*** Zweven op de wind ***

Opeens stond ze daar, kijkend omhoog naar een vogel die haar zojuist had afgezet. Het was voor haar de eerste keer dat ze op de rug van deze vogel mee mocht vliegen. Ze had dat al zo lang gewild, maar het was er nooit van gekomen.

En nu, juist op het moment dat ze er niet aan dacht, had de vogel haar bij haar trui vastgegrepen en met zijn snavel achter op zijn rug geworpen.

Het was een enge ervaring geweest en ze was nog steeds niet helemaal van de schrik bekomen. Ze had heel snel moeten handelen, anders was ze zo weer van zijn warme verenpak naar beneden gegleden.

Ze was op de vlucht geslagen omdat ze werd achtervolgd door een buidelrat. Ze had hem al een tijdje zitten plagen en daar was hij boos om geworden. Zonder waarschuwing was hij opeens op haar af komen stormen.

Ze had heel hard moeten rennen en was bijna ingehaald, toen plotseling een vogel naar beneden was gezweefd en haar had gered van de boze buidelrat.

Ze ging op een steen zitten en dacht terug aan de vlucht op de rug van de vogel.

Hij had haar op zijn rug geworpen en haar toegeschreeuwd dat ze zich goed moest vasthouden. Dat had ze ook gedaan.

Ze waren hoger en hoger gevlogen en de vogel had haar een wereld laten zien die ze nog nooit eerder had gezien.

De wereld van bovenaf.

Hij had haar eerst laten zien waar zij vandaan kwam. Een klein dorpje met heel veel kleine Elfjes.

Daarna vloog hij richting het huisje van de buidelrat.

“Wees niet bang,” had hij gezegd. “Ik wil je alleen laten zien hoe hij leeft en wat voor lief dier het eigenlijk is.”

Ze vlogen over het huisje heen en ze zag dat er ook een mama-buidelrat was, met wel zeven kindjes.

“De vader, die door jou zo geplaagd werd, moet er elke dag voor zorgen dat deze kleintjes genoeg te eten hebben. Jij hebt hem gestoord tijdens zijn zoektocht naar voedsel en nu hebben zijn kindjes honger. Kijk maar, ze rillen van de kou en smeken om eten.”

Het Elfje keek naar het tafereel dat door haar eigen gedrag was ontstaan.

“Wat erg... Ik wist dat niet.”

“Misschien kun je straks je excuses aanbieden,” zei de vogel.

“Ja, dat is wel het minste wat ik kan doen,” antwoordde het Elfje.

“Kom, ik zal je nog iets laten zien.”

De vogel vloog nog hoger.

“Kijk, dat is de grote mensenwereld.”

Het Elfje keek over de sluiers van haar wereld heen en zag een grijze, grauwe en onvriendelijke wereld.

“Ooit waren deze bewoners net als wij. Ze hadden plezier en genoten van iedere bloem, bij en vlinder die ze zagen. Ze hadden geen haast en wilden geen baas zijn over elkaar. Iedereen leefde zij aan zij.”

“Maar waarom doen ze dat nu niet meer?” vroeg het Elfje.

“Ik denk dat ze het vergeten zijn,” zei de vogel. “Doordat ze de mooie dingen niet meer konden zien, is er een sluier ontstaan tussen onze wereld en die van de grote mensen.”

“Dus ze kunnen onze meerminnen en mij ook niet zien?”

De vogel schudde zijn kop.

“Nee.”

Het Elfje dacht even na.

“Maar hoe komt het dan dat jij er wel naartoe kunt? Kunnen ze jou wel zien?”

De vogel begon te lachen.

“Ja, mij kunnen ze wel zien. Wij zijn de boodschappers. Wij proberen de grote mensen te laten zien dat er meer is dan macht, hebzucht, jaloezie en haat. Allemaal woorden die jij niet kent.

Wij zijn er in de hoop dat de grote mensen naar ons kijken en ook willen zweven op de stromingen van de lucht. Dat ze willen spelen op de golven van de wind en gaan inzien dat er geen grenzen zijn, maar vrijheid.

Maar ze hebben het niet begrepen. Ze keken naar ons en hebben ons nagebouwd om van hier naar daar te vliegen.”

“Het is een trieste zaak,” vervolgde de vogel. “Maar misschien is er nog hoop. We wachten het maar af.

Er zijn een aantal grote mensen die het wel hebben begrepen. Vanuit deze wereld proberen wij hen te vertellen wat er moet veranderen. Maar dat kunnen ze niet alleen. Daar is hulp voor nodig.

Uiteindelijk zullen ook de grote mensen het grote geheel zien, precies zoals wij het zien.”

“Zo,” zei de vogel, “ik denk dat wij genoeg hebben gezien. Ik ga je terugbrengen naar je dorp. En denk erom: geen buidelratjes meer plagen, hè.”

Het Elfje glimlachte en dacht nog even na over wat de vogel haar had verteld.

Er was dus nog een wereld naast die van hen. Een hele enge wereld.

Hopelijk zou dat snel veranderen.

Ze was ook nieuwsgierig geworden.

“Zo, we zijn er!”

De vogel landde op zijn poten.

Het Elfje liet zich van zijn verenpak afglijden en bedankte hem.

“Denk eraan,” zei de vogel, “voor je het weet pik ik je weer op om een ander deel van deze wereld te laten zien. Dus hou je ogen open.”

Lachend vloog de vogel weg.

Het Elfje keek hem na.

Opeens bedacht ze zich iets.

Ze rende naar huis, haalde wat eten van de plank en stopte het in een mandje. Daarna rende ze richting het huisje van de buidelrat.

Hijgend klopte ze aan.

De buidelrat deed open en wilde al op haar afspringen, maar snel zei ze:

“Ik kom u eten brengen. Ik zag dat uw kindjes het zo koud hadden van de honger. Hier, neem dit van mij aan. Ik kan voor nog veel meer zorgen.”

De buidelrat keek verlegen naar de grote hoeveelheid eten die het Elfje had meegebracht.

Snel liep hij ermee naar zijn kindjes en ze aten alsof hun leven ervan afhing.

“Wat fijn,” zei moeder buidelrat. “Ik ben je zo dankbaar.”

Het Elfje bleef nog een tijdje bij hen.

Toen ze terug was in haar dorpje, vroeg ze iedereen of ze wat eten wilden doneren voor de familie buidelrat.

Zo kwam het dat de Elfjes gingen zorgen voor alle dieren die het moeilijk hadden om voedsel te vinden in de winter.

Tijdens de langste nacht van het jaar kwamen ze allemaal samen en zongen en dansten van plezier.

Het Elfje keek dankbaar naar het feest.

Zonder de vogel was dit nooit tot stand gekomen.

En in de verte hoorde ze hem krijsen.

De buizerd.

En het kleine Elfje glimlachte.