*** Luchtkasteel ***

*** Luchtkasteel ***

 

Het is vroeg in de ochtend. Een jonge vrouw staat op en doet haar gordijnen open. Ze kijkt naar buiten. Het zou een prachtige dag worden.

Ze loopt naar beneden, smeert een boterham en schenkt een glas melk in. Nog slaperig van de nacht gaat ze aan de keukentafel zitten en kijkt naar buiten.

Ze ziet de vogels druk op zoek naar eten op de grond en haar gedachten dwalen af.

Haar hele leven was ze bezig geweest met overleven. Wat ze ook deed, nooit was het goed in de ogen van anderen. Ze begrepen haar niet. Het leek wel alsof ze uit een ander soort hout gesneden was.

Altijd was er conflict. Niet dat ze het opzocht, nee, integendeel. Ze was er altijd bang voor geweest. Maar ze kon er niets aan doen. Overal waar ze was geweest, of met wie ze ook omging, ontstond er conflict.

Op een gegeven moment durfde ze met niemand meer contact te hebben. Ze sloot zich af van de buitenwereld en ging volledig haar eigen gang.

Het ging heel goed en langzaamaan begreep ze waarom mensen zo tegen haar konden zijn.

Ze was te naïef. Ze zag de spelletjes die mensen met haar speelden niet.

En wie was er nu een makkelijker doelwit dan zij?

Wie kon je nu makkelijker de schuld geven van wat jou was overkomen?

Ja, zij.

En wie kon je beter haten dan liefhebben?

Dat was zij.

Nu zat ze aan de keukentafel en de tranen rolden over haar wangen.

Weer moest ze die buitenwereld betreden omdat er zich iets vervelends had voorgedaan. En weer was ze het doelwit geworden van haat, jaloezie, angst, wrok, pijn en verdriet. Opnieuw wezen ze haar als schuldige aan.

Er werd een luchtkasteel van onwaarheden om haar heen gebouwd. Iedereen die geen macht of controle over haar kreeg, bouwde er een torenkamer bij.

Ze maakten van haar een vrouw die niet bestond. Een vrouw die niet eens in dat luchtkasteel woonde.

De vrouw veegde de tranen van haar wangen, keek weer naar buiten en zag de vogels.

Ze stond op van tafel, verkruimelde een boterham en gooide de kruimels door het open raam naar buiten.

Ze keek naar de vogels.

Die vogels oordelen niet. Die kennen geen haat, angst, verdriet of wrok.

Wat een fijn leven.

Wij mensen kunnen daar nog veel van leren.

Een glimlach verscheen op haar gezicht.

Dit waren haar nieuwe vrienden.