Waar gaan wij naartoe oma?’ vroeg een
meisje, lopend aan de hand van haar oma. Oma keek en lachte naar haar.
‘Jij bent mijn Engel en jij mag terug naar Aarde.’
Het meisje keek met grote ogen oma aan: ‘Naar de Aarde?’
Oma keek nu niet zo blij, haar gezicht stond strak en ze ging wat sneller lopen.
‘Oma, waarom loopt u zo snel?’
Oma liep nu wat rustiger en zei: ‘We moeten opschieten, anders missen we de trein.’ Haar kleindochter begreep het en liep nu zonder protest met haar oma mee.
Op het perron was het druk, er stonden allemaal meisjes en jongens die net als zij met de trein meegingen.
Alle voorouders waren meegekomen om de kinderen uit te zwaaien.
Er hing een gespannen sfeertje op het perron, het zou een afscheid voor een lange tijd worden.
Vanuit het geroezemoes, riep een man met een luide stem: ‘Kijk daar komt de trein!’ Iedereen keek vol spanning dezelfde kant op.
Een grote zware locomotief reed het station binnen.
Grote stoomwolken blies hij de lucht in en er waren wel duizend wagons aan de locomotief gekoppeld. Iedereen hield even de adem in.
Ze keken vol bewondering naar hoe dit grote gevaarte het station binnen reed.
De trein stond stil, de deuren werden geopend en de machinist van de trein riep: ‘Iedereen instappen!’
Het meisje draaide zich om naar haar oma en vroeg: ‘Oma, u gaat toch ook mee naar de Aarde?’ Oma keek haar kleindochter in haar grote ogen aan en zei: ‘Nee mijn kind, dit is jouw laatste reis naar de Aarde en jij mag daar met al deze kinderen een prachtige tijd hebben.’
Het maakte het meisje wat verdrietig, omdat ze haar oma achter moest laten.
Maar van de andere kant werd ze ook wel weer blij, want het leek net een schoolreisje.
Het was tijd om in te stappen en heel even pakte oma haar kleinkind stevig vast: ‘Wat er ook gebeurd en wat je ook mee zult maken, weet dat diep van binnen er altijd een uitweg is!
Al is het nog zo zwaar en denk je dat je geen uitweg meer ziet, weet dan dat die er altijd is!’ Het meisje begreep het niet, de Aarde leek haar zo leuk en bijzonder, ze had er zoveel leuke dingen over gehoord.
Ze stapte in, de deuren gingen dicht en ze ging bij het raam zitten.
Ze zag haar oma op het perron staan.
Ze lachte, maar ze lachte niet zoals anders.
Ze zwaaide met een verdrietig lachje op haar gezicht.
Terwijl de trein langzaam begon te rijden, keken ze elkaar nog één keer aan en het meisje wist dat dit geen leuk reisje zou worden, maar een reis met zware beproevingen. Tranen rolden over de wangen van het meisje dat begon te huilen om het gemis van haar oma en de opkomende onrust.
De reis duurde lang en ze was in slaap gevallen.
Toen ze wakker werd, kreeg ze trek in wat eten.
Naast haar was een jongen komen zitten, een aardige jongen van ongeveer dezelfde leeftijd en hij at een boterham.
‘Jij hebt boterhammen bij je’, zei ze spontaan.
‘Ja’, zei hij, ‘wil jij ook?’ en hij gaf haar een boterham.
‘Weet jij waar wij naar toe gaan?’ vroeg hij haar.
Zij knikte: ‘Ja, naar de Aarde.’
De jongen keek haar even aan en at zijn boterham verder op.
‘Ben jij wel eens naar de Aarde geweest?’ vroeg zij aan de jongen.
Hij knikte van ja en zei: ‘Maar kan me daar niets meer van herinneren’ en hij stopte het laatste stukje brood in zijn mond.
Het meisje keek weer naar buiten.
Ze begon een beetje bang te worden en hoe meer ze erover nadacht des te erger het werd. Langzaamaan reed de trein zachter, het eerste station was bereikt.
Door een luidspreker werden de namen van de kinderen genoemd die uit moesten stappen. De namen van de jongen en het meisje werden niet genoemd.
Op het perron stonden allemaal nieuwe ouders.
Ze omhelsden de kinderen die waren uitgestapt en alle kinderen waren blij.
En met deze beelden achterlatend, reed de trein langzaam het stationnetje uit.
Uren waren voorbijgegaan en nog steeds zaten ze in die lange trein.
Er waren inmiddels nog meer kinderen uitgestapt op de andere stationnetjes en overal stonden ouders te wachten op hun kinderen.
Na een paar uur rijden kwamen ze opnieuw op een station aan en weer werden er namen afgeroepen.
Met een schok hoorde het meisje dat haar naam afgeroepen werd.
Het jongetje met wie ze al die tijd was opgetrokken, begon te huilen: ‘Je mag niet uitstappen, je mag niet!’ snikte hij.
Wat moest ze doen, ze wilde ook niet uitstappen, ze wilde bij hem blijven.
Maar ze zag ook al die blije mensen op het perron staan, het was één groot feest.
Ze keek naar het jongetje wat zo verdrietig was en bang om alleen gelaten te worden en zei: ‘Mijn vriendje, ik zal altijd bij je blijven.’
De deuren sloegen dicht en langzaam begon de trein te rijden.
Op het lege perron bleven een papa en mama achter.
Urenlang bleef de trein rijden en weer passeerde de trein stationnetjes, maar de naam van het jongetje zat er telkens niet bij.
Elke keer als ze een stationnetje naderden werden ze stiller en stiller en dachten ze dat ze afscheid van elkaar moesten nemen.
Langzaam reed de trein weer een stationnetje binnen.
Ze zaten dicht tegen elkaar aan, met de ogen stijf dicht geknepen en met beider handjes strak in elkaar gevouwen, te bang om van elkaar gescheiden te worden.
Daar hoorden ze allebei zijn naam, ze waren verstijfd van schrik.
Wat moesten ze doen?
Nu zei het meisje op haar beurt: ‘Laat me niet alleen, alsjeblieft.’
Het jongetje huilde dikke tranen en kon niets anders dan haar vasthouden en blijven zitten. De deuren werden gesloten en weer reed de trein langzaam het station uit.
Op het perron bleven een dame en een heer alleen achter.
De trein vermeerderde vaart, ging steeds sneller rijden en verliet de Aarde.
Het jongetje en het meisje waren nu nog de enige passagiers van deze trein en ze wisten niet waar ze heen gingen.
De trein ging nog sneller rijden.
Het ene station na het andere stoven ze voorbij, tot opeens de trein volop remde en stil stond. De kinderen wisten meteen dat ze waren ontdekt.
De machinist had nog twee namen van de kinderen die niet waren uitgestapt in zijn lijst staan. Ergens in ‘het Niemandsland’ stonden ze stil, het was nog geen middag, maar de zon stond al hoger dan normaal.
Het was warm en het was er stil, heel stil.
Het meisje deed het raampje open en stak haar hoofd naar buiten.
‘Zie je iets?’ vroeg de jongen. ‘Nee, niets’, zei het meisje. In de verste verte was er geen beweging te zien en het leek net alsof alles stil stond. Het was windstil.
De bomen, het gras, de bloemen langs het rails, niets bewoog.
Ze hoorden geen enkel geluid.
‘Wat raar’, zei ze. Ze ging weer zitten en keek het jongetje aan: ‘Wat moeten we nu?’ ‘Misschien kunnen we op zoek gaan naar de machinist en hem eerlijk vertellen wat wij hebben gedaan. Want haar oma had gezegd: ‘Er is altijd een uitweg. En de enige die ons nu nog kan helpen is de machinist.’
De jongen knikte bedroefd en samen liepen ze naar voren.
Bang voor wat er ging komen.
Na een aantal uren kwamen ze aan bij de locomotief, daar zagen ze de machinist door een raampje zitten. Ze liepen hand in hand naar de deur en klopten aan.
De deur ging open en voor hen stond een grote man.
Hij had prachtige azuurblauwe ogen en hij lachte naar de kinderen.
‘Welkom in mijn trein’, zei de man. ‘Hebben jullie genoten van de reis?’
De kinderen knikten van ja, maar ze waren eigenlijk heel bang geweest.
Niet bang voor de reis zelf, maar vanwege het feit dat ze uit elkaar moesten.
De man wist allang dat hij achterblijvers bij zich had en vroeg aan hen: ‘Waarom zijn jullie niet uitgestapt?’
Beide kinderen keken met onschuldige ogen omhoog naar de man.
‘Wij waren bang, bang dat wij elkaar niet weer zouden zien.
Wij wilden graag bij elkaar blijven’,
zei het meisje.
De man dacht eens na. ‘Ik heb een goed idee. Als ik jullie nu eens naar de Witte Engelen breng? Zij beantwoorden al jullie vragen. Zijn jullie dan bereid om uit te stappen, op het stationnetje
waar jullie eigenlijk uit hadden moeten stappen?’ vroeg de machinist.
De twee kinderen knikten van ja en haalden opgelucht adem.
Ze gingen samen op het bankje naast de machinist zitten en langzaam begon de trein weer te rijden.
De trein ging steeds sneller en sneller, passeerde station na station, grote pluimen rook stegen op en op een gegeven moment ging de trein zo snel dat je niet eens meer kon zien waar je was. In snelle flitsen ging de trein door de tijd en ruimte en opeens trapte de machinist op de rem.
‘We zijn er, Station de Zon’, zei de machinist.
‘Jullie kennen de Zon wel hè, maar de Zon is in het echt heel anders dan jullie geleerd hebben. Jullie hebben geleerd dat de Zon warmte geeft en dat hij zorgt voor de Aarde. Dat doet hij ook, maar wat jullie niet weten is dat de Zon een stationnetje is.
Een stationnetje waar mensen in- en uit
stappen. Kom laten wij uitstappen’, zei de machinist. De deuren werden geopend en op het perron stond een gids.
De gids en de machinist begroetten elkaar en ze namen beide kinderen bij de hand. ‘Kom’, zei de gids, ‘laten we daar gaan kijken.’
En hij wees naar een groot plein.
Ze liepen richting het grote plein en op dat plein stonden allemaal kleine wagentjes die geen wielen hadden, maar op wolken dreven.
‘Je kunt met deze wagentjes door het heelal reizen’, zei de gids. ‘Je kunt naar Mars, of naar de Maan of naar een mooie Ster. Alles is mogelijk.’
‘Kom’, zei de gids, ‘ik zal jullie iets leuks laten zien.’
Samen met de machinist en de gids stapten ze in.
Heel langzaam ging het wagentje omhoog en boven de grond ging het zwevend vooruit. Eerst heel langzaam daarna sneller en sneller, totdat ze op hun bestemming aankwamen.
‘Allemaal uitstappen!’ zei de machinist lachend. ‘Waar wij nu zijn is een groep sterren’, zei de gids, ‘sterren die heel dicht bij elkaar liggen.
Deze sterren hebben een poort. Die poort zorgt ervoor dat alle gebeurtenissen die geweest zijn, alle emoties en gedachten die je als mens hebt meegemaakt hier opgeslagen liggen. Wij noemen dit de kronieken van het leven.
Als je hier komt, kun je inzien wat je hebt gezegd en wat je hebt gedaan, maar ook wat je nog mag doen. Willen jullie een kijkje nemen in deze poort?’ vroeg de gids.
De kinderen knikten instemmend ja. Wat kon er gebeuren
Het meisje ging als eerste de poort binnen.
Binnen zaten twaalf Engelen in het wit. Hun ogen waren groot en zwart en als je goed keek, zag je een sterrenhemel in hun ogen.
De Witte Engelen lachten naar haar toen ze binnen kwam.
Ze stonden tegelijk op en begroetten haar liefdevol. Een oude Engel nam haar bij haar hand. ‘Kom’, zei hij en liep met haar weg van de andere Engelen.
‘Luister, wat ik jou ga vertellen is moeilijk, maar ik weet zeker dat je het zult begrijpen.’ Ze knikte en luisterde naar wat deze oude Engel haar te vertellen had. ‘Wat ik jou nu ga vertellen en wil laten zien, is iets wat jij nog niet weet, maar ik laat jou dit zien, zodat je bent voorbereid op wat er komen gaat.’
Het meisje knikte weer. ‘Luister goed en kijk naar het scherm, terwijl ik vertel.
Wij zijn net als jij en wij hebben net als jij deze reis afgelegd.
Jij maakt hetzelfde mee als wat wij hebben mee gemaakt.
Jij zal hetzelfde doen als wat wij hebben gedaan.’
Het meisje keek met ongeloof naar de oude Engel.
‘Kijk maar naar het scherm, dat ben jij. Jij bent als ons, jij bent ons en wij helpen jou nu omdat jij nog één reis mag maken, één reis om terug te keren naar ons.
Jij mag nog één reis maken om alles in balans te brengen.
Alles wat je al geleerd hebt, wordt in een sneltreinvaart nog eens aan je geleerd.
Wat niet voldoende in balans is, mag je nog eens overdoen.
‘Kijk maar naar het scherm’, zei de oude Engel nog eens en het meisje keek.
Een hele snelle film werd afgedraaid. Binnen een korte periode zag zij wat ze allemaal al in balans had.
‘Maar’, zei de oude Engel, ‘nu komt de film over wat er nog geleerd moet worden en niet in balans is.’ Het meisje pakte de hand van de oude Engel vast en kneep er zachtjes in. Ze was zo geschrokken, dit kan niet waar zijn, dit is verschrikkelijk!
Met betraande ogen keek ze de oude Engel aan. ‘Waarom ik?’
De Engel sloeg een arm om haar heen en zei: ‘Alles komt goed.’
Teruggekomen bij de Engelen nam ze huilend afscheid van hen.
De oude Engel zei: ‘Ga, leer en weet dat er altijd een uitweg is.’
‘Ja dat zei oma ook’, snikte het meisje.
De oude Engel gaf haar een kus op haar voorhoofd en bracht haar naar de gids.
De gids nam het arme meisje over van de oude Engel en bracht haar naar het wagentje, daar zat de machinist op haar te wachten.
‘Was het zo erg?’ vroeg de machinist, ze snikte en knikte van ja.
Nu was het de beurt aan het jongetje.
De gids nam hem bij zijn hand en liep met hem de poort door.
Alle witte Engelen zaten om een ronde tafel.
Toen ze de jongen zagen begonnen ze te lachen en kwamen op hem af.
Ook de jongen werd liefdevol begroet en hij was zo blij. Hij vond het heerlijk hier bij deze Witte Engelen. Ook hij mocht met de oude Engel mee en kreeg de kans om in te zien wat al geleerd en in balans was en wat er nog moest gebeuren.
Het zou niet makkelijk worden, dat wist hij al.
De oude Engel zei: ‘Ik wil je nog iets laten zien, iets wat je vriendinnetje niet heeft gezien. Het gaat over jullie nieuwe weerzien.’
De jongen keek naar het scherm. Hoe meer hij zag hoe blijer hij werd.
Hij zag de toekomst, hij zag haar nu als vrouw en zichzelf als man en ze waren bijna aan het einde van de reis die ze straks samen mochten maken.
‘Wat zullen we een prachtig en fijn leven hebben’, zei de jongen en straalde van geluk. De Witte Engelen namen afscheid van hem en de oude Engel zei: ‘Weet dat wij er altijd zijn, vraag aan ons de hulp die je nodig hebt en wij staan voor jullie klaar.’ De oude Engel gaf de jongen over aan de gids die bij de poort stond te wachten.
Hij liep aan de hand van de gids terug naar het wagentje.
Het meisje zat stil te wachten, totdat hij terug zou komen.
Na een tijdje was daar haar vriendje blij en opgelucht, hij straalde.
Ze was in de war door hem. ‘Hoe kan dit?’ vroeg ze aan hem.
De jongen lachte: ‘Eerst is het moeilijk, maar daarna… Heerlijk, wat word ik gelukkig.’ Hij keek haar plagend aan. ‘Ik word gelukkig met jou!’
‘Wij gaan elkaar weer zien. Ik heb gezien dat wij samen oud worden.’
‘Ik heb alleen maar veel pijn en verdriet gezien’, zei het meisje, ‘en toen stopte het filmpje.’ ‘Wat ik heb gezien’, zei de jongen, ‘is dat wij elkaar weer gaan zien en heel gelukkig worden.’ Het meisje begon te huilen, ‘maar hoe kan dat dan?’
De machinist stapte in de wagen en keek de beide kinderen aan.
‘Maken jullie je nu maar geen zorgen, wij helpen als jullie denken dat er geen uitweg meer is.’ Toen wist het meisje dat het goed zou komen.
Ze moest net als haar vriendje vertrouwen hebben.
Op de terugweg naar de Zon babbelden ze nog wat over hetgeen ze gezien hadden. En het jongetje zei: ‘Weet dat ik jou zal vinden.
In welk land of welke stad of dorp je ook zit, ik weet dat je op mij wacht.
Laten we afspreken om het nooit op te geven en dat we samen teruggaan.’
Het meisje knikte en sloeg haar armpjes om hem heen. Met een vaart waren ze terug bij de Zon. De gids nam afscheid van beide kinderen en de machinist klom weer achter het stuur van de trein.
‘Riemen vast!’ en met een ruk gingen ze vooruit, steeds sneller en sneller ging de trein, de kinderen vonden het prachtig.
Dikke rookwolken vulden de Hemel en de machinist keek de kinderen ondeugend aan. Hij begon hardop te lachen en trapte het gaspedaal nog wat verder in.
Sneller dan het licht ging de trein en de machinist liet de kinderen het hele melkwegstelsel zien. Ieder aan één kant bij een raam, de neuzen tegen het glas gedrukt, keken ze hun ogen uit.
Na een tijdje ging de trein langzamer rijden, ze passeerden stationnetje na stationnetje, totdat de trein stil stond.
De machinist keek het meisje aan en knikte. Ze was er.
De machinist nam haar in zijn armen,
tilde haar op, gaf haar een knuffel en deed de deur open.
Op het perron stonden twee mensen, een man en een vrouw.
Ze keken boos, ze hadden al de hele tijd staan wachten.
De machinist keek het meisje strak aan: ‘Luister mijn kind, doorleef alles met wat je ook doet, er komt een moment in je leven dat alles anders gaat worden, vertrouw daarop.’ Ze knikte en omhelsde machinist nogmaals.
De machinist zette haar op de grond.
Het echtpaar nam hun kind bij de hand en liepen met haar het station uit.
Net voordat ze het station uitliepen keek ze nog één keer achterom naar het jongetje dat naar haar zwaaide.
Ze wist dat ze elkaar weer zouden zien.
De machinist pakte de lijst met namen en vinkte haar naam af.
Langzaam gingen haar oogjes open.
Een klein meisje lag in de armen van haar moeder.
Ze zag nog niet veel, alleen wat licht en donker.
Ze was zojuist geboren.
Het kleine meisje was zich bewust van wat er zojuist had plaats gevonden.
Ze had haar zieltje in dit kleine omhulsel gelegd en ze zou nu als mens door het leven gaan. Haar laatste reis naar deze prachtige Aarde, met zoveel leed en angst.
Ze had nog heel even de tijd om alles nog een keer na te gaan.
Nog heel even de tijd, totdat de sluier van het Hemelrijk neer zou vallen.
Nog heel even dat scherpe bewustzijn en dan zou het verdwijnen, totdat ze de liefde voor zichzelf zou vinden in dit leven.
Ze moest zich er bewust van gaan worden, dat er nog meer werelden zijn die naast elkaar leven.
Nog heel even en dan stond ze er alleen voor.
Ze hoorde haar gidsen die meegereisd waren dicht bij haar.
‘Lieverd, vergeet nooit dat wij naast je staan.
Vergeet nooit dat wij jou weer thuis brengen.
Vergeet nooit dat de Hemel in jezelf ligt en dat deze liefde je overal brengt, waarheen je maar wilt.’
Het kleine kindje was het niet vergeten. Nee, nu nog niet.
Maar ze voelde de schemer naderen.
Haar gidsen klonken nu verder weg dan ooit.
Nog heel even hoorde het in de verte: ‘Wij staan altijd naast je, vergeet dat nooit!’
En de sluier had de laatste woorden ingehaald.
Ze stond er nu alleen voor in deze grote wereld.
Het kleine meisje huilde zachtjes.
Ze had heimwee, maar ze wist niet meer waarnaar.
Haar nieuwe moeder gaf haar een zoen en zei: ‘Welkom mijn kleine Engel, ik heb op jou gewacht.’
En het kleine meisje snikte……
Wat is er mijn jongen?”
Opa keek zijn kleinzoon aan.
De jongen haalde zijn schouders op. ‘Niks’, zei hij verdrietig.
Opa bukte zich en ging op zijn hurken voor de jongen te zitten.
‘Wat is er? Kom, voor de draad ermee, vertel.’
De jongen begon te huilen.
‘Ik mis mijn vader en moeder zo.’
Opa nam de jongen in zijn armen en de jongen ging nog harder huilen.
Hij troostte de jongen en nam de jongen dicht tegen zich aan op schoot.
‘Zal ik jou eens een mooi verhaaltje vertellen?’ vroeg opa.
De jongen knikte door zijn tranen heen.
Opa begon te vertellen:
‘Er was eens een jongen, en dit jongetje had heel veel verdriet.
Weet jij waarom hij zoveel verdriet had?’ vroeg opa aan zijn kleinzoon.
De jongen schudde zijn hoofd met van nee.
‘Dit jongetje had verdriet, omdat hij net als jij zijn vader en moeder zo miste.
Maar hoe kwam het dat dit jongetje zo’n verdriet had?
Dit jongetje was net als jij in de Hemel aangekomen.
Hij was erg verdrietig, maar net als jij, was hij ook bij zijn opa in de Hemel.
En ook deze opa troostte zijn kleinzoon. Maar dit jongetje bleef verdrietig.
Zijn opa wist zich geen raad, wat moest hij nu doen?
Zijn opa kreeg een goed idee.
Hij hield zijn kleinzoon bij de hand en samen liepen ze de wereld van de Engelen binnen.
Bij de poort stond een grote Gouden Engel.
‘Wat kan ik voor jullie betekenen?’ vroeg de Gouden Engel.
Zijn opa antwoordde: ‘Mijn kleinzoon is verdrietig, ik wil vragen om een beetje hulp.’
Meteen ging het hek open.
Opa en de kleine jongen liepen naar binnen en liepen een prachtig landschap in.
Overal zagen ze bloemen.
De vogels en vlinders dansten om hen heen.
Lieve kleine reeën kwamen uit nieuwsgierigheid naar hen toe.
De kleine jongen aaide er een paar.
Kleine Elfjes lachten en zongen hem toe en vanuit de verte zwaaiden een paar zeemeerminnen naar de jongen. Waar ze ook keken, daar was plezier.
Waar ze maar iets hoorden, daar was gelach. En wat ze voelden, was vrijheid!
Het jongetje en zijn opa keken hun ogen uit. Ze volgden het gouden pad.
Dit pad liep door een prachtig landschap.
Onderweg zagen ze de mooiste bloemen en de liefste diertjes die uit nieuwsgierigheid naar hen toe kwamen, totdat ze bij een ander hek aankwamen.
Een grote Witte Engel stond voor het hek. ‘Wat kan ik voor jullie doen?’ vroeg de Witte Engel.
Zijn opa antwoordde: ‘Dit is mijn kleinzoon. Hij heeft zo’n verdriet en daarom wilde ik hulp gaan zoeken.’
Het hek ging meteen open.
Opa en de kleine jongen vervolgden hun pad.
Weer zagen ze een prachtig landschap, maar het was er zo stil.
Rustig genietend van het stille landschap liepen ze verder, totdat ze bij een derde hek aankwamen.
Bij dit hek stond ook een Engel.
De Engel vroeg niets, maar deed het hek al open.
Opa nam zijn kleinzoon bij de hand en ze liepen door een poort.
Het pad was nog steeds van goud, het landschap was niet veranderd, maar als je goed luisterde hoorde je gelach.
Ze werden nieuwsgierig en liepen snel door.
Het gelach kwam steeds dichterbij en in de verte zagen ze kinderen spelen, heel veel kinderen. Iedereen speelde met elkaar en iedereen had plezier.
Opa en zijn kleinzoon bleven kijken naar al deze vrolijke kinderen.
Wat een prachtig gezicht was dit. De kleine jongen werd blij van deze spelende kinderen.
Hij wilde ook graag meedoen met het spel wat ze speelden.
Opa knikte dat het goed was en de jongen mengde zich al snel in de groep.
Hij werd door alle kinderen verwelkomd en ze vonden het prachtig dat hij mee wilde spelen.
Opa keek naar zijn kleinzoon en ging op het gras zitten.
Hij wachtte totdat de jongen uitgespeeld was.
Een Engel had Opa zien zitten en liep naar de oude man toe.
‘Ik zie dat u uw kleinzoon hier heeft gebracht?’
Opa knikte. ‘Hij is nu weer gelukkig’, zei opa en samen keken ze naar de jongen.
‘Moet ik nu afscheid van hem nemen?’ vroeg opa aan de Engel.
De Engel antwoordde: ‘Wij zouden het fijn vinden als u hier bleef en ons komt helpen.’
Dit wilde opa heel graag.
De jongen kwam naar de oude man toe gerend.
‘Opa? Heeft u gezien hoe leuk het hier is?’ Opa lachte.
‘Ja, ik heb het gezien mijn jongen.
Misschien moeten wij eens rond gaan kijken, om te zien wat hier allemaal te doen is.’
De jongen vond dit een goed idee en samen met opa en de Engel verkenden ze ‘het Zomerland’.
De kleine jongen die inmiddels bij opa op schoot zat, sprong er weer vanaf.
Vol blijdschap sprong hij heen en weer.
‘Opa, ik wil ook naar Zomerland!’
Opa stond op en lachte. ‘Kijk daar is het al’, en hij wees met zijn vinger naar een groot hek.
Voor dit hek stond een grote Gouden Engel. De Gouden Engel zwaaide naar hem.
‘Welkom thuis jongen’, zei de Gouden Engel en deed het hek voor hem open.
Nog niet zo lang geleden woonde er aan de rand van het bos een oude vrouw.
Ze woonde in een klein huisje met een rond rieten dakje en met kleine raampjes aan de voorkant. Haar deurtje was groen geschilderd en ze had een schoorsteentje boven op haar rieten dakje staan.
De hele dag bakte ze heerlijke zelfgemaakte koekjes.
De geur van roomboter vermengd met honing, ging dan door haar schoorsteentje zo naar buiten. Het hing als een zoete deken over haar huisje heen.
Ze maakte ook zelf limonade.
Elke ochtend, wanneer de zon opkwam, ging ze naar het bos en plukte dan de lekkerste vruchten die ze maar kon vinden.
En als ze dan weer thuis kwam, maakte ze van die zoete vruchten de lekkerste limonade. Deze oude vrouw was een hele lieve vrouw.
Elke nacht kwamen alle kindertjes naar haar toe.
Ze gingen dan samen in een kring zitten en praatten over de leuke dingen die ze die dag hadden meegemaakt.
Soms was er een kindje verdrietig, die mocht dan bij haar op schoot zitten.
Iedereen was muisstil als ze één van haar mooiste verhalen vertelde.
Voordat iedereen naar huis ging, kregen ze van haar een zelfgebakken koekje en een lekker glas zelfgemaakte vruchten limonade.
En tot slot zongen ze met zijn allen nog een paar leuke kinderliedjes.
Op een dag zag een man in de verte een huisje staan.
Een huisje waar rook uit de schoorsteen kringelde.
Hij rook de zoete geur van koekjes. Koekjes die hij ooit als kind eens had gegeten.
Hij zag een oude vrouw met om haar heen een grote kring met kinderen.
Eén kindje zat bij haar op schoot, ze had gehuild.
Dat zag hij aan haar rode oogjes en haar betraande wangetjes.
Hij stapte wat dichterbij, glimlachte en stak zijn hand op.
‘Hallo allemaal, wat gezellig en wat ruikt het hier lekker, is dit soms een kinderfeestje?’ ‘Wij vieren hier elke dag feest meneer’, zei de oude vrouw en ze keek de man met een glimlach aan.
‘Alle kindertjes komen mij elke nacht bezoeken, ze slaan nooit één nacht over.
‘En als er één ziek is?’, vroeg de man.
‘Dan ga ik persoonlijk naar dat kindje toe’, antwoordde de oude vrouw.
‘Maar waarom doet u dit allemaal voor deze kinderen?’
‘Ik doe dit, omdat kinderen zoveel vreugde, liefde en geluk brengen.
De kinderen weten diep vanbinnen dat er altijd één iemand is die op hen wacht.’
Hij keek nog eens om zich heen naar al die lieve kindertjes.
Hij keek nog eens naar de oude dame.
Haar prachtige heldere blauwe ogen, haar lange zilveren haren opgerold in een knotje op haar hoofd. Haar diepe rimpels en zachte huid van ouderdom.
Hij zuchtte en zei tegen zichzelf: ‘Als iedereen nu eens naar haar toe zou gaan, wat zou de wereld er dan anders uit zien.’
Weer keek de oude vrouw hem met een stralende glimlach aan.
‘Dat doen ze al, maar de grote mensen kinderen zijn mij vergeten.
Alle jonge kinderen komen in het begin van de nacht bij mij langs en alle grote mensen kinderen komen midden in de nacht in een kring om mij heen zitten.
Ze krijgen dan ook mijn zelfgemaakte limonade en de zelfgebakken koekjes.
We praten over wat hen zo bezig houdt.
Waarom ze verdrietig zijn of waar ze bang voor zijn, of waarom ze jaloers of boos zijn geweest. Ze krijgen dan dat gelukkige gevoel, dat gevoel wat ze vroeger als kind ook hebben gehad, nu iedere nacht in hun slaap.
Zo weten ze heel diep van binnen waar echte liefde is en waar ze altijd welkom zijn. Ze gaan altijd opgelucht en blij terug naar bed’, vertelde de oude vrouw.
‘Maar, hoelang doet u dit al?’ vroeg de man met volle verbazing op zijn gezicht.
Ze glimlachte en antwoordde: ‘Dit doe ik al zo lang ik hier ben en dat is al heel erg lang.’ Hij keek haar vol bewondering aan.
Haar gezicht was als een Engel en haar ogen glansden van geluk.
Deze vrouw was puur liefde!
En elke nacht liep de man naar haar huisje.
Ze zochten samen naar de vruchten, hij kneedde het deeg en maakte de kachel aan met de bij elkaar gesprokkelde houtjes.
Hij hielp mee met het bakken van de koekjes en het persen van de vruchten.
Als ze klaar waren stonden ze samen in de deuropening en keken naar de kinderen die hun tegemoet renden. En zo was er elke nacht feest.
Feest met limonade en koekjes.
Daar zat ze dan, krom van het dragen van haar tas.
Haar rug gebogen, haar handen verkrampt, haar schoenen versleten.
Voor zich uit starend zat ze daar op het bankje.
Haar tas, die ze achter zich aan had gesleept, had een diep spoor op het zandpad achtergelaten.
De schemer viel over het landschap, de maan was nieuw en een merel zong zijn laatste lied.
De vrouw rommelde wat in haar tas en haalde een zaklantaarn tevoorschijn.
Ze knipte hem aan en scheen met het licht in haar volle tas.
Eén voor één haalde ze er een aantal doosjes uit en zette deze naast zich op het bankje. Het eerste doosje wat ze uit haar tas haalde, daar zat al haar woede in.
In het tweede doosje wat ze uit haar tas haalde zat jaloezie. In het derde doosje zaten al haar leugens.
Het vierde doosje was gevuld met de angst.
In het vijfde doosje zat hoogmoed en in de zesde haat.
Het zevende en tevens laatste doosje zat vol met haar verdriet.
De vrouw had alle doosjes naast zich op het bankje gezet en overzag haar leven.
‘Alle nare momenten die ik mee heb gemaakt, zitten in deze doosjes en er kan niets meer bij, de tas is te zwaar geworden.
Ik zal iets weg moeten doen, maar welk doosje?’
Eén voor één hield ze de doosjes vast.
Het waren de nare herinneringen uit haar verleden.
Herinneringen, die haar gemaakt hadden tot wie ze nu was, maar ze moest ze nu echt gaan bekijken, anders kon ze niet verder.
Ze pakte het eerste doosje, met grote letters stond daar “WOEDE” op.
Ze opende het dekseltje en keek erin. Ze zag een groot zwart gat.
Een gat wat zo groot was, dat je erin kon verdwalen.
Snel deed ze het dekseltje weer op het doosje.
Ze was geschrokken. Al die jaren had ze datgene waar ze kwaad op was geweest in dit doosje gestopt. Maar nu was alles weg! Waar was haar woede gebleven?
Ze pakte het tweede doosje. Daar stond met grote letters “JALOERS” op geschreven. Ze haalde voorzichtig het dekseltje van het doosje, boog zich voorover en keek.
Ook in dit doosje zag ze een groot zwart gat.
Er was niets meer van haar jaloezie te bekennen.
Ook bij de andere doosjes haalde ze het dekseltje eraf.
Ook daarin was er niets meer te zien.
Alle zeven doosjes waren leeg, alles was donker, er was niets! Hoe kon dit gebeuren? Ze had toch haar hele leven met die zware tas gesjouwd?
Ze kon niet meer verder lopen, omdat haar tas te zwaar geworden was.
Hoe kon ze dit nu verklaren?
Ze leunde achterover en keek nog eens opzij naar haar zeven doosjes.
Opeens moest de vrouw heel hard lachen.
Ze stond op en pakte één voor één de doosjes nog eens op.
Er zit helemaal niets in. Het verleden is weg!
Ik heb alle lasten uit het verleden al die jaren achter mij aan gesjouwd, terwijl er helemaal geen verleden in zit.
Wij denken dat er een verleden is, maar dat zit allemaal in ons hoofd.
De vrouw ging weer op het bankje zitten en keek weer naar de doosjes.
Ze glimlachte. Een gevoel van vrijheid en geluk overspoelde de vrouw.
Ze voelde zich opeens zo gelukkig.
De vrouw stond op van het bankje.
Ze pakte alle zeven doosjes en gooide ze in de prullenbak die naast het bankje stond. ‘Dag verleden’, zei ze lachend, ‘ik heb je niet meer nodig.’
Ze scheen met haar zaklantaarn op het zandweggetje en zag dat ze op een kruising was uitgekomen.
Ze volgde de straal van het licht en sloeg haar nieuwe weg in.
Zonder bagage. Zonder bagage, zonder nare herinneringen.
Ze huppelde van geluk en zon kwam langzaam op aan de horizon en de eerste vogel floot zijn lied.
