*** Truus Kraak ***

Er was eens een vrouw die de hele dag alleen maar aan het schoonmaken was.

Voor iedere dag had ze haar schoonmaaktaken. Op maandag waste ze de ramen, op dinsdag boende ze de stoep en ga zo maar door.

Haar huis was als een paleisje.

Een man had ze niet en kinderen waren er nooit gekomen. Ze zat niet bij een vereniging, sporten deed ze niet en op vakantie ging ze nooit.

Elke dag, ieder uur, was ze bezig met haar huisje.

Ook haar tuin was een plaatje. Iedere dag werkte ze wel een paar uurtjes in de tuin. Geen steen lag verkeerd, het grind op het pad was altijd keurig geharkt en het onkruid werd bij de eerste zonnestraal met wortel en al onmiddellijk uitgeroeid.

Mensen in haar omgeving kenden haar dan ook niet anders dan als “Truus Kraak”. Kraak was haar bijnaam, omdat alles bij haar zo kraakhelder was.

Het was maandag.

Ze wilde de ramen gaan zemen. De vitrage werd voor de ramen weggehaald en in de wasmachine gedaan. Ze pakte een trap uit de schuur en maakte haar eigen wondermiddel om de ramen mee in te soppen.

Ze nam spons en zeem en ging aan de slag.

Met de trekker en een droge doek poetste ze de ramen nog wat op totdat ze glommen.

Net toen ze aan het tweede raam wilde beginnen, voelde ze een pijn in haar arm.

Daarop volgde een pijn in haar borst en opeens voelde de vrouw zich niet zo lekker worden.

Voorzichtig liep ze het trapje af en ging in een stoel zitten om uit te rusten.

Met haar spons en zeem liep ze het hemelrijk binnen.

Verwonderd keek ze om zich heen.

“Waar ben ik?” zei de vrouw.

Een Engel, die al op haar stond te wachten, vertelde haar dat ze was overleden nadat ze in de stoel was gaan zitten.

De vrouw raakte in paniek.

“Dat kan niet! Dat mag niet! Ik heb mijn vitrage nog in de machine zitten en de ramen zijn nog niet schoon. O, wat zullen de mensen daar wel niet van zeggen!”

De Engel had de vrouw aangehoord en zei:

“Kom, wij gaan eerst even rusten. Straks gaan wij weer naar uw huisje terug.”

De vrouw liet het maar gebeuren.

Ze was best moe geworden.

Ze werd in een warm bed gelegd en viel direct in slaap.

De Engel stond bij het bed toen een gouden Engel naast haar kwam staan.

“Wie is deze vrouw?” vroeg hij.

“Dit is Truus Kraak. Ze heeft haar hele leven alleen maar schoongemaakt. Ze heeft eigenlijk niets meegemaakt. Geen pijn, geen verdriet, geen herinneringen, geen liefde, eigenlijk niets. Misschien alleen angst. Ze was bang voor wat andere mensen van haar dachten. Ze had namelijk haar vitrage nog in de wasmachine zitten en haar ramen waren nog niet schoon.”

De gouden Engel fronste zijn wenkbrauwen.

Hij haalde een boek tevoorschijn en bladerde erin.

“Wat is dat voor een boek?” vroeg de Engel.

“In dit boek staan alle namen van de mensen die vandaag binnenkomen. Maar ik zie geen "Truus Kraak" staan.”

“Dan was het vast en zeker nog niet haar tijd,” zei de Engel zachtjes.

De gouden Engel dacht even na, riep de andere gouden Engelen bij zich en besprak het probleem waar ze tegenaan waren gelopen.

Ze pakten het boek er nog eens bij en bladerden erdoorheen.

Nee, er stond geen "Truus Kraak" in.

“Dan moet ze terug naar huis,” zei één van de gouden Engelen.

“Dat kan niet, de verbinding is al verbroken,” zei een ander.

“Dan maken we toch een nieuwe verbinding,” zei weer een ander.

“Maar dat is tegen de regels. Alleen bij hoge uitzondering. Dan moeten wij de grote witte Engelen om toestemming vragen,” zei de gouden Engel.

Daar waren ze het allemaal mee eens.

“Kom,” zei de gouden Engel tegen de Engel. “Je zult nu iets gaan zien wat je nog niet eerder hebt gezien. Wij gaan naar de twaalf hoogste Engelen van ons hemelrijk.”

De Engel knikte en aaide de vrouw over haar zachte haar.

“Vreemd dat zij hier al was, terwijl het nog geen tijd voor haar was.”

Samen liepen de twee Engelen hand in hand de trappen van het hemelrijk op.

Boven aangekomen kwam een gondel hen tegemoet.

Ze stapten in en voeren door het niets naar een hoger bewustzijnsniveau.

Toen ze er bijna waren, mochten ze uitstappen om vervolgens weer een trap te beklimmen.

Het was best nog een lange reis, vond de Engel.

Toen ze boven aan de trap aankwamen, zagen ze een groot plein.

Alles was wit van kleur en lichte pastelkleuren zorgden voor enige afwisseling in het geheel.

“Kom,” zei de gouden Engel. “We zijn er bijna.”

Het hoge gebouw met al die grote ramen kwam steeds dichterbij.

Ze stapten naar binnen en liepen een lange gang door.

Toen bleef de gouden Engel staan en keek naar een grote marmeren deur.

De deur ging vanzelf open en twaalf grote witte Engelen stonden netjes op een rij hen op te wachten.

“Welkom, mijn lieve kinderen,” zei er één.

Hij omhelsde hen en ook de andere grote witte Engelen begroetten hen met blijdschap.

De Engel, die de hele reis geen woord had gezegd, was diep onder de indruk.

Haar verenpak was hier witter dan wit en het voelde alsof ze een beetje zweefde.

“Dat zweverige gevoel komt door het verschil van werelden,” zei een grote witte Engel.

Hij glimlachte naar haar.

“Je zult er snel genoeg aan gewend zijn.”

De Engel knikte verlegen.

Ze was nog nooit zo ver van huis geweest.

“Zo,” zei de oudste van de twaalf Engelen. “Wij hebben begrepen dat er iemand overleden is terwijl dat niet had mogen gebeuren. Klopt dat?”

“Ja,” zei de gouden Engel, die het woord nam. “Ze staat niet in de boeken. We hebben alles nagekeken, maar het blijkt haar tijd nog niet te zijn. Nu willen wij vragen of wij haar terug mogen sturen door een nieuwe verbinding te maken.”

De twaalf grote witte Engelen luisterden naar het verhaal.

“Hoe heet deze vrouw?” vroeg er één.

“Ze heet Truus Kraak.”

Ook de grote witte Engelen haalden hun administratie tevoorschijn.

Nee, inderdaad. Ze stond er niet tussen, ook niet voor de weken daarna.

“Vreemd,” zeiden ze. “Dit gebeurt normaal gesproken nooit. Wat is het voor een vrouw? Heeft ze veel meegemaakt?”

De gouden Engel schudde zijn hoofd.

“Eigenlijk niets. Het enige wat we hebben gevonden is de angst voor wat andere mensen van haar vinden. Ze heeft haar hele leven alleen maar schoongemaakt.”

De twaalf Engelen keken verschrikt op.

“Schoongemaakt?!” riepen ze alle twaalf tegelijk.

De gouden Engel knikte.

“Een somber bestaan, terwijl er zoveel moois te beleven valt op de planeet aarde.”

De twaalf grote witte Engelen gingen in overleg.

Na enige tijd waren ze eruit.

“Stuur haar terug en geef haar een nieuw pakket met lessen mee. Laat haar reizen, laat haar genieten van al het moois dat groeit en bloeit. Laat haar genieten van de zon, de zee en de planeet aarde. Laat haar houden van elk dier en van iedere plant.

Laat haar bewust worden van wat het leven werkelijk inhoudt. Laat haar oud en gelukkig worden.

Pas dan mag ze terugkomen naar huis.

Het is nu nog veel te vroeg.”

De gouden Engel knikte dat hij het had begrepen.

Ze namen afscheid van elkaar en gingen via dezelfde trappen weer naar beneden.

Toen ze terugkwamen, vertelden ze aan de anderen wat de grote witte Engelen hadden gezegd.

Ze gingen meteen aan de slag.

Ze kozen een heerlijk leven uit voor de vrouw. Het allerfijnste leven dat je je maar kon wensen.

De Engel liep naar de vrouw, die nog steeds lag te rusten.

Heel voorzichtig maakte ze haar wakker.

“Truus, Truus, wakker worden. Je mag terug naar huis.”

De vrouw werd wakker en stond meteen naast haar bed.

“Mag ik naar huis? Fijn, mijn was zal nu wel klaar zijn.”

“Ik zal je brengen,” zei de gouden Engel.

Hij aaide de vrouw zachtjes over haar haar.

“Geniet van je reis,” zei hij nog tegen haar.

Maar ze hoorde het al niet meer.

In een soort roes ging ze door een poort terug naar de aarde.

Haar lege lichaam zat nog op de stoel.

De gouden Engel tilde haar op en legde haar voorzichtig terug in haar lichaam.

Daarna keek hij toe hoe ze wakker werd.

Met een schok werd de vrouw wakker.

“Waar ben ik?”

Ze keek verschrikt om zich heen.

“O ja, ik was de ramen aan het zemen en toen voelde ik mij niet zo lekker. Daarom ben ik gaan zitten.”

Ze stond weer op en zeemde de ramen verder af.

Daarna haalde ze de vitrage uit de wasmachine en hing die keurig terug aan de rails.

Zo, dat was wel genoeg voor vandaag.

Ze keek naar buiten en zag dat de zon scheen.

Ze ging in een tuinstoel zitten en keek om zich heen.

Voor het eerst zag ze de natuur zoals die werkelijk was.

Voor het eerst zag ze kleuren die ze nog nooit eerder had gezien.

Een vogel vloog voorbij en de vrouw voelde daar zoveel liefde voor.

Wat is het hier toch mooi.

En iedere dag kwam er een wondertje bij.

 

Iedere dag werd ze zich bewuster van het leven hier op aarde, in al zijn levensvormen.