*** Het Elfenmeisje ***

Heel ver hier vandaan woonde er in het Elfenrijk een heel klein Elfenmeisje. Haar huid was zo wit als sneeuw en haar haren waren als gouden draden. Haar stem klonk als een nachtegaal en als het Elfje begon te zingen, was heel het Elfenvolk stil en luisterde naar haar mooie stem.

Iedereen kende dit Elfenmeisje. Het Elfje zong namelijk elke avond bij zonsondergang. Dat betekende voor het hele Elfenvolk dat de dag erop zat en dat ze konden gaan slapen. Maar ook bij zonsopgang zong het Elfje. Dat betekende dat de dag begonnen was.

Elke dag zong het meisje en iedereen was blij dat het begin en het einde van de dag met haar gezang werden aangekondigd.

Maar op een dag had het meisje er geen zin meer in. Haar taak werd te zwaar voor haar.

Het was nog donker en iedereen lag te slapen, terwijl zij haar bedje al uit moest. Maar het meisje was te moe en kon haar bed niet meer uitkomen.

Toch moest ze.

Ze probeerde zichzelf naar die plek toe te slepen waar ze elke morgen en avond stond te zingen. Het was één van de mooiste plekken van Elfenland. Een plek boven op de top van een berg, vanwaar ze over het hele Elfenvolk kon uitkijken.

Elke dag twee keer die berg op klimmen en ook weer naar beneden gaan, was haar te veel geworden.

Het was donker en het meisje sleepte zichzelf de berg op. De sterren stonden nog hoog aan de hemel en de maan was deze nacht vol.

Ze was zo moe.

Met haar kleine voetjes stapte ze langzaam, stapje voor stapje, verder omhoog. Er was niet veel tijd meer, want de zon zou bijna opkomen en dan moest ze weer gaan zingen.

Maar haar beentjes konden niet sneller.

Het meisje kreeg tranen in haar ogen en één voor één vielen ze op de rotsachtige grond. Bij iedere druppel die de aarde raakte, groeide een witte roos.

Het meisje wist niet dat dit gebeurde en klauterde huilend verder.

Haar voetjes deden pijn en langzaam kwam er bloed uit haar voeten, dat in het grove zand trok. Maar op de plaatsen waar haar voetjes hadden gelopen, groeiden witte lelies.

Het begon al bijna licht te worden en het meisje was er nog steeds niet.

Ze keek omhoog naar het stuk berg dat ze nog moest beklimmen en besefte dat ze te laat zou zijn.

Toen keek ze het dal in en zag dat het nog stil was.

Niemand wist dat zij hier op de berg moe en verdrietig was.

Niemand die aan haar dacht.

Ja, alleen wanneer ze wakker werden en wanneer ze naar bed gingen, dan dachten ze aan haar.

Het meisje keek verder het dal in en zag licht uit één van de huisjes komen.

“Maar wat is dit?” zei het meisje. “Waarom is deze Elf al wakker? Ik ben toch de Elf die iedereen wakker maakt? Hoe is het mogelijk dat deze Elf ook al wakker is? Het kan toch niet zo zijn dat ik elke keer voor niets deze berg op klim, terwijl iedereen uit zichzelf wakker kan worden?”

“Vreemd,” dacht het meisje. “Iedereen kan zelf wakker worden, dus ik ben niet meer nodig. Dan kan ik mijn taak opgeven en genieten van het leven dat ik hier heb.”

Ze stopte meteen met lopen, draaide zich om en ging terug naar beneden.

Tijdens haar terugweg kwam ze bloemen tegen. Prachtige witte bloemen. Ze kreeg het idee om vandaag gewoon hier te blijven.

Het was prachtig weer en het meisje bleef op de berg en genoot van haar vrije dag.

Opeens schrok ze op.

“Maar hoe kan dat? Ik heb nog helemaal geen stemmen gehoord. Ik heb nog geen gelach gehoord. Ik heb nog helemaal niets gehoord daar beneden in de vallei! Ik maak ze wakker, ja, maar als er één wakker is, zal de rest toch ook wel wakker worden?”

Of had ze dit nu mis?

Maar het hele Elfenvolk was nog in diepe slaap.

“Het kan toch niet waar zijn dat iedereen nog slaapt en dat ik en die Elf uit het huisje waar vanmorgen licht brandde de enigen zijn die wakker zijn?”

Het kleine Elfje wilde weten wat er aan de hand was.

Ze rende de berg af en liep regelrecht naar het huisje van de oude Elf.

De oude Elf zat op een bankje voor zijn huisje en had het meisje al zien aankomen. Het meisje was volledig uitgeput toen ze arriveerde en de oude Elf had een groot glas vruchtensap voor haar ingeschonken.

Ze moest eerst even op adem komen voordat ze hem vragen kon stellen.

De oude Elf lachte naar haar en begon uit zichzelf te vertellen waarom hij al wakker was geworden.

Na enige uitleg, die wij als lezer niet mogen weten, begreep het Elfenmeisje waarom de andere Elfen nog sliepen.

Ze bedankte de oude Elf en rende naar haar huisje.

Daar aangekomen begon ze haar spulletjes bij elkaar te zoeken en in te pakken.

Ze besloot opnieuw die berg op te klimmen, maar nu met opgeheven hoofd en zonder pijn of verdriet.

Boven op de berg begon het meisje een huisje te bouwen. Een huisje voor haar alleen.

Net voordat het klaar was, begon de zon onder te gaan.

Het was nu niet zo slim om het Elfenvolk wakker te zingen.

Het Elfenmeisje ging genieten van haar zelfgebouwde huisje en van een welverdiende nachtrust.

Net voor zonsopgang werd het kleine Elfje wakker. Ze rekte zich uit, liep langzaam naar buiten en keek uit over het Elfenvolk.

Beneden in het dal zag ze licht branden in het huisje van de oude Elf.

Het meisje begon te lachen.

Langzaam begon ze te zingen, zo zuiver dat zelfs de vogels er stil van werden.