*** Zinloos Geweld *** (Schokkend verhaal)

Het was een stralende lentedag toen een jongen op zijn fiets stapte. Hij had deze fiets gisteren voor zijn tiende verjaardag gekregen. Wat was hij blij met deze fiets.

Hij draaide rondjes zodat iedereen de fiets van alle kanten goed kon zien. De fiets had al weken in de etalage van de fietsenwinkel gehangen. Elke dag was hij even gaan kijken. Kijken naar die prachtige fiets. Als hij dan thuiskwam, vertelde hij zijn moeder in geuren en kleuren hoe mooi die fiets eruitzag.

Het was nog vroeg en de zon was al op. Vandaag mocht hij voor het eerst met zijn nieuwe fiets naar school.

De jongen fietste vol trots door de stad. Als hij opzij keek, zag hij zichzelf in de etalageruiten fietsen. Wat zat hij keurig rechtop, vond hij zelf. Toen hij een dame wilde inhalen, gebruikte hij zijn mooie fietsbel. Wat een heerlijk geluid had die bel toch.

Met zijn haren in de wind en de zon op zijn gezicht voelde hij zich de gelukkigste jongen van de hele wereld.

Hij was nu vlak bij school. In de verte zag hij het steegje al. Dit steegje zorgde ervoor dat je de weg binnendoor een beetje kon afsnijden. Met zijn vriendjes speelde hij daar altijd een spelletje: wie er het snelst doorheen kon rennen.

Toen ging hij nog lopend naar school.

Nu was hij groot. Hij had immers een fiets gekregen. Hij mocht nu, net als alle grote kinderen, met de fiets naar school.

Vol trots reed het jongetje het steegje binnen. Hij was bijna bij school. Nu kon hij iedereen zijn mooie fiets laten zien.

Hij zag de drie grote jongens die achter een boom verstopt stonden niet.

Nietsvermoedend en met nog een glimlach op zijn gezicht werd hij abrupt van zijn fiets getrokken.

Een paar jongens uit de buurt hadden hem opgewacht. Ze pakten zijn fiets en bekeken hem aandachtig.

Het jongetje was op de grond gevallen en stond snel weer op. Hij zag dat één van de jongens een spaak uit zijn voorwiel trok. Die stak nu scheef uit. Een ander trok zijn lamp eraf. De derde gooide de fiets op de grond en begon tegen de wielen te trappen.

Ze vonden het een leuk spel en al snel stonden ze met z’n drieën op zijn mooie fiets te stampen.

De jongen huilde.

Dikke tranen stroomden over zijn wangen.

Hij zag hoe de drie grote jongens zijn mooie fiets vernielden. Zijn fiets die hij gisteren voor zijn verjaardag had gekregen.

De jongens waren uitgespeeld en keken nu boos naar hem.

Hij had inmiddels rode ogen van het huilen.

Ze begonnen hem uit te lachen en stapten op hem af.

Eén van de jongens ging vlak voor hem staan en begon hard in zijn gezicht te schreeuwen:

“HUILEBALK!”

De andere twee begonnen weer te lachen.

Daarna begonnen de jongens hem te duwen. Hij moest een stap achteruit doen om niet te vallen.

Eén van de grote jongens begon hard aan zijn haar te trekken, waardoor hij nog banger werd.

Hij probeerde uit alle macht weg te komen, maar de grote jongens waren sneller.

Ze begonnen te slaan en te schoppen.

De kleine jongen probeerde nu te vechten voor zijn leven.

Hoe harder hij terugvocht, hoe harder de klappen aankwamen.

Hij viel...

Nu had hij geen schijn van kans meer.

Hij kreeg harde trappen tegen zijn benen en zijn buik. Ook kreeg hij stompen in zijn gezicht.

Plotseling lag de jongen bewusteloos op de grond.

Hij bewoog niet meer...

Als een klein hoopje mens lag hij ineengedoken op de grond...

Maar de grote jongens bleven doorgaan.

De bewusteloze jongen kreeg nog meer schoppen tegen zijn gezicht en ze trapten tegen zijn tere lichaampje, totdat ze in de gaten kregen dat hij niet meer bewoog.

Ze werden bang en renden het steegje uit, de wereld in.

De jongen lag nog steeds bewegingsloos op de grond.

Hij was niet meer in deze wereld.

Zijn opa was bij hem toen hij tegen de grond werd geslagen. Hij keek verdrietig toe, maar kon niets doen.

Opa bukte zich en tilde zijn lieve jongen op.

Als een klein hoopje mens droeg hij hem de Hemel in.

In de Hemel aangekomen stonden de Engelen al klaar. Ze wasten hem heel voorzichtig en behandelden zijn wonden met wonderolie.

Daarna legden ze hem in een groot bed.

Boven zijn bed zweefden kristallen. Elk kristal stond voor de heling van een traumatische ervaring.

De jongen had er vijf boven zijn bed hangen.

Met veel rust, liefde en de goede zorgen van de Engelen verdwenen één voor één de kristallen boven zijn bed.

Toen het laatste kristal verdween, deed de jongen zijn ogen open.

Naast zijn bed zat een oude man.

Hij lachte vriendelijk naar hem.

“Ben je wakker, jongen?” vroeg de man terwijl hij opstond.

“Opa!” riep de jongen.

Hij sprong zijn bed uit en vloog zijn opa in de armen.

Een Engel kwam aangelopen en wachtte totdat de hereniging tussen opa en kleinzoon voorbij was.

“Ik moet je wat vertellen,” zei zijn opa. “Je gaat vandaag met deze Engel mee. Deze Engel brengt je naar Zomerland.”

“Zomerland is alleen voor kinderen. Je kunt er spelen en ze gaan vaak op reis. Ze leren er alleen maar leuke dingen. Geen enkel kindje is daar verdrietig of boos. Ze kennen daar alleen maar plezier. Ik heb gehoord dat het daar erg fijn is.”

Hij gaf zijn kleinzoon een knipoog.

De jongen keek blij.

“Heus, opa? Kan ik dan echt met andere kinderen spelen?”

Opa knikte.

“Kom,” zei de Engel, “doe deze maar aan je voeten. We moeten nog een heel eind lopen.”

De jongen deed een paar glimmende sandaaltjes aan. Wat zaten die heerlijk. Het leek net alsof hij op wolken liep, zo veerden ze mee.

Opa keek hem aan.

“Luister, jongen. Ik kom je snel opzoeken, dan kan ik eindelijk met eigen ogen zien hoe mooi Zomerland is.”

“Fijn opa! Dan kunnen we samen spelen.”

Hij omhelsde zijn grootvader nog één keer.

Hand in hand gingen de jongen en de Engel op weg naar Zomerland.

“Ik kom je snel opzoeken, jongen!” riep opa hem nog na.

Maar de jongen hoorde hem niet meer.

Hij was in gesprek met de Engel.

“Dus jij houdt van fietsen?” vroeg de Engel.

De jongen knikte.

“Maar de grote jongens hebben mijn nieuwe fiets stukgemaakt.”

“Ik heb het gehoord,” zei de Engel.

Na een tijdje kwamen ze bij de poort van Zomerland.

Voor het hek stond een Gouden Engel.

“Welkom in Zomerland,” zei ze glimlachend.

Ze opende het hek en de Engel en de jongen stapten naar binnen.

De jongen keek verwonderd om zich heen.

“Wauw! Wat is het hier mooi!”

Overal waar hij keek zag hij speeltoestellen, zandbakken, trampolines, pretparken en waterparken.

De jongen keek zijn ogen uit.

“Ik heb nog een verrassing voor je,” zei de Engel. “Kijk maar die kant op.”

Ze wees met haar vleugel richting een hek.

Tegen dat hek stond een prachtige rode fiets.

De Engel pakte de fiets en gaf hem aan de jongen.

“Hier kan je niets gebeuren. Niemand zal jou hier pijn doen. Hier mag je echt plezier hebben.”

Verlegen pakte de jongen de fiets aan.

Hij bedankte de Engel met een omhelzing en ging op zijn fiets zitten.

Met een grote glimlach op zijn gezicht fietste hij richting een grote groep kinderen die hem al juichend kwamen begroeten.

Hij was zo blij.

Blij met zijn nieuwe fiets.

Blij met zijn nieuwe vriendschappen.

En zo blij om thuis te zijn.