*** Op zoek naar Geluk ***

Wanneer een man opstaat van een bankje in het park, kijkt hij nog één keer om zich heen.

Hij heeft de wereld ingekeken en alles wat hij zag was verdriet en ellende.

Hij besluit op zoek te gaan naar geluk.

Hij doet zijn rugtas om en begint te wandelen.

Zo loopt hij het park uit.

In de stad komt hij al snel het eerste obstakel tegen.

Hij wordt aangehouden door twee politiemannen.

“Waar gaat de reis naartoe?” vraagt één van hen.

De man kijkt hen aan en zegt:

“Ik ben op zoek naar geluk.”

De agenten beginnen te lachen.

“Hahaha, hij is op zoek naar geluk!

Nou, als je het gevonden hebt, laat het ons dan weten.

Deze wereld is zo verdeeld.

Geen mens is hetzelfde en we hebben allemaal onze eigen mening en gedachten.

Maar als geluk bestaat... laat het ons dan weten.”

De man knikt en loopt verder.

Net buiten de stad verlaat hij de weg en loopt de landerijen in.

Bij een diepe sloot blijft hij staan.

Hij kan erlangs lopen, maar dan zal zijn weg naar geluk langer duren.

Of hij kan eroverheen springen.

Hij kiest voor het laatste.

Hij neemt een aanloop en springt, maar haalt het net niet en valt in het water.

Aan de overkant klimt hij eruit.

Hij voelt de kou in zijn lichaam en denkt dat hij ziek kan worden.

Daarom besluit hij rennend verder te gaan, op zoek naar geluk.

Bij de volgende sloot probeert hij het opnieuw.

Hij gelooft dat hij zo sneller bij zijn doel komt.

Maar deze sloot is breder.

Hij neemt een langere aanloop, rent en springt...

Maar komt weer in het water terecht.

Hij zwemt naar de overkant, klimt eruit en begint nog harder te rennen om warm te blijven.

Even later komt hij bij een kanaal.

Hij zucht.

Hij weet dat hij hier niet zomaar overheen kan springen.

Dan ziet hij een lange stok liggen en krijgt een idee.

Hij neemt een aanloop, rent met de stok richting het water, zet hem neer en springt.

Tijdens de sprong probeert hij nog in de stok te klimmen.

Hij komt ver...

Maar niet ver genoeg.

Weer belandt hij in het water.

Hij zwemt naar de overkant en begint opnieuw te rennen, nog sneller dan daarvoor.

Na een tijd komt hij bij een kolkende rivier.

Het water is wild en gevaarlijk.

Hij zoekt naar een weg over de stenen.

Even verderop ziet hij een doorgang en hij rent ernaartoe.

Hij springt van steen naar steen en het lijkt te lukken, maar vlak voor de overkant struikelt hij en valt.

Het water grijpt hem en sleurt hem mee.

Hij wordt heen en weer gegooid door de stroming en vecht voor zijn leven.

Hij probeert zich vast te klampen aan de keien, maar die zijn te glad.

Hij probeert takken te grijpen, maar ze hangen net te hoog.

Hij raakt in paniek.

Waarom is hij op zoek gegaan naar geluk?

Waarom is hij niet gewoon langs de eerste sloot gelopen?

Waarom moest het sneller?

Hij gaat kopje onder.

De rivier werpt hem uiteindelijk op de kant.

De zon schijnt op zijn gezicht.

De warmte voelt goed en langzaam doet hij zijn ogen open.

Een klein hertje snuffelt aan zijn gezicht.

Kleurige vlinders fladderen om hem heen.

Hij ruikt bloemen.

En de man begint te lachen.

Opeens komt het besef.

Geluk is niet iets om na te jagen.

Het ligt niet aan het einde van de reis.

Het was er al die tijd.

Als hij anders had gekeken, had hij gezien dat de bomen hem beschermden tegen wind en zon.

Dat de mensen in de stad, net als hij, op zoek waren naar geluk.

Dat hij langs de sloten had kunnen lopen en daar al geluk had kunnen voelen.

En dat hij met de rivier had kunnen meebewegen, in plaats van te vechten.

De obstakels zijn er niet om tegen te vechten, maar om te zien... en los te laten.

De man steekt zijn hand uit en aait het hertje zachtjes.

De vlinders blijven om hem heen fladderen terwijl hij opstaat.

Hij kijkt opnieuw naar de wereld.

En nu ziet hij het.

Het geluk dat er altijd al was.

De man besluit terug naar huis te gaan.

Hij zwemt door het kanaal en de sloten.

Maar dit keer rent hij niet om sneller te zijn, maar omdat het goed voelt.

In de stad houden de agenten hem weer aan.

“En? Heb je geluk gevonden?”

De man lacht en knikt.

“Het zit in ons.

Het is nooit weggeweest.”

Hij loopt verder en voelt de neiging om iedereen vast te pakken en het te vertellen.

Maar hij weet dat ieder mens zijn eigen weg moet gaan.

Je kunt het zeggen...

Maar je moet het zelf zien.

De man loopt het park weer in.

Hij kijkt naar de bomen, hoort de vogels en luistert naar de geluiden om zich heen.

Voor het eerst voelt hij zich echt verbonden.

Met zichzelf.

En met de wereld om hem heen.

Hij heeft het geluk gevonden.

 

 

*Dit verhaal heb ik geschreven een dag voordat wij hoorde dat mijn zoon was overleden.