Daar lag hij dan in zijn bedje. Hij kon gewoon niet slapen van al die spanning in zijn lijf. Morgen was dan eindelijk de dag. De dag dat hij op schoolreis zou gaan.
Hij had zich al helemaal voorgesteld hoe de dag zou verlopen. Hij zou in de achtbaan gaan en in het reuzenrad, misschien nog in de draaimolen. Ja, hij was er zeker van dat dit de perfecte dag zou worden.
Nog vele uren had hij liggen woelen in zijn bed, totdat de slaap hem eindelijk had ingehaald. Nog voordat de wekker ging, was hij alweer wakker. Hij liep naar de badkamer en waste zich snel. Daarna trok hij de schone kleren aan die zijn moeder de avond daarvoor al voor hem had klaargelegd. Hij kamde zijn haar en was klaar voor deze dag.
Brood kon hij niet naar binnen krijgen; daarvoor was hij te zenuwachtig. Terwijl hij naar de klok staarde, dronk hij enkele slokken chocolademelk. Eindelijk was het acht uur. Moeder trok haar jas aan en ook hij pakte zijn jas van de kapstok. Zijn rugtas, gevuld met broodjes en wat lekkers, hing hij op zijn rug.
Hand in hand liepen moeder en zoon naar het schoolplein. Ze liepen de bocht om en daar zagen ze de bus al staan. Het hartje van de jongen ging sneller kloppen.
“Kijk mama, daar is de bus al!”
Hij liet zijn moeder los en rende naar zijn vriendjes. Alle kinderen waren zenuwachtig en luidruchtiger dan ooit. De ouders keken tevreden toe hoe hun kinderen plezier hadden.
Eindelijk was het zover: de kinderen konden instappen. De jongen had geen tijd meer om zijn moeder een zoen te geven; hij was te druk met alles wat er gebeurde. Hij liep met de stroom kinderen mee de bus in. Bij het raampje zwaaide hij naar zijn moeder.
“Veel plezier!” riep ze.
De jongen knikte en de bus vertrok. Alle kinderen stonden op en zwaaiden naar hun ouders, die langs de kant stonden. De ouders zwaaiden terug.
Toen reed de bus echt weg. Hij verliet het dorp en reed door naar het volgende dorp. De jongen was daar ook weleens geweest, maar het dorp waar ze nu doorheen reden had hij nog nooit gezien. Hij vond het reuze spannend. Het voelde bijna als een wereldreis.
Ondertussen was er veel rumoer in de bus. De jongens plaagden de meisjes en andersom. De jongen zat naast een vriendje, één van zijn beste maatjes. Samen hadden ze een voetbalclubje opgericht. Een clubje dat elke dag na schooltijd op het veldje een balletje ging trappen. Ze vormden samen een hechte groep.
Na een uur rijden waren ze er bijna. De meester had dat aan de kinderen laten weten. Hij en alle andere kinderen kregen een naamkaartje opgespeld met daarop hun naam en de naam van hun school. Het was heel belangrijk om dat kaartje niet te verliezen. Ook kregen ze te horen hoe laat ze weer bij de poort moesten zijn.
Eindelijk kon de dag echt beginnen. Hier had hij al weken naar uitgekeken.
De kinderen stormden de bus uit, ook de jongen. Ze renden alle kanten op. De kinderen krioelden door elkaar. En opeens stond de jongen daar helemaal alleen. Hij zag niemand van zijn vriendjes meer; ze waren allemaal een andere kant op gerend. Hij zag helemaal geen bekenden meer van school.
Plotseling voelde hij een onrust over zich heen komen. Hij voelde zich eenzaam en heel alleen. Vergeten en bang.
Hij liep door het park op zoek naar bekenden, maar zag niemand. De jongen werd steeds verdrietiger en begon zachtjes te huilen. Hij ging op een bankje zitten en bleef daar maar zitten. Hij durfde niet alleen in het reuzenrad dat hoog boven het park uitstak. Ook durfde hij niet in de achtbaan die zich als een slang door het grote park bewoog.
De draaimolen was hij nog niet tegengekomen. Maar alleen spelen was lang niet zo leuk als spelen met zijn vriendjes.
Zo bracht de jongen uren door op een bankje, steeds kijkend of hij bekenden tegen zou komen. Uiteindelijk zag hij iemand van school die samen met nog wat andere kinderen die hij vaag kende in de speeltuin speelde. De jongen liep ernaartoe en ging erbij staan. Hij wilde wel spelen, maar zijn teleurstelling en verdriet waren te groot.
Het einde van de dag naderde. Iedereen liep richting de poort van het attractiepark. Daar kwam hij ook zijn vriendjes weer tegen.
“Waar was je nou joh?” zei er één. “We waren je kwijt. Ohh, je had erbij moeten zijn. We hebben zoveel lol gehad!”
“Ik was aan het spelen,” zei de jongen.
Maar zijn vriendje hoorde zijn antwoord al niet meer. Hij was veel te druk door alle adrenaline.
Samen met de klas gingen ze nog een patatje eten en een flesje fris drinken. Maar voor de jongen was de dag al verpest. Hij begreep niet wat er zo mis was gegaan. Waarom moest hem dit gebeuren? Hij had zich zo op deze dag verheugd.
Toen de bus weer terugkwam in het dorp, lagen alle kinderen verstopt onder de banken. De ouders wisten allang welk spel er gespeeld werd en deden alsof ze de kinderen niet zagen. Toen de meester vertelde dat hij de kinderen maar had achtergelaten, reageerden de ouders heel dramatisch. Dat hoorde allemaal bij het spel.
En toen kwamen de kinderen opeens weer tevoorschijn. Iedereen had lol. Behalve de jongen.
Hij was nog steeds van slag door wat hem die dag was overkomen. Voor het eerst kreeg hij te maken met een gevoel dat hem uit zijn kindertijd leek weg te trekken. Opeens werd hij geconfronteerd met emoties als eenzaamheid, verlatingsangst, teleurstelling, onmacht, boosheid en verdriet.
Met een gebogen hoofd liep hij hand in hand met zijn moeder terug naar huis. “s Avonds in bed huilde de jongen zichzelf in slaap. Het was één van de meest teleurstellende dagen uit zijn jonge leven.
