De Donkere sferen 1.

Mama, ik ben opnieuw samen met mijn Engel naar de bibliotheek geweest.
Dit keer zouden we een reis maken naar de onderste sferen.

De professor, die mij de vorige keer de boeken had laten zien, had me gevraagd om terug te keren zodra ik klaar was voor een volgende stap.

Ik was al eens in een sfeer geweest die nét onder de lichtsferen lag, en ik had die als heel mooi ervaren.

Daar had ik die man ontmoet die werkte aan zijn heren-boerderij – een sfeer waar status en macht nog centraal staan, en waar de zielen moeten ontdekken dat juist die macht helemaal niets betekent.

Mijn Engel had me verteld dat alle landschappen in de lichtsferen op elkaar lijken: even prachtig, even helder.

Ik had het zelf gezien toen ik die man bezocht.

Hij vertelde ook dat er talloze overgangssferen zijn, en dat je van de ene naar de andere kunt reizen, maar alleen naar die sferen die resoneren met jouw eigen bewustzijn en liefdestrilling.

En dat zijn er veel, heel veel.

 

We stapten de bibliotheek binnen en gingen aan een tafel zitten.

De professor kwam naar ons toe, glimlachte en vroeg: “Jesse, wil jij met ons de sferen bezoeken die zich onder het licht bevinden en daar verslag van doen?”

Mama, ik was verrast, maar ergens ook bezorgd.

Dit waren tenslotte de laagste sferen. Wat voor macht zou daar heersen?

Wat zouden zij doen als ze mij zouden zien?
Kon ik beschermd worden?
Hoe werkt zoiets eigenlijk?
Kon ik daar zomaar naar binnen lopen?

Ik had zoveel vragen.

Ik was niet echt bang, maar door de films die ik vroeger keek, die vol geweld, monsters en duistere wezens zaten, vroeg ik me af of dat soort verschijningen misschien echt zouden bestaan.

De professor ving mijn gedachten op en zei: “Wat je in je fysieke wereld hebt gezien lijkt inderdaad op wat er in die sferen gebeurt.

Je zult er duivelse, demonische wezens zien die daar de macht hebben.

Ze proberen voortdurend de sferen boven hen naar beneden te trekken.

Maar hoe meer ze dat proberen, hoe meer liefde ze terugkrijgen.
Ik wil je vragen om samen met je Engel en met mij naar die onderste sferen te reizen.

En ja, we worden beschermd.

Niet omdat onze liefde niet sterk genoeg zou zijn, maar omdat ze ons kunnen voelen.

We zullen onzichtbaar zijn wanneer we binnenstappen.

Zo kunnen we rustig rondkijken zonder hun proces te verstoren—want dat is het laatste wat we willen.”

 

Mama, meteen moest ik denken aan de onzichtbaarheidsmantel uit Harry Potter, die volledige bescherming bood tegen nieuwsgierige blikken.

Mijn Engel glimlachte en zei: “Zoiets zal het zeker worden, jongen—alleen niet van stof, maar van heel dun licht.

De zielen die in de onderste sferen leven, kunnen niet goed tegen licht.

Bewustzijn en liefde zijn voor hen nog ver weg.

Daarom is het veiliger om niet gezien te worden.

Zo kunnen we deze sferen rustig bekijken.”

Ik vond het enorm spannend. Het zou mijn eerste echte grote reis worden door deze gebieden.

Ik keek mijn Engel blij aan en zei: “Nu ga ik echt mijn moeder helpen.”

Hij knikte. “Dit is jouw taak, jongen: om de sferen van de hemel zichtbaar te maken.

Het is iets groots, iets bijzonders.

Zulke reizen zijn vaker gemaakt en opgeschreven, maar altijd in andere tijden en onder een ander bewustzijn.

Nu mag er een nieuwe reis gemaakt worden, die de mensen laat begrijpen uit welke wereld ze voortkomen en hoe die verbonden is met de sferen van deze hemel.

Alles staat met elkaar in verbinding, Jesse. Jij ook. Ieder mens is dat.

De sferen onder het licht maken óók deel uit van wie jij bent.”

 

Ik keek hem vragend aan, want ik begreep niet precies wat hij bedoelde.
Hij merkte het op en legde uit: “Het puurste deel van je ziel staat gelijk aan de Schepper en is nu bij Hem.

Na je aardse dood keert dat deel terug.

Maar je ziel is niet één geheel; ze bestaat uit meerdere lagen.

Elke laag is verbonden met een sfeer in de hemel én met de sferen rondom de aarde.

Iedere gedachte, ieder woord, iedere handeling die je tijdens al je aardse reizen hebt gemaakt, wordt opgeslagen in de blauwdrukken van deze sferen.

Alles reist naar de plek waar het qua trilling thuishoort.”

Dus mama… het kan dus zomaar zijn dat er in die sferen stukjes van mij rondlopen die ik ooit ben geweest.

Raar hè?

En ik vroeg mijn Engel: “Hoe gaat het in zijn werk wanneer een ziel beslist om opnieuw een leven op aarde te beginnen?”

Mijn Engel keek naar de professor, legde daarna een hand op mijn hoofd, en op datzelfde moment ontvouwde zich een beeld voor mijn ogen—als een film die speciaal voor mij werd afgespeeld.

Ik zag hoe een ziel vanuit de hoogste sferen werd geroepen door de groepsziel, om opnieuw een ervaring aan te gaan.
Dit nieuwe leven werd zorgvuldig voorbereid: met welke zielen zouden bepaalde lessen geleerd worden, welke ervaringen zouden elkaar kruisen, welke verbanden zouden ontstaan?
Het ging nooit alleen om jouw persoonlijke pad.
Nee—het ging evenzeer om de groei van anderen.

Elke gedachte, elke handeling, elke ervaring werd vastgelegd als in een draaiboek.
Engelen bekeken de blauwdrukken om te zien welke levenslessen al voldoende waren doorleefd en welke opnieuw een plek mochten krijgen.

 

"Jij, als Jesse in je aardse leven, droeg altijd een diepe interesse voor oude wijsheden.
Je herkende werelden van draken en ridders, maar ook van elfen en de verborgen sferen daarachter.
Je voelde je aangetrokken tot degenen die het licht in zich droegen en het goede wilden doen.

De werelden achter de sluiers—door mensen vaak gezien als louter fantasie—waren voor jou herinneringen.
Herinneringen van lang geleden.

Het aardse leven stond daar zo haaks op.
De pijn, de onmacht, het onbegrip over hoe mensen elkaar konden kwetsen… het werd te veel.
Het donker in jezelf schoof steeds dichter tegen het licht aan, tot het soms de overhand leek te krijgen.

Licht en donker liggen in de aardse wereld als twee tegenpolen, maar in de hogere sferen zijn ze veel dichter bij elkaar dan mensen begrijpen.

En toch draag jij een taak.
Een taak die je al vele levens kent: het beschermen van het licht.
Een taak die je steeds opnieuw herkende in de films die je keek—een heimwee dat als thuiskomen voelde voor je ziel.

Je leven werd daardoor een innerlijk gevecht tussen wat je voelde en waar je naar verlangde.
De wereld waarnaar je heimwee had, vond je terug in boeken, films en je eigen tekeningen.

Maar je leefde in een wereld waar je diep van binnen niet meer wilde zijn.
Dat maakte dat je ziel zich langzaam begon terug te trekken.
Je voelde dat je hier niet thuishoorde, en dat gevoel klopte: jouw levens liggen vooral elders.
In andere tijden, in tijden waarin het licht streed tegen het donker.

Jij behoort tot de zielen van krijgers—de beschermers van het licht.
Je hebt meer levens geleefd in de hemel en in oude tijden dan op aarde.
Je bent een oude ziel die nog één keer terugkwam om zijn moeder te helpen.

De herinneringen die je in je aardse leven aanraakten, waren echo’s vanuit de onderste lagen van de sferen.
Daarin vocht jij met het licht.
Je bent een krijger, een soldaat, en het dienen van het licht is een nobele en dankbare taak.

 

“Straks,” zei mijn Engel, “gaan we terug naar de alleronderste sfeer.
Een sfeer die nu alleen nog als blauwdruk bestaat.
Daar zal je het gevecht zien tussen licht en donker.

Ik zal het je laten zien op een bewustzijnsniveau dat een mens kan begrijpen—maar weet dat de ware werkelijkheid veel dieper is, dieper dan het menselijk brein kan bevatten.

We gaan erheen, en je moeder zal alles opschrijven.
Zo zullen jouw woorden, jouw beelden, en jouw blik het gevecht tussen licht en donker zichtbaar maken.”

Ik, mijn Engel en de professor maakten ons klaar voor de reis.
We verbonden ons met de onderste sferen door eraan te denken; ik noem het maar denken, omdat er geen ander aards woord is dat beter beschrijft wat we deden.

Terwijl we ons voorbereidden, werden we omringd door Engelen die deze wereld beschermen.
Ik keek mijn ogen uit, mam.
Ik zag Engelen met lichtgevende zwaarden en beschermend materiaal dat straalde als levende energie.
Wanneer ze ermee bewogen, leek het alsof ik naar een film keek.

Ik schat dat er wel een groep van zevenenzeventig Engelen aanwezig was.

Zij zouden samen met ons naar de lagere sferen afdalen.
Het ging snel.

Terwijl we daalden, voelde ik hoe de energie veranderde — zwaar, drukkend.
Als ik nog op aarde zou leven, had ik zeker naar adem gehapt; zo’n druk zou pijn hebben gedaan op een fysiek lichaam.

Toen we de donkere sferen onder het licht naderden, werden we beschermd door een soort bel waar we in moesten gaan staan.
Hij leek op de bellen die we als kinderen bliezen, maar dan enorm groot.
De bel was doorzichtig, en ik kon alles om ons heen duidelijk zien.


We liepen niet; de bel bewoog ons vanzelf naar waar wij moesten zijn.
Ook de zevenenzeventig Engelenwachters hadden ieder hun eigen bel.

Deze bellen droegen we om niet gezien te worden.
Want stel dat een liefdevolle Engel hier zomaar zonder bescherming zou verschijnen — hij zou meteen gegrepen worden.
Het is niet veilig om zonder Engelenwachters af te dalen naar deze sferen.

We naderden de onderste sfeer en mijn Engel keek me glimlachend aan.
Via telepathie sprak hij tot mij: “De blauwdruk van de onderste sfeer zal heel even geopend worden.
Deze wordt dan over de sfeer heen gelegd.
Tijdens deze reis spreken we niet met elkaar; volg de professor.
De Engelenwachters beschermen ons als groep.”

Ik knikte. Ik vond het spannend, mam.
Onmiddellijk vormde zich een kring van Engelenwachters om mij heen.
Ze zouden mij meteen terugbrengen als er iets mis zou gaan.

 

We stonden nog aan de rand van deze sfeer, maar het was duidelijk dat dit een zware reis zou worden.
Toen gingen we naar binnen, en langzaam bewogen we ons voort.

De wereld van deze sfeer ontvouwde zich stukje bij beetje voor ons.
Het was donker.
De lucht hing zwaar van angst, en door de bel heen voelde ik de boosheid die hier leefde — maar ze kon me niet raken.

Mijn Engel had mij van tevoren verteld dat sferen onder het licht in wezen hetzelfde zijn: Elke morgen stijgt in die werelden een zon op die nieuwe energie van liefde en bewustzijn over het land uitstort.
In de sferen lijkt het op de aarde: er bestaan dag en nacht.
Hoe dichter men bij de lichtsferen komt, hoe zeldzamer de nacht wordt.
Soms is er slechts een zachte schemering, zodat de mensen even kunnen rusten.

Maar hier was het nog nacht.
We bewogen ons naar het strand en de zee om de opkomende zon af te wachten.

Een zwarte mist hing over het water. Het was stil, vervuild en roetachtig.
De zee bewoog zoals ze altijd beweegt, maar op het water dreven vissen die ziek waren.
Dood konden ze niet zijn, want in de sferen bestaat geen dood — maar ze konden wel pijn, angst en onmacht ervaren.

Het strand lag vol troep en ik keek om me heen.
Langs de kust rezen grote fabrieken op, met hoog opgestapelde giftige pijpen waar rook uit kringelde.

Ik zag hoe ze afval loosden in een rivier die naar de zee stroomde; het gif lichtte op in het water.

Met zijn allen staarden we naar de horizon, naar de plek waar de zon zou moeten opkomen.
We voelden de energie van haar aanwezigheid, maar door de zwarte mist zagen we haar niet.

Haar stralen bereikten het land niet meer, en daardoor werden liefde en bewustzijn tegengehouden.

We bewogen ons weg van het strand en gingen richting de fabriek om een duidelijker beeld te krijgen van wat hier werkelijk gebeurde.
Al snel zweefden we hoger boven de grond en volgden we de professor.

Ze liet ons de mijnen zien waarin gewerkt werd: mijnen vol goud, zilver en andere kostbare aardse mineralen en gesteenten.

Ze werden volledig leeggehaald.

Maar omdat de wezens hier, net als mensen op aarde, kunnen creëren, was er in deze sfeer nog veel gecreëerd.

De wezens die hier leefden hadden fabrieken en fantasie­wezens voortgebracht met hun gedachten — en in deze wereld leefden die werkelijk.

Alles wat wij als ziel creëren in de wereld van God, leeft daadwerkelijk in diezelfde wereld.
Alleen herinneren wij het ons niet meer, omdat deze boosaardige wezens niet langer bestaan in het aardse leven van nu.

Maar ze wonen nog wel in de blauwdruk van de onderste laag.

Door macht en de invloed van het donker kunnen ze via onze fantasie terugkeren en onze geest beïnvloeden.

Zo kruipen ze langzaam weer de aardse wereld binnen.

 

Ik heb ze gezien, mama.

Als je naar het aardse leven kijkt, kun je voelen hoeveel van dit soort wezens zich energetisch over de aarde bewegen.

Ze zijn zwak, omdat ze vanuit een zware energie naar de aarde komen.
Door mensen te beïnvloeden worden ze sterker, maar nooit zo sterk als het licht.

Hier zag ik wezens werken: groot, sterk en ruw.
Ze deden zware arbeid, er werd gevloekt, gegromd en hard gelachen.

Het was een boze wereld.

Iedereen deed elkaar pijn en stond elkaar in de weg; wie iemand omver liep, keek niet eens om.
Raakte iemand zijn arm kwijt in een machine, dan liep diegene gewoon verder — je kunt hier namelijk niet doodgaan.

Het was een kwaadaardige wereld waarin ik keek.

En ik zag geen mensen, alleen gruwelijke, lelijke monsters die elkaar pijn deden.

 

In de fabriek was het niet anders.

Ook daar werkten wezens die met hamers en bijlen het goud uit de gesteenten sloegen.
Behalve de arbeiders waren er ook bazen die hen in de gaten hielden.

Lange, slanke wezens met lange jassen, met geel-rode ogen en zwepen waarmee ze sloegen.

Ik keek naar één van deze bazen, en meteen keek hij terug.
Op hetzelfde moment stapten de Engelenwachters voor me, om mijn energie af te schermen.
De baas keek weg en wij gingen verder. We trokken landinwaarts.
Overal zagen we grote en kleine wezens die in mijnen werkten.

Bossen werden gerooid, drinkwater vervuild en dieren werden levend opgegeten.

Ik zag gruwelijke taferelen, maar nog altijd geen mensen.

We vlogen verder over dit donkere, vervuilde landschap.

Alles leek hetzelfde: verwoesting, boosheid, leegte.
Het was tijd om deze blauwdruk los te laten.

We keerden terug naar de rand van deze onderste sfeer.
Daar zagen we hoe de blauwdruk oploste en een andere sfeer zichtbaar werd.

Opnieuw keerden we terug naar de zee.

We zweefden boven het strand en keken of de zon zou opkomen.
Maar net als in de blauwdruk zag ik een zwarte, donkere mist boven het water hangen.

Langs de kust stonden dezelfde fabrieken, lozend in dezelfde rivier hetzelfde giftige afval.

Ik keek naar de professor, en hij glimlachte rustig.

We verplaatsten ons, en opnieuw zweefden we boven de fabriek.
Alles leek hetzelfde als wat ik eerder had gezien.

Alleen… de gruwelijke monsters uit de blauwdruk waren verdwenen.

In plaats daarvan zag ik voor het eerst mensen, heel veel mensen.

Ze waren zwart van het vuil, werkend in mijnen onder toezicht van dezelfde bazen die ik uit de blauwdruk kende.
Oude mensen, jonge kinderen, vrouwen… iedereen werkte hier, moe en uitgeput.

Dit waren slaven.

Mishandeld, gevangen, zonder enige mogelijkheid om te ontsnappen.

Omdat ze hier geen slaap nodig hadden, werkten ze dag en nacht door.

Het was verschrikkelijk om te zien, mama.

Ik herkende hierin iets wat wij als mensheid op aarde ook hebben meegemaakt.
Slavenarbeid is niet alleen van deze sfeer; we vinden het terug in onze eigen geschiedenis.
Zolang wij als mens dit blijven toelaten, zal het voortbestaan.

Door ons hier op aarde bewust te worden van dit verleden — en door het in onszelf los te laten en te vergeven — kan het ook in deze sfeer langzaam beginnen te verdwijnen.
Zolang wij elkaar zo blijven behandelen, verandert er in de sferen niets.

 

Onze aardse school is een plek waar we snel en veel leren.

Omdat alle sferen onder de lichtsferen met de aarde resoneren, willen zielen die uit deze verschillende sferen vertrekken, graag een leven op aarde ervaren.
Onze aarde is een smeltkroes van jonge, volwassen en oude zielen.

Een volwassen ziel kan zich bewust om zich heen kijken en daardoor groeien in liefde en bewustzijn.
Oudere zielen kijken met aandacht naar wat er in henzelf nog opgeruimd mag worden.
Iedereen leert van elkaar.
Op aarde kun je snel bewust worden en het licht van Gods liefde binnenlaten.

Daardoor is de aarde een buitengewoon snelle leerschool, en het is belangrijk dat mensen begrijpen hoe bevoorrecht ze zijn om dit te mogen ervaren.

Had ik dat maar geweten, mama…
Maar nu kan ik het jou en aan jouw lezers vertellen.

 

We verplaatsten ons opnieuw.

Het landschap dat in de blauwdruk verwoest was, stond hier vol huizen en fabrieken.
Het deed me even denken aan een soort middeleeuwen.

De regen die neerviel was vies. Overal heersten armoede en geweld.

Ik zag iemand die zijn eigen hoofd onder zijn arm droeg.
Mensen probeerden elkaar te vermoorden, maar stonden telkens weer op.

Alles wat ik hier aan gruwelijke taferelen zag, wordt op aarde ook uitgespeeld.

Onze donkere sferen worden gevormd door de manier waarop wij op aarde met elkaar omgaan.

De oorlogen die wij nu voeren, bestaan hier ook.
Er zijn grote vernielingen, en het ene volk probeert zich boven het andere te verheffen.
Het gebied dat de macht heeft, bepaalt hoe het wereldbeeld eruit moet zien.

Ziektes die ons op aarde het leven kosten, worden ook hier ervaren — met pijn en onvrede.

De energie van de donkere sferen en die van het licht worden op aarde met elkaar uitgespeeld.
Niet alleen tussen grote wereldmachten, maar ook tussen jou en de mensen om je heen.

Met wie heb jij ruzie?
En wie zoekt ruzie met jou?

Uit welke sfeer van liefde en bewustzijn kom je — of waar wil je naartoe?
Wees je bewust van wat je creëert, in je daden én in je gedachten.

Zij zorgen ervoor dat er in de sferen weinig of niets verandert, zolang je niet bewust wordt van jezelf en van de wereld waarin je leeft.

We hadden genoeg gezien en verlieten deze sfeer.

Langzaam reisden we terug naar de wereld van licht.

De bel die ons had beschermd was verdwenen en ik bedankte de Engelenwachters voor hun bescherming.

Mijn Engel, de professor en ik liepen de Groene Wereld binnen.
De professor kwam naar me toe, streelde mijn wang en zei:

“Je hebt het goed gedaan, mijn zoon.
Je bent de diepste laag binnengegaan en je hebt door mogen geven wat voor de mensheid belangrijk is.

Nu mag je rusten.

Ga onder de boom zitten en laad jezelf weer op.
Zodra je voelt dat je klaar bent voor de volgende sfeer, kom dan naar mij toe.
In de bibliotheek zal ik je opnieuw voorbereiden.

Dankjewel, jongen.”
Daarna liep hij weg.

 

Ik keek mijn Engel dankbaar aan.
Samen liepen we naar de boom waar ik onder een douche van gouden energie mezelf kon opladen, oude en pijnlijke indrukken kon loslaten en de liefde weer kon binnenlaten.

Tijdens deze reis naar de donkerste sferen zag ik in dat ook ik deze duistere spellen had gespeeld tijdens mijn aardse levens.
Op de terugweg naar het licht vroeg ik of ik van deze zwaarte verlost mocht worden, zodat ik dit in een volgend leven niet meer hoefde te ervaren.

Ik was me tijdens deze reis bewust geworden dat ook ik hier nog mee verbonden was.
Maar nu kon ik het in liefde van mijzelf losmaken.

Eén van de Engelenwachters heeft na deze reis alle banden met deze sferen doormidden gesneden met het zwaard dat hij bij zich droeg.

Nu zit ik tegen de stam van de boom aangeleund en voel mij vrij.

Ik voel me bevoorrecht dat ik deze reis mocht maken en dat we dit op kunnen schrijven.
Zodat iedereen die ooit hier naartoe komt, net als ik, de zwaarte van het aardse leven achter zich kan laten.
En dat de mensen die het nu nog ervaren, in een snel tempo naar het licht kunnen gaan, voordat de aarde verandert.