“Ze opende haar oogjes en keek om zich heen. Het leek net of ze vastgesnoerd zat. Ja, het was een vlies waar het licht doorheen scheen. Een vlies dat strak om haar heen gewikkeld zat.
Ze wilde eruit! Ze wilde dat mooie licht zien! Ze wilde vrij zijn!
Met haar voorpootjes en haar mondje probeerde ze een gat in haar coconnetje te knagen. Het viel nog niet mee om er een gat in te krijgen, maar na tien minuten voelde ze zachte, warme lucht langs haar gezichtje stromen.
Ze werd nieuwsgierig naar deze warme, zoete lucht die haar tegemoet kwam en als een bezetene begon ze te knagen.
Langzaam trok zij zichzelf met haar voorpootjes naar buiten. Ze hield zich stevig vast aan haar verlaten coconnetje en heel voorzichtig sloeg ze haar vleugeltjes wijd open.
Ze slaakte een diepe zucht toen die warme, zoete lucht over haar heen stroomde.
Van de inspanning moest ze ingedommeld zijn, want opeens schrok ze wakker. Haar pootjes hielden nog altijd haar coconnetje stevig vast. Haar vleugels waren opgedroogd door die warme, zoete lucht.
Ze sloeg een paar keer met haar vleugels. Er ontstond een druk onder haar vleugels, waardoor haar pootjes het coconnetje loslieten.
Ze sloeg haar vleugeltjes heen en weer en ja hoor, ze vloog!
Ze vloog naar de hoogste boom. Ze vloog over de hoogste toren van de stad en ze had zo’n plezier. Ze lachte en ze zong en ze voelde zich vrij.
Ver beneden zich zag ze de prachtigste kleuren en rook ze de heerlijkste geuren.
Het vlindertje werd nieuwsgierig en vloog naar beneden. Wat ze zag, was een weide vol bloemen. Heerlijke zoete bloemen.
Ze vloog van de ene bloem naar de andere. Ze at, ze vrat totdat haar buikje vol zat.
“Zo, jij bent een lekker vretertje,” hoorde ze opeens zeggen.
Ze draaide zich om en keek naar het prachtigste wezen dat ze tot nu toe had gezien.
“Jij bent zeker nieuw hier, hè? Ik zie dat aan je, omdat jij je helemaal vol eet.”
Het vlindertje knikte verlegen van ja.
Hij kwam nu wat dichter naar haar toe gevlogen. Hij, met zijn grote gespierde vleugels. Hij, met vleugels zo fijn van kleur. Hij, die zo bijzonder mooi was.
Het vlindertje wilde wat zeggen, maar ze begon te stotteren. Ze kwam niet meer uit haar woorden.
Hij vloog nu bij haar op de bloem en keek haar aan.
“Weet jij dat wij hetzelfde zijn? Wij zijn even groot en onze vleugels hebben dezelfde kleuren. Als ik jou zie, is het net alsof ik naar mezelf kijk. Jij ziet mij nu, maar zo zie jij er ook uit.”
Het vlindertje was verbaasd.
“Ben ik net zo mooi als jij?”
Hij knikte van ja.
“Dus ik hoef niet tegen jou op te kijken? Ik ben niet minder dan jij? Wij zijn hetzelfde?”
Hij knikte weer van ja.
Het vlindertje was zo blij en met haar voorpootjes pakte ze zijn pootjes even stevig vast.
“Zullen wij samen gaan vliegen?” vroeg hij haar.
Ze lachte blij.
“Wie het eerst bij de zon is!” riep ze, toen ze al wegvloog.
En hoog in de lucht vlogen ze samen de vrijheid tegemoet.
