Op een mooie dag zat een meisje voor het raam en keek naar buiten.
De zon scheen heerlijk en de bloemen die ze buiten zag stonden allemaal in bloei.
Er fladderden vlindertjes langs het raam en ze kon verstaan wat de giechelende beestjes zeiden.
“Kom,” zei er één, “laten we naar de bloementuin gaan!”
Alle andere vlinders riepen: “Jaaah!”, in koor.
Het meisje moest lachen.
Ze keek op van een vogel die voorbijvloog. Het was een bonte specht.
Het meisje zuchtte.
“Wat een heerlijke wereld.”
Ze zag Engelen met kindertjes aan hun hand lopen. Deze kindjes waren hier even op bezoek.
Ze mochten nu even de sferen verkennen om, wanneer de tijd daar was, voorgoed hiernaartoe te komen.
Een Engel had haar gadegeslagen en liep naar het meisje toe.
Hij ging op zijn hurken zitten en legde zijn armen op het tafeltje waar het meisje aan zat.
“Ben je weer aan het dagdromen, kleine meid?” vroeg hij.
Het meisje keek verschrikt om.
De Engel die vandaag lesgaf was naar haar toe gekomen en had haar erop betrapt dat ze niet oplette.
“Ja, eh, ik zag de vlinders en de specht voorbijvliegen,” zei ze met een glimlach.
De Engel lachte.
“Wat een lief kind ben je toch. Je ziet ook alles.
Dit zal je goed van pas komen als je straks weer teruggaat.”
Het meisje wist wat de Engel bedoelde.
Ze zou straks met heel veel andere kindertjes teruggaan naar de Aarde.
Ze zou een prachtig takenpakket meekrijgen en deze taken mocht ze uitvoeren als ze straks geboren werd.
Het mooiste van alles was dat ze, net als de andere kinderen, lichtwerker zou worden.
Het meisje keek de Engel lachend aan en zei:
“Ja, wij gaan binnenkort op reis.
Ik verheug me erop.”
De andere kinderen in de klas begonnen nu allemaal door elkaar heen te praten.
Al deze kindertjes hadden, net als zij, de taak om lichtwerker te worden op Aarde.
“Stop! Stop!” riep de Engel.
“Wacht, niet allemaal door elkaar praten!”
De kinderen begonnen te lachen.
Ze maakten niet zo vaak mee dat een Engel in paniek raakte.
Maar de Engel herstelde zich snel en moest ook om zichzelf lachen.
“Oké, hebben jullie nog vragen? Dan ga ik na de les jullie vragen beantwoorden.”
Een aantal kinderen stak hun hand op.
Het meisje deed dat niet.
Ze had alles al gehoord en wist precies wat er allemaal zou gaan komen.
Over een week zouden ze vertrekken.
Toen de school uit was, stond haar gids haar al op te wachten.
Een jaar geleden was hij naar haar toe gekomen.
Ze herkende hem meteen.
Hij was haar vader uit een ander leven.
Haar vader die haar alles leerde.
Hij was sjamaan geweest en zij was zijn dochter.
Hij zou haar op deze reis gaan begeleiden en samen met haar deze mooie, maar ook moeilijke reis gaan maken om haar te helpen waar hij kon.
Het was altijd even spannend, want je kon elkaar ook kwijtraken en dan was de reis voor niets geweest.
Maar daar geloofde het meisje niet in.
Ze was zo sterk met hem verbonden dat ze, zonder hem te zien, al wist wat hij dacht of zou gaan zeggen.
“Heb je een leuke les gehad?” vroeg hij haar vriendelijk.
Het meisje knikte van ja.
“Maar ik kan mijn aandacht er niet meer bij houden. Ik ben te zenuwachtig over de reis.
Morgen krijgen we de laatste instructies over wat we allemaal kunnen verwachten, welke lessen we eerst moeten doorlopen en in wat voor gezin we terecht gaan komen.”
Het meisje hoopte op een lieve vader en moeder.
Ze hoopte op een fijn leven.
Ze wist al wel dat ze de grote levenslessen niet meer zo diep hoefde op te halen.
Misschien even een opfrisbeurt en dan zou ze de lessen van het leven weer kennen.
Haar gids keek haar lachend aan.
“Je bent goed voorbereid.
Ik weet zeker dat wij het heel leuk zullen hebben en dat wij heel veel mensen bij mogen gaan staan en helpen.”
“Ik hoop het,” zei ze zacht.
“Ik wil het ook zó graag.”
Haar gids gaf haar een zoen op haar voorhoofd.
“Rust wat uit.
Deze laatste week zal hectisch zijn en voor je het weet ben je weer terug op Aarde en is er een nieuw leven ontstaan.”
Het meisje ging rusten en beleefde de hele week zo bewust mogelijk.
Ze nam alles in zich op: de Hemel met haar verschillende sferen.
Zomerland, waar de kindjes heen gaan, maar ook de Waterwerelden en de andere werelden waar nog niet veel over is geschreven.
De laatste lessen die ze van de Engelen kreeg, nam ze in haar zieltje mee om niet meer te vergeten.
En toen kwam de dag waar ze zo naar uit had gekeken.
Met de allerhoogste Engelen voorop liepen ze naar het station.
De kinderen en hun gidsen kwamen erachteraan en de Engelen sloten de rij af.
Toen ze met z’n allen op het perron stonden, riep één van de Hoogste Engelen:
“Mijn lieve kinderen.
Het is ons een eer om jullie naar de planeet Aarde te sturen.
Jullie kinderen zullen een grote taak hebben.
Een taak die een stukje van de mensheid zal helen.
Jullie gaan mensen helpen, individueel en energetisch.
Jullie zullen met de energieën van de kosmos en van de Hemelse werelden prachtige vortexen neerzetten om de Aarde te helen.
Jullie doen dat niet alleen.
Nee, jullie doen dit samen.
Jullie zijn zo op elkaar ingesteld dat jullie afzonderlijk met elkaar verbonden zijn.
Heb een goede reis en tot ziens.”
Iedereen applaudisseerde en was blij.
In de verte hoorden ze de locomotief al aankomen.
De kinderen waren nu nog voller van opwinding.
“Kijk, daar komt hij!” riep een jongen.
Alle kinderen keken naar de trein die langzaam het station binnenreed.
Het meisje keek haar ogen uit.
Haar gids keek naar de trein en keek haar toen lachend aan.
“Ieder kindje krijgt een wagonnetje.
In dit wagonnetje ga ik met je mee.
Hier in je wagonnetje sta je weer even in verbinding met je Hogere Zelf, maar ook met je Christuslicht.”
Het meisje keek de gids vreemd aan.
“Maar ik weet niet wie mijn Hogere Zelf en mijn Christuslicht zijn.
Ik heb ze nog nooit gezien.”
De gids lachte.
“Je kunt ze ook niet zien, want je bent het zelf.
Jij zult in dit leven in contact komen te staan met je Hogere Zelf.
Die staat het dichtst bij de Bron waar we allemaal vandaan komen.
Deze Hogere-Zelf-gids geeft door wat er moet gebeuren om jou weer thuis te brengen.
Komt hij niet door alle lagen van verdichting heen, dan zal hij jouw gidsen vragen te helpen.
Jij zult dan met meerdere gidsen in contact komen te staan.
De Hogere Zelf zal eerst via mij werken en dan zal ik een opa, oma of iemand anders vragen datgene door te geven wat het Hogere Zelf wenst.
Dit kan alleen maar omdat zij hetzelfde bewustzijn hebben als jij.
Zo kan het zijn dat je iedere keer een andere gids hebt die jou de antwoorden geeft.”
“Maar zodra jij, in de wereld waar je straks naartoe gaat, jezelf zover hebt ontwikkeld dat je rechtstreeks met mij kunt praten, dan zal het snel gaan.
Dan gaan we al het karma dat je nog hebt loslaten en we gaan alles wat jou nog bindt aan het aardse leven oplossen en omzetten in licht en liefde.
Dit gebeurt omdat dan het Christuslicht in jezelf voorzichtig mag indalen.
Het is een prachtig proces.
Alles wat opgelost moet worden, zul je moeten afsluiten, net zo lang totdat al jouw karma en dat van je voorouders is opgelost.
Dan mag je naar huis en hoef je niet meer terug te keren.
Je bent dan over het lijden heen.
Je Hogere Zelf is met je verbonden en straks kun je even met jezelf in contact komen.
Dan voel je pas waarom je naar de Aarde terug moet.
Dit is om jezelf te helen van al het karma dat je nog in je draagt en om zo een hele grote familie te helpen.”
Het meisje keek verrast.
“Hier hebben de Engelen op school niet over gesproken.”
“Jawel,” antwoordde haar gids.
“Maar jij zat met je gedachten weer eens ergens anders.
Je bent ook zo’n dromer.”
En de gids begon te lachen.
De trein rolde langzaam het station binnen en kwam voor het meisje tot stilstand.
Verwonderd keek ze naar de drukte op het perron.
Alle Engelen, gidsen en kinderen liepen door elkaar heen.
Ze zochten hun eigen wagonnetje.
“Kijk, hier moeten we zijn,” zei haar gids.
Hij liep naar een groen wagonnetje en deed de deur open.
Met een buiging zei hij:
“Uwe Majesteit, wilt u plaatsnemen?”
Terwijl hij haar ondeugend lachend aankeek.
Het meisje stapte het wagonnetje binnen en keek om zich heen.
Het was een mooi wagonnetje met gekleurde muren, zachte banken en mooie witte kanten gordijnen voor het raam.
De gids stapte binnen en wilde net de deur dichtdoen, toen er een Engel naar binnen stormde.
“Wacht! Ik moet nog mee!
Ik ben haar Beschermengel!”
Verwilderd plofte hij op de bank tegenover het meisje neer.
Met z’n drieën lachten ze vrolijk.
De reis kon beginnen.
Het meisje voelde een hoge energie toen de trein in beweging kwam.
Ze voelde de energie van de Bron waarmee ze verbonden was.
Niet alleen het meisje voelde deze energie, maar ook haar Engel en haar gids.
De hele reis was deze hoge energie bij haar aanwezig.
Tot aan het moment dat haar zieltje geboren werd, bleef ze in contact met haar Engel en gids.
Haar jonge jaren verstreken en heel langzaam verdwenen zij naar de achtergrond, om elkaar na jaren weer terug te vinden.
De laatste fase van opruimen was begonnen en ze zouden, zodra ze klaar was, met z’n drieën terug naar huis gaan.
Samen in één wagonnetje.
