Het is niet ver hier vandaan. Misschien maar een paar meter van ons af ligt de grens van mens naar het Feeënrijk. Als mens kun je deze grens niet oversteken en de Feeën gaan niet terug naar een wereld waar dualiteit heerst. Zij kennen geen tegenstellingen, ze zijn één met alles.
Maar soms is er een uitzondering en mag de schrijfster van dit verhaal zo nu en dan een kijkje nemen achter de sluiers van de tijd. Ook dit keer mocht ze een bezoekje brengen. Zij hebben haar al vaker gezien en het weerzien is een feest.
Een oude Fee kwam op haar toegelopen.
“Welkom, mijn kind!” riep hij haar tegemoet.
De vrouw begroette de oude Fee liefdevol.
“Wat fijn om weer terug te zijn. Ik heb jullie zo gemist. Ik heb vaak vanuit mijn wereld naar de sluiers gekeken en gewacht totdat ik weer naar binnen mocht, met de wetenschap dat niet ik beslis, maar de Feeënwereld zelf.”
De oude Fee sloeg een arm om haar heen.
“Kom, laten we een stukje gaan wandelen.”
En samen gingen ze op weg.
Het was een heerlijk land, dit Feeënrijk. De nachten waren hier zwoel en dagelijks, in de vroegste ochtenduren, net even voor zonsopgang, regende het. De dagen waren zonnig, niet te koud en niet te warm.
Het landschap was adembenemend. Hoge heuvels met de hoogste bomen, veel hoger dan bij ons. Het rook hier ook heel anders. Hier voelde je de stilte en vrede in en om je heen.
“Waar gaan we naartoe?” vroeg de vrouw.
“Wij gaan naar een plek waar ook voor ons een opening is naar een andere wereld. Velen onder ons kunnen daar nog niet doorheen en moeten, net als bij jullie, wachten totdat ze ervoor openstaan. Het is belangrijk om te weten dat wij ook onze lessen moeten leren. Wel heel andere lessen dan bij jullie, maar het zijn toch lessen.”
“Maar mag ik daar zomaar naartoe, want ik ben geen Fee?” vroeg de vrouw verbaasd.
De oude Fee begon te lachen en keek het vrouwtje plagend aan.
“Is dat zo?”
Alsof er niets gezegd was, liep hij verder naast de vrouw.
De vrouw kende de Fee goed genoeg. Hij sprak wel vaker wartaal. Maar als zij later aan zijn woorden terugdacht, begreep ze pas wat hij ermee had bedoeld.
Het was nog rustig in de hoge heuvels. Het pad dat door de heuvels liep was smal. De regen was net opgehouden voordat de vrouw deze wereld binnen was gekomen. Overal hing de zoete geur van bloemen die open waren gegaan door de eerste zonnestralen.
Het was een mooi pad dat zich een weg naar boven baande. In de aanwezige stilte zag de vrouw zo nu en dan de nieuwsgierige blik van een eenhoorn vanuit de struiken op hen gericht.
“Wat een prachtige wereld!” zuchtte de vrouw.
De oude Fee glimlachte.
“Kom, we zijn er bijna. Boven op die berg is de deur waar we doorheen moeten.”
De berg was best hoog en ze hadden allebei wat moeite met de hoogte. Boven op de berg lag zelfs sneeuw en de vrouw moest de oude Fee helpen, zodat hij niet zou vallen.
Maar uiteindelijk zagen ze de deur.
“Laten we naar binnen gaan,” zei de oude Fee uitnodigend.
De oude Fee pakte een lantaarn van de muur en stak deze aan. Door het licht van de lantaarn zagen ze de fonkelende muren aan de binnenkant van de berg.
De vrouw liep naar de muur toe en voelde met haar vingers over de glinsterende stenen.
“Dat zijn smaragden,” zei de Fee. “De wereld waar wij straks naartoe gaan is net zo zuiver als deze smaragden en het zal jou helen.”
“Helen?” vroeg de vrouw.
“Ja, helen. Je bent nu in de berg “Mount Shasta”. Dit is een alom bekende berg waar de oude en wijze meesters vaak komen. Zij zullen jou nu verder helpen.”
De vrouw was er al vaker geweest als ze verdrietig was of ziek. Dan ging ze met haar gevoel naar de trap en boven aan de berg stond Sananda haar altijd op te wachten. Hij bracht haar dan naar haar kamer. Een kamer helemaal voor haar alleen. Daar mocht ze in bad en kreeg ze een prachtig kleed aan. Daarna sliep ze in een kamer met de mooiste edelstenen in de muur. Boven haar lieten ze dan ook edelstenen zweven, zodat als ze wakker zou worden in haar eigen bed, de zwaarte van het leven en het verdriet van haar waren afgevallen.
“Maar ik ben hier al vaker geweest,” zei ze tegen de oude Fee.
“Dat klopt, maar nu ga je er echt naartoe.”
“Was dat andere dan niet echt?” vroeg de vrouw weer.
“Jazeker, dat was ook echt, maar nu ga je er bewust naartoe. Al die andere keren werd je meegenomen en nu ga je vanuit jezelf. Kom, ze staan op ons te wachten.”
Samen liepen ze achter elkaar de trappen af naar beneden, totdat ze niet verder konden.
Daar was een lift.
De liftdeur ging open, de oude Fee doofde de lantaarn en ze stapten naar binnen.
Deze lift was van steen met mooie edelstenen in de muren. Ook waren er geen knoppen voor de verschillende etages. Het leek of de lift niet bewoog. Het was er muisstil.
Opeens ging de deur open.
Voorzichtig stapten ze naar buiten.
Wat ze zagen was een adembenemend schouwspel. Zo mooi was het hier binnen in de berg. Het was er licht. Het plafond was bezaaid met sterren en planeten die in beweging waren. Pilaren aan weerskanten, zo hoog dat je niet meer kon zien waar het einde was. In het midden een groot plein met een vloer van marmer en zoveel licht dat het pijn deed aan je ogen. Achter iedere pilaar was een deur en achter die deur een kamer.
De vrouw herkende het meteen.
Er kwam een man aangelopen. Hij had een lange bruine overjas aan die openstond. Hij droeg een nette pantalon met een jasje in bijpassende kleur en daaronder een gestreept overhemd. De kleding was niet van deze tijd, maar van een aantal eeuwen terug.
“Welkom!” riep hij haar van veraf toe.
“Welkom, mijn kind. Hoe was je reis?” vroeg hij haar terwijl hij haar lachend aankeek.
De vrouw had deze meneer nog nooit gezien, maar hij kwam haar wel bekend voor.
“Kom, ik zal je naar je kamer brengen.”
En hij ging haar voor naar haar kamer.
Hij opende de deur en daar stond haar bad al klaar. Hij legde een paar handdoeken voor haar klaar voor als ze straks uit bad stapte.
Vervolgens riep hij een paar Engelen en vertelde hun dat zij de speciale badceremonie mocht ontvangen.
De oude Fee en de man verdwenen.
De vrouw kleedde zich uit en stapte voorzichtig in bad. Het water was aangenaam en de Engelen wasten haar haren, haar rug, haar hele lichaam.
Het water liep weg en er kwam weer helder water voor in de plaats. Weer werd ze van top tot teen gewassen en elke keer met een nieuw, sterk geurend stuk zeep.
Het water verkleurde meerdere malen en als het te donker werd, verdween het en kwam er weer schoon water voor terug.
De vrouw kreeg zeven wasbeurten.
In het nog donkere water zag de vrouw verschillende gevaarlijke dieren, zoals spinnen en schorpioenen. Maar het water werd lichter en met het lichter worden kwamen alle kleuren van de regenboog tevoorschijn, totdat uiteindelijk de kleur parelmoer overbleef.
De badsessie was klaar en de vrouw stapte uit het warme water. Haar lichaam voelde schoon en licht aan. Haar huid was glanzend en de pijn in haar lichaam was verdwenen.
Ze werd afgedroogd en kreeg een prachtig blauw kleed aan.
De deur van het kamertje ging open. De oude Fee en de man stapten naar binnen. Ook zij hadden nu een prachtig gewaad aan.
“Kom,” zei de man, “je mag op het bed dat voor je klaarstaat gaan liggen.”
De vrouw keek naar het bed en liep ernaartoe. De Engelen hielpen haar en legden een wit laken over haar lichaam.
“Nu ben je thuis,” zei de man. “Sluit nu je ogen en laat mij het werk doen.”
De vrouw bedankte de Engelen en sloot haar ogen.
De man ging naast haar staan en hield zijn handen boven het lichaam van de vrouw. Hij voelde eerst en daarna bewoog hij zijn handen razendsnel heen en weer boven haar lichaam.
Door de enorme kracht van deze handeling kwam de energie van de vrouw helemaal los van haar lichaam. De vrouw zag dit niet, maar voelde het wel.
Door de druk van zijn handen werd de energie steeds verder opgevoerd, totdat de druk heel zwaar begon te worden. Het voelde alsof een olifant op haar lichaam kwam zitten, maar ze bleef stil liggen. Ze had vertrouwen in deze man.
Net toen de vrouw voelde dat zij de druk niet meer aankon, zag ze in de verte een “Violette Vlam” op zich af komen.
Ze voelde ook dat de druk bij elkaar geraapt werd en als een bal op haar buik lag.
Het vuur was nu dichtbij en de bal werd opgepakt door het Violette vuur en verdween.
Dit herhaalde zich drie keer, totdat de laatste bal, die minder zwaar woog, verdween.
“Je mag je ogen weer open doen,” fluisterde de man zachtjes in haar oor.
“Het is allemaal weg en verbrand en het zal niet meer terugkomen,” zei hij blij.
“Wat is er verbrand?” vroeg de vrouw.
De man lachte.
“Je pijn, je angst, je boosheid, je jaloezie, jouw onzekerheid. Alles wat jou uit balans haalde heb ik weggehaald. Je bent weer schoon en ik zal ervoor zorgen dat je schoon blijft, want wij gaan samen verder.”
En hij kuste haar voorhoofd.
“Onthoud het maar, Saint Germain is mijn naam.”
En hij verdween zomaar in het niets.
De vrouw keek de oude Fee verschrikt aan.
“Kan dat zomaar?”
De oude Fee gaf haar ook een kus op haar voorhoofd.
“Ja, dit kan en wij zien elkaar snel.”
Opeens was ook hij verdwenen.
De vrouw zat nog rechtop in het bed en keek de kamer rond. Het was er prachtig, maar de slaap begon het te winnen.
De vrouw ging weer liggen om later in haar eigen bed wakker te worden.
Ze had haar gewaad nog aan en wist dat ze dit niet gedroomd had, maar dat alles echt gebeurd was.
Lachend stond ze op en keek naar buiten, waar het inmiddels gestopt was met regenen en de zon opkwam.
