wat is het leven toch zwaar
alle vragen die ik stel
ben ik vergeten wie ik ben.
wat betekent nu hemel en hel
wat is een gevallen Engel
valt in het diepste van het dal,
mijn wereld maakt hetzelfde mee
nu begrijp ik dat Bijbels verhaal
wij zijn als die gevallen Engelen
wij vielen met elkaar,
de diepte hangt van liefde af
en hoe goed wij zijn voor elkaar
maar ook in jezelf kun je diep vallen
tot je niet dieper kunt
dan schijnt alleen het licht nog boven je
dat geluk en liefde brengen zal
je kruipt langzaam uit die leegte
je begrijpt het leven goed
je mag steeds meer antwoorden weten
het is jouw geest die jou nu voed
dat is de Engel van het licht
dat jij eens bent geweest
dat viel om van zichzelf te leren
maar nog niet het bewustzijn heeft
wat ieder nu moet leren
is liefde voor zichzelf
de liefde voor zijn geest
dat ooit die Engel is geweest
Wanneer de eerste zonnestralen langzaam naar binnen schenen, kwamen de Engelen over de stralen heen haar slaapkamer binnengelopen.
Ze stonden naast het bed van een vrouw die nog lag te slapen.
Naast haar, op het bed, zat haar Beschermengel die over haar waakte.
Alle Engelen keken naar de vrouw die langzaam wakker werd.
Ze wreef haar ogen uit en keek door het raam naar buiten.
De zon kwam al op en de eerste vogels zongen hun lied.
De vrouw stond op, waste zich en kleedde zich aan.
Ze liep de trap af naar beneden en schonk zichzelf in de keuken een kop koffie in.
De Engelen die naast haar bed hadden gestaan, waren met haar mee naar beneden gelopen, net als haar Beschermengel.
Ze stonden nu met z’n allen in de keuken en wachtten geduldig het moment af dat de vrouw hen nodig had.
De vrouw was eenzaam en huilde vaak.
Ze was haar man verloren en kinderen waren er nooit gekomen.
Vaak zat ze alleen in een stoel naar buiten te staren.
Eigenlijk zat ze te wachten totdat er iemand langskwam, maar veel vrienden had ze nooit gehad.
Het was niet dat ze zich verveelde. Ze had immers veel te doen, maar de avonden waren vaak toch te stil en dan kwam de eenzaamheid.
De Engelen om haar heen waren altijd bij haar.
Ze probeerden uit alle macht om haar te helpen, maar de vrouw had er geen idee van dat er Engelen om haar heen stonden.
Vaak, als ze huilde, zaten ze allemaal om haar heen en troostten haar.
Meestal lukte dit, maar soms was haar verdriet zo sterk dat zelfs de Engelen haar niet meer aan het lachen kregen.
Het was weer avond geworden en opnieuw had de vrouw naar buiten zitten staren.
De tranen vloeiden over haar wangen en zo nu en dan huilde ze zo hard dat de Engelen haar niet meer rustig kregen.
Tegen de tijd dat ze naar bed moest, keek ze in de spiegel en vroeg ze aan zichzelf:
“Hoe lang moet ik zo nog verder leven?”
Verdrietig liep ze de trap op naar boven, waste zich, kleedde zich om en ging in bed liggen.
Haar Beschermengel ging weer op het bed naast haar zitten en de vele andere Engelen stonden om het bed heen.
De Beschermengel keek naar de groep Engelen.
“Kunnen we niets voor haar doen?
Er moet toch iets zijn waarmee wij deze vrouw kunnen laten weten dat ze niet alleen is, maar dat wij er altijd voor haar zijn.”
Eén van de Engelen kwam naar voren.
“Laten we haar gewoon eens meenemen.
Misschien dat we in de sferen iets voor haar kunnen doen.”
De Beschermengel haalde heel voorzichtig het astrale lichaam van de vrouw uit het fysieke lichaam en de Engelen tilden haar gezamenlijk mee de kamer uit.
In het Hiernamaals maakten ze haar wakker.
De vrouw keek verwonderd om zich heen en zag rondom haar allemaal mooie Engelen staan.
Eén Engel was wel heel bijzonder.
Dat was ook de Engel die naar haar toe kwam gelopen.
Hij zei:
“Wij hebben je hier naartoe gehaald, omdat je ons in deze sferen wél kunt zien, horen en voelen.
Wij zijn altijd bij u geweest, maar u heeft ons niet opgemerkt.
Als u huilde, troostten wij u, maar we maakten u ook weer aan het lachen.
Ons hart huilt wanneer wij u zo in de avond voor het raam zien zitten.
Wij willen u laten weten dat wij elk minuut van de dag bij u zijn.
En als u slaapt, zullen wij u meenemen naar hier, zodat u ons kunt zien.
Praat overdag met ons.
Weet dat wij er zijn, ook al ziet u ons niet.
U moet erin geloven, het vertrouwen hebben en liefde voor ons hebben.
Dat is het enige wat wij van u vragen.
Weet dat we om u heen staan als u weer moet huilen.
Loopt u de trap af, dan lopen wij achter u aan.
Zit u aan de keukentafel, dan zitten wij er ook.
Alles wat u doet, doen wij met u mee.
Wij geven kleine cadeautjes, zoals een veertje of een vogeltje dat voor het raam zit.
Vlinders zijn zulke mooie dieren die de liefde overbrengen van een dierbare.
Er zijn zoveel tekens, zoveel inzichten… maar u moet daar wel voor openstaan.
Zonder dit alles zal er geen geloof zijn en zullen de sluiers tussen ons en u gesloten blijven.”
De vrouw keek naar de Engelen en heel voorzichtig raakte ze hen één voor één aan.
Ze voelden allemaal net even anders aan, maar allemaal waren ze zo begaan met haar en zo liefdevol.
“Kom maar mee,” zei haar Beschermengel, “ik breng je weer naar huis.”
Via de zonnestralen die de slaapkamer binnenstroomden, liepen de Engelen haar kamer weer binnen.
Ze legden de vrouw terug in haar lichaam en gingen om het bed heen staan.
Langzaam opende de vrouw haar ogen.
Ze keek om zich heen, maar zag niets.
Had ze dit nu gedroomd? Was het echt waar of niet?
Wat hadden de Engelen in haar droom ook alweer gezegd?
Om de Engelen te kunnen voelen moest ze in hen geloven, het vertrouwen hebben… en hen liefhebben.
Oh ja, en ze moest met hen praten.
De vrouw vond het ergens best raar, maar wat kon haar het schelen.
Ze had niemand waar ze tegenaan kon praten en nu waren er in haar droom Engelen geweest die zeiden dat ze met hen in contact kon blijven.
De vrouw lachte en zei op een vrolijke toon:
“Goedemorgen Engelen, fijn dat jullie weer bij me zijn.”
Vanaf die dag kreeg de vrouw mooie inzichten.
Ze zag vlinders, veertjes en de kleinste vogeltjes aten uit haar hand.
Ze is geen avond meer eenzaam geweest…
Ze had immers de Engelen om haar heen.
“Mama, mama, waar ben je?!”
Moeder keek achterom en zag haar zoon staan.
“Hier ben ik! Vlakbij de appelboom!”
Haastig rende de kleine jongen naar zijn moeder en hield de benen van zijn moeder stevig vast.
“Wat is er, mijn kind? Is er iets gebeurd? Ben je bang?”
Het kleine mannetje keek omhoog naar zijn moeder.
Kleine kristallen tranen dropen over zijn bolle wangen naar beneden.
Moeder ging op haar knieën zitten en keek haar zoontje recht in zijn betraande ogen aan.
“Wat is er, mijn kind? Waarom huil je zo? Kom, vertel het mij maar.”
Moeder ging weer staan en pakte het kleine handje van haar kind vast.
Samen liepen ze naar de appelboom en onder de appelboom stond een bankje. Moeder tilde haar kind op en nam hem op schoot.
“Kom, vertel me nu maar eens wat er aan de hand is.”
Het kleine kereltje droogde eerst zijn tranen en keek toen zijn moeder aan.
“Mama, ik ben zo bang dat u straks doodgaat en dat ik alleen achter moet blijven.”
Moeder lachte zacht.
“Maar lieverd, ik ga nog lang niet naar de Hemel,” en ze probeerde haar kleine mannetje aan het lachen te maken.
Het jongetje was nog niet overtuigd.
Hij besloot het vanavond aan de Engel te vragen.
’s Avonds, bij het naar bed gaan, las zijn moeder hem nog een verhaaltje voor.
Nadat zij hem een nachtzoen had gegeven en het licht had uitgedaan, ging hij op zijn knietjes voor het bed zitten.
Hij vouwde zijn handjes en begon te bidden:
“Lieve Engel, ik ben zo bang dat mijn moeder doodgaat en dat ik dan alleen achterblijf.
Wat moet ik doen als dat echt gebeurt? Waar moet ik dan naartoe?”
Het kleine ventje huilde zachtjes en smeekte om een antwoord.
Huilend kroop hij terug in zijn bedje, waar hij in een diepe slaap viel.
Hij droomde over een licht… een prachtig wit licht.
Dit licht scheen door de appelboom op zijn gezicht.
Als hij goed keek, zag hij iemand staan. Een oude man.
Het licht werd feller en feller en opeens stond de oude man naast hem.
“Hallo kleine vent. Wat doe jij hier?”
De jongen keek eens om zich heen en hij zag de prachtigste bloemen.
Hij zag de kleurrijkste vogels en vlinders dwarrelden om hem heen.
“Ik had een vraag,” zei de jongen opeens en keek de man dringend aan.
“Ik heb je vraag gehoord,” zei de oude man.
“Iedereen gaat een keer naar het Hiernamaals. De één wat eerder dan de ander.
Ik heb het een en ander voor je uitgezocht en ik kan je met vreugde zeggen dat je moeder nog lang niet naar de Hemel gaat.
Ze wil jou eerst zien opgroeien en gelukkig zien worden.
Pas als ze oud is en alles gedaan heeft wat ze wilde doen, dan komt ze terug naar huis.
Dus… geniet van haar. Ze is zo gelukkig met jou.”
Het jongetje knikte blij.
“Kom… ik wil je iets laten zien.”
Hij nam het kleine handje in de zijne en samen liepen ze door Zomerland.
Het jongetje keek zijn ogen uit.
Hij zag kindertjes spelen, rennen, klauteren en lachen.
“Dit is Zomerland,” zei de man. “Hier zijn alleen maar kindertjes.
Soms komen hier ook kindertjes naartoe die nog op Aarde wonen.
Ze komen dan ’s nachts in hun dromen hier spelen.
Ik wil je vragen of het jou ook leuk lijkt om in je dromen naar ons toe te komen.
Dan kun je hier heerlijk spelen en dan eten we koekjes en drinken we zelfgemaakte limonade.
Je kunt ons dan vertellen wat je die dag allemaal beleefd hebt.”
De jongen keek verwonderd om zich heen en knikte blij van ja.
“Fijn!” zei de oude man.
“Ik kom je morgenavond ophalen en dan breng ik je ook weer thuis.”
De jongen was blij.
Hij zwaaide naar een groep kinderen die naar hem stonden te kijken.
“Morgenavond kom ik weer hier!” riep de jongen, en de kinderen juichten.
“Kom, ik breng je thuis,” zei de man.
De jongen pakte de hand van de oude man en samen gingen ze langs de uren van de tijd… naar beneden, zijn warme bedje tegemoet.
Een vrouw kwam haar huisje uit.
Ze had dit huisje zelf uitgezocht, kort nadat ze hier was aangekomen.
Het leek op het huis waar ze ooit in de grote stad had gewoond, maar nu had ze een grotere tuin en geen buren boven of naast zich.
Ze had bewust een klein huisje gekozen, meer had ze niet nodig.
In de Hemel was materie immers geen noodzaak.
Alles wat ze zich voorstelde, verscheen vanzelf.
In het begin had ze dat nog vreemd gevonden.
Wanneer ze dacht aan rode rozen, stond haar hele tuin ineens vol met geurende bloemen. En als ze dacht aan haar familie, stonden haar ouders en haar broer plotseling naast haar.
Ze ging zitten voor haar huisje en dacht terug aan precies een jaar geleden.
Op deze dag had ze afscheid genomen van haar man en haar kinderen.
Het was zwaar geweest, maar ze kon niet anders.
Ze was uitgeput van het ziek zijn, van het leven zelf.
Na haar aankomst in de Hemel had ze lange tijd nodig gehad om te herstellen.
In de zogeheten heel-kamers had ze mogen rusten en loslaten.
Alles wat zwaar had gevoeld, mocht ze daar achterlaten.
Haar ouders waren vaak bij haar geweest.
Ook haar broer en een goede vriendin, die eerder was overgegaan kwamen regelmatig langs.
Ze werd omringd door zoveel liefde dat de strijd die ze als mens had gevoeld langzaam uit haar systeem verdween.
Ze was vrij geworden.
Ze glimlachte en dacht aan haar kinderen.
Ze kon hen bezoeken wanneer ze wilde, zelfs tegelijk.
Dat was één van de mooiste gaven hier.
In het begin had haar Engel haar daarbij geholpen, maar inmiddels kon ze het zelf.
Ze was al vaak bij hen langs geweest en had de pijn en de druk gezien die zij droegen.
Ze keek om zich heen.
Overal stonden prachtige huisjes.
Iedereen mocht zelf kiezen hoe en waar hij of zij wilde wonen.
De tuinen stonden vol bloemen en de mensen waren vriendelijk en warm.
Plotseling stonden haar vader en moeder naast haar.
“Dag, mijn lieve schat,” zei haar moeder.
“Wij willen je ergens mee naartoe nemen.
Naar iets bijzonders… iets wat je vorig jaar hebt gemist, omdat je toen nog aan het herstellen was. Ga je mee?”
De vrouw knikte.
Met hun gedachten verplaatsten ze zich naar een groot plein.
Rondom het plein stonden kleine, kleurrijke huisjes.
In het midden stond een grote fontein waar zilverkleurig water sprankelend omhoog spoot.
Mensen kwamen uit hun huisjes en verzamelden zich op het plein.
“Wat gaat er gebeuren?” vroeg ze.
Haar vader glimlachte.
“Ook in de Hemel vieren we feest.
Dit is een welkomstfeest voor de zielen die hier zijn aangekomen.
Jullie zijn opnieuw geboren en dat vieren we.
Wanneer de parade voorbij komt, volgen we die.
Daarna word je naar voren geroepen en gezegend.
Pas dan ben je klaar om hier je taak te vervullen.”
Ze keek hem aan, verwonderd en blij.
“Kijk,” zei haar moeder zacht. “Daar komt de parade.”
Voorop liepen dertien Gouden Engelen.
In hun handen droegen ze palmtakken en witte lelies.
Achter hen volgden wagens, versierd met gouden en zilveren bloemen, badend in een onbeschrijfelijk licht.
Op de wagens stonden Engelen en Opgestegen Meesters.
Ze zwaaiden liefdevol naar de menigte.
Op de voorste wagen zag ze Boeddha zitten en andere Meesters die ze niet bij naam kende, maar waarvan ze de liefde voelde.
“Ik wil net als zij worden,” fluisterde ze.
Haar vader glimlachte.
“Zij zijn klaar met hun aardse lessen. Ze hoeven niet meer terug. Wanneer wij ook klaar zijn, zullen we net zo stralen.”
Toen de stoet voorbij was, volgde de menigte de wagens.
Iedereen had nu een witte lelie in de hand en zong een prachtig lied.
Met betraande ogen keek ze haar moeder aan.
“Zing maar, mijn kind,” zei ze zacht.
En ze zong uit volle borst.
Ze kwamen aan op een nog groter plein.
Rondom stonden 101 hoge palmbomen, versierd met bloemen en lichtgevende slingers. Het leek alsof alles hier betoverd was.
De wagens stonden in een cirkel opgesteld.
De mensen verzamelden zich in het midden.
Haar vader pakte haar hand.
“Kom, ik breng je naar voren.”
Samen liepen ze door de menigte tot aan een wagen met Opgestegen Meesters.
Een glazen trap schitterde in het licht.
Plots werd het stil.
De eerste naam werd afgeroepen.
Een man liep naar voren, knielde, en Boeddha tekende een symbool op zijn voorhoofd.
“Iedere ziel wordt gekoppeld aan een Meester uit dezelfde zielengroep,” fluisterde haar vader. “Die begeleidt je hier verder.”
Ze knikte.
Ze voelde zich aangetrokken tot één specifieke wagen.
Naam na naam werd afgeroepen.
Toen…
hoorde ze haar eigen naam.
Nederig liep ze naar voren.
Een vrouw in een schitterende blauwe mantel daalde de trap af en sloot haar liefdevol in haar armen.
“Dag mijn kind. Je bent eindelijk thuis. Ik zal jouw Meester zijn.”
Samen liepen ze de trap op.
De Meester sprak tot de menigte: “Draag mijn kind in uw hart.
Zij is teruggekeerd van een lange reis.
Ik stel u voor: mijn dochter, Anne-Marie.”
Ze knielde en kreeg een teken van heilige olie op haar voorhoofd.
“Sta op, mijn kind. Vanaf nu sta je onder mijn leiding.
Zie dit als een nieuwe doop, een doop in het heilige der heiligheid.”
Toen ze de trap afliep, brak er applaus uit.
Haar vader stond beneden met open armen.
“Welkom, mijn kind. Nu ben je klaar om je taak op je te nemen.
Dit was jouw doopfeest in de Hemel.”
Zodra de eerste zonnestralen over het land heen dwalen, wordt een jonge vrouw wakker.
Ze kijkt uit het raam en begint te glimlachen.
Ze vindt het fijn als de zon schijnt en dat ze dan haar dagelijkse rituelen kan doen.
Als het regent is de energie weer heel anders.
Niet dat die dan minder mooi is, integendeel, maar de zon verwarmt en laat een stille, zachte vorm van liefde achter.
In tegenstelling tot de regen, die zorgt voor een versnelde energie van groei, waardoor de liefde van de zon nog groter aanvoelt.
Snel springt ze uit haar bed en wast zich bij de pomp die naast haar huis staat.
Het water dat rechtstreeks uit de bron komt is heerlijk verfrissend.
Wanneer ze weer binnen is, doet ze haar jurk en schoenen aan en steekt haar haar omhoog. Ze pakt een appel van de fruitschaal die op tafel staat en loopt haar tuin in.
Ze heeft een prachtige tuin gecreëerd in cirkels van verschillende hoogtes.
De kruiden staan in het midden van de tuin, omdat die beschermd moeten worden door middel van de andere hoogtes en gewassen.
Daarna komen de bladgroentes en de knollen.
De bloemen staan wat hoger, maar weer lager dan de struiken.
Ze heeft kleine paadjes tussen de gewassen door gemaakt, zodat ze overal goed bij kan.
Om de cirkel heen heeft ze fruitbomen staan, met daartussen bessenstruiken.
Elk kruid, elke groente, bloem, struik of boom heeft zijn eigen energie en liefde, maar ook zijn eigen kwaliteit en identiteit.
De jonge vrouw kijkt naar de vier meditatieplekken die ze in de tuin heeft gecreëerd, waar ze kan zitten als ze contact met Moeder Aarde wil maken.
Deze plekken staan op de vier windstreken en zijn mooi aangelegd met gras en bloemen.
Tussen de gewassen heeft ze kristallen, amethisten en rozenkwartssteentjes neergelegd, zodat alle verbindingen en energieën als één aanvoelen.
Ze pakt haar mandje en loopt naar beneden, naar waar de kruiden groeien. Voorzichtig knielt ze voor hen neer.
Ze vouwt haar handen in elkaar en zegt: “Lieve Moeder, mag ik vandaag iets van uw kruiden gebruiken voor een speciaal iemand die het zo nodig heeft?”
Dan wacht ze heel even en voelt een zachte tinteling door haar lichaam stromen.
De Moeder heeft gesproken.
Ze doet alles voor haar kinderen om hen te helpen, als het vanuit onvoorwaardelijke liefde gebeurt.
De jonge vrouw pakt haar tangetje en zegt tegen het kruid: “Ik heb maar een klein takje nodig, zou je het aan mij willen afstaan?”
Het kruid zegt niets, maar de Deva’s die zijn komen aanvliegen, bevinden zich nu om het takje heen.
De vrouw knipt het takje af en de Deva’s gaan onmiddellijk aan het werk.
Ze strooien goudstof op het afgeknipte stukje, zodat het kruid geen pijn lijdt en het takje verder kan groeien.
Eén van de Deva’s komt dichterbij en zegt op lieve, vrolijke toon: “Heb je nog meer nodig, lief kind? Wij helpen je graag.”
De vrouw knikt en vertelt welke kruiden ze nodig heeft om een tinctuur voor een huidprobleem te maken.
De Deva’s vliegen meteen alle kanten op en vertellen haar welke kruiden goed zijn voor deze kwaal.
Bij ieder takje dat ze mag afknippen, zijn de Deva’s aanwezig om het plantje te verzorgen.
Nadat ze alles heeft verzameld, legt ze bij ieder kruid een klein kristal neer.
“Dank jullie wel,” zegt ze liefdevol.
“Onze Moeder en ik zijn jullie dankbaar.”
Ze vouwt opnieuw haar handen, bedankt de Deva’s en bedankt Moeder Aarde voor haar gulle gebaar.
Er woont een oude man aan de rand van het dorp.
Hij had haar eergisteren opgezocht en verteld over zijn kwaal, een wond op zijn been die maar niet wilde genezen.
Hij had van alles geprobeerd.
Zelfs de priesteressen in de tempel hadden hem een smeersel gegeven, maar de kwaal was teruggekomen.
Mensen hadden hem naar deze vrouw gestuurd.
Zij genas op een andere manier.
De oude man had gehoord dat zij ook een kind van Moeder Aarde was, maar niet was opgeleid tot priesteres.
Haar ouders hadden de veranderingen in de tempels gezien en besloten dat dit niet haar weg was.
Samen met haar tweelingbroer had ze een oude leerschool bezocht, een school die nog zuiver aanvoelde.
Daar was iedereen gelijk en stond men in diep contact met De Moeder.
Ze had tegen de oude man gezegd: “Kom over precies een week terug, bij zonsopgang.” Een week later had ze de tinctuur klaar en in een klein flesje gegoten.
Ze liep de tuin in, naar de kleinste cirkel.
In het midden had ze een gat gemaakt waarin ze de mooiste kristallen had gelegd.
Voorzichtig plaatste ze het flesje erop en vroeg Moeder Aarde om het elixer extra kracht te geven.
Toen de zon onderging en de vogels zongen, ging ze op een meditatieplek zitten.
Ze sloot haar ogen en voelde hoe ze de Aarde in werd getrokken.
Daar zag ze Moeder Aarde, met rood haar en een groene jurk, bezet met robijnen.
“Mijn lief kind,” zei ze, “wat kan ik vanavond voor je betekenen?”
De vrouw vroeg om inzicht voor de oude man.
Moeder Aarde glimlachte.
“Vraag hem morgen in de tuin te helpen. Leer hem dankbaarheid.
Door beweging en contact met de natuur zal hij mij weer voelen.
De tinctuur zal hem healen, maar de tuin zal hem genezen.”
De volgende ochtend kwam de oude man.
Ze namen samen het elixer uit de tuin.
Daarna vroeg ze hem haar te helpen.
Hij twijfelde, hij was oud en zwak.
Maar ze zei: “Het gaat niet om snelheid, maar om liefde.”
Toen hij zich bij een plant boog, verschenen de Deva’s.
Hij zag hen… en huilde van verwondering.
Dag na dag hielp hij.
Zijn stok had hij al snel niet meer nodig.
Na een week liep hij zonder steun.
Na nog een week was zijn been genezen.
Hij bleef komen, jaren lang.
Tot hij, vervuld van liefde voor Moeder Aarde en haar natuur, vredig insliep.
Hij had zijn leven een andere wending gegeven… door te luisteren naar wat de natuur van hem vroeg en haar onvoorwaardelijke liefde terug te geven.
