.
Ik kom je later weer ophalen.”
De vrouw ging rechtop zitten en keek om zich heen.
Ze zat tegen een hele dikke boom aan en toen ze omhoog keek, zag ze grote dikke takken die wijd uitgroeiden.
Om haar heen zag ze alleen maar bloemen.
De zon scheen en de wind speelde zachtjes met haar haren.
Vanuit de verte kwam een man aangelopen.
Hij had halflang haar en een brede lach op zijn gezicht.
Hij zwaaide naar haar en de vrouw zwaaide terug.
Toen de man dichterbij was gekomen, ging hij naast haar op de grond zitten.
Hij pakte haar hand vast en zei:
“Fijn dat je hier bent gekomen.
Dit is jouw levensboom.
Ik weet dat je verdrietig bent en dat je graag weer de innerlijke liefde wilt voelen.
Ik ga je daarbij helpen.
Het enige wat je hoeft te doen, is wat ik nu zeg.
Kijk eens naar die bloemen.”
De vrouw keek en zag duizenden bloemen.
Ze zag klaprozen, margrietjes, boterbloemen en nog veel meer.
Het was één kleurrijke zee van bloemen.
“Zie de vlinders, de hommels en de bijen.
Zien ze er niet gelukkig uit?”
De vrouw zag ze wel, maar had er nog geen aandacht aan gegeven.
“Kom maar hier,” zei de man en hij sloeg zijn arm om haar heen.
De vrouw ging tegen hem aan liggen en voelde zich beschermd.
Hij straalde rust uit.
Hij zou haar nooit verlaten.
“Kijk naar de vlinders, mijn kind,” zei de man nogmaals.
De vrouw keek zonder te denken.
Ze zag de vlinders nu veel beter.
Haar denken was gestopt en ze hoefde niets te benoemen.
Ze hoefde alleen maar te kijken.
De vlinders dansten in de lucht.
De hommels zoemden van bloem naar bloem en het was één oase van rust.
Langzaam voelde de vrouw haar verdriet en eenzaamheid verdwijnen.
Voor het eerst in lange tijd voelde ze weer liefde door haar lichaam stromen.
De man keek haar aan en zei:
“Kom naar mij als je even een moment voor jezelf wilt hebben.
Kom naar mij als het leven te zwaar lijkt te zijn.
Kom naar mij en ik zal je de stilte laten horen.
Ik ben je vriend en ik ben hier als je mij nodig hebt.”
De vrouw glimlachte en kroop nog iets dichter tegen de man aan.
Hij voelde veilig.
Opeens schrok ze wakker.
De zon kwam al op en ze keek verschrikt om zich heen.
Had ze nu zo gedroomd?
Ze probeerde de nacht weer terug te halen.
Opeens zag ze de bloemen, de vlinders en de man die naar haar lachte.
Ze wist het.
Ze had er een nieuwe vriend bij.
Een vriend die onvoorwaardelijk van haar hield.
En op ieder moment dat zij voelde dat ze rust nodig had of verdrietig was, sloot ze even haar ogen.
Dan was ze terug bij de boom, zag ze de vlinders boven de bloemen dansen en keerde haar rust terug.
