Heel even dacht hij dat hij was verdwaald.
Hij keek eens goed om zich heen en zag een andere wereld.
Een wereld die hem eerst vreemd leek, maar na goed kijken zag hij herkenningspunten. Hij was hier al eens eerder geweest.
In een droom was hij mee genomen naar deze plek.
De oude man overzag het beeld en begon te lopen.
Eerst heel voorzichtig een kant op, maar toen hij eenmaal op het pad aankwam, liep hij wat zelfverzekerder.
Hij was op een prachtige planeet aangekomen en nu liep hij door het woud.
Heel in de verte hoorde hij een waterval en de oude man besloot om daar naartoe te lopen. Toen hij de bocht om ging, zag hij een open landschap met in het midden een grote berg. Vanaf die berg, helemaal vanaf de top, stroomde water als een waterval naar beneden en stroomde verder als een rivier.
De oude man volgde de stroom en zag dat het water een aantal kilometers verder de grond weer in liep. De oude man was verbaasd, hij had zoiets nog nooit eerder gezien. Hij keek eens naar berg en naar het heldere blauwe water dat uit de berg kwam. Het leek wel of de berg haar eigen water weer omhoog pompte.
De oude man besloot om er naartoe te lopen en zag onderweg allemaal kleine huisjes langs het pad staan. Huisjes met gele dakjes en met rode steentjes.
De raamkozijnen waren blauw van kleur en er kwam rook uit de schoorsteentjes.
Het waren er dertien en in elk huisje woonden drie kaboutertjes.
Ze kwamen naar buiten toen hij langs liep.
Ze waren niet bang, nee, ze liepen vrolijk achter hem aan naar de berg.
Even later kwam hij door een ander dorp, ook daar stonden dertien huisjes, met in ieder huisje drie Elfjes.
Ze waren blij en fladderden om hem heen, mee naar de berg. Hij was er nu bijna.
Hij hoorde het water vallen.
Grote wolken warme waterdamp kwamen hem al tegemoet.
Voor de berg zat een jongen op een bankje. Naast hem lag een grote witte draak.
De oude man was nieuwsgierig, hij had nog nooit een draak gezien.
De oude man liep op de jongen af en de jongen draaide zich om bij het zien van de man. ‘Welkom, ik had u al aan zien komen.’ En hij lachte.
‘De kabouters en Elfjes hebben u hier naartoe gebracht.
‘Kom’, zei hij en legde zijn hand op de plek naast zich op het bankje.
‘Kom, komt u hier toch zitten’, zei hij nog eens.
De man aarzelde iets. Hij vond dit allemaal zo vreemd, maar deed het toch.
‘Ik ben Casper en dit is de blauwe wereld.
Deze fantasiewereld heb ik samen met mijn Engel gemaakt.
U bent van harte welkom.’ En hij keek de oude man lachend aan.
‘Dat is de berg. Deze berg is het belangrijkste van deze planeet.
Ze is zeer liefdevol en ze laat iedereen die dat wil in haar blauwe water zwemmen.
Ze voedt de bewoners van deze planeet door het water onder de grond te verspreiden. U heeft vast al gezien dat het water onder de grond terug gaat naar de bron die onder de berg zit.’ De oude man knikte.
‘Kom, ik wil u iets laten zien’, zei Casper en stond op.
Samen liepen ze naar de oever van de rivier.
‘Dit water is heel bijzonder, want deze planeet zorg voor rust, liefde en reinheid.
Als je in dit water zwemt, van haar voedsel eet en van haar water drinkt, zal je opnieuw geboren worden.
Je zal dan de liefde van deze planeet door je heen voelen stromen.
Alle pijn en verdriet zal hier verdwijnen, waardoor er rust voor in de plaats komt.
Het water van deze planeet zal je helen.’
De oude man keek Casper met tranen in zijn ogen aan.
‘Is dat werkelijk waar mijn jongen?’
‘Ja, echt waar, wilt u het niet eens proberen?’
De man keek naar het water. Hij had in eeuwen niet meer gezwommen.
Het leek hem heerlijk om even vrij te zijn van zijn oude lichaam.
De oude man keek de jongen huilend aan en zei: ‘Ja, ik wil dat heel graag.’
De jongen knikte en pakte de hand van de oude man vast. Langzaam liepen ze het water in, stapje voor stapje. De man nam als eerste een slokje van het water.
Een warme tinteling ging door zijn lichaam.
Daarna liet hij zich op zijn rug in het warme water zakken en dreef nu in dit helende water. Hij sloot zijn ogen en hij werd langzaam meegenomen door het zachte water.
Opeens hoorde hij de stem van een vrouw. ‘Welkom mijn jongen, wat heerlijk dat jij hier bent.’ De oude man wilde zijn ogen open doen, maar iets in hem weerhield hem daarvan. Hij voelde een warmte om zich heen en wist dat de bron, de kern van deze planeet, tegen hem sprak.
‘Blijf rustig liggen, ik zorg voor u. Ik zal u weer jong maken en ik zal u de rust weer teruggeven waar u zo naar heeft verlangd.
De oude man voelde dat zijn lichaam veranderde, dat de energie in zijn lichaam sneller ging stromen.
Hij wilde al stiekem gaan kijken, maar de bron zei dat hij nog even geduld moest hebben. ‘Het is heerlijk hè?’ vroeg ze hem.
Hij knikte en genoot van de healing die hij van haar ontving.
Na een tijdje voelde hij dat het klaar was en deed zijn ogen open.
Hij lag nog steeds in het heerlijke warme water en om hem heen zwommen de Elfjes en de kabouters. Iedereen begon te klappen toen hij rechtop ging staan.
Hij voelde anders aan. Hij voelde zich echt herboren.
Hij keek eens naar zijn handen, maar die waren zonder rimpels.
Hij voelde aan zijn gezicht en voelde geen baard en geen snor.
Hij keek in het water en zag dat hij weer een jongen van dertien was.
Verschrikt keek hij Casper aan. ‘Wat is er met mij gebeurd? Hoe kan dit?’
Casper begon te lachen. ‘De bron heeft jou weer jong gemaakt.
Zij zal van nu af aan voor jou zorgen. Je kunt met haar praten, hoor maar.
En hij hoorde weer die vriendelijke vrouwenstem: ‘Geniet van deze periode.
Later zal je weer ouder worden, maar dan in alle rust en liefde.
Ga met Casper mee, hij zal jou de wereld laten zien, en geniet!’
De jongen huilde nu van blijdschap.
‘Kom,’ zei Casper, ‘we nemen nog een duik en dan gaan we op reis.’
Ze klommen op de oever, om vervolgens als twee kwajongens weer terug in het blauwe water te springen. En in alle rust en liefde kwamen ze weer boven.
Na een tijdje namen ze afscheid van de bewoners en liepen naar de draak toe.
‘Dit is Melchior, de draak. Hij zal ons de wereld laten zien, klim maar op zijn rug.’
De jongen deed dat en achter hem ging Casper zitten.
‘Hou je maar goed vast.’ En de witte draak stond op, nam een aanloop en vloog zo de ruimte in.
Vanaf de rug van de witte draak zagen ze de blauwe planeet kleiner worden en ze vlogen het avontuur tegemoet.
Wanneer het meisje is opgestaan uit bed, doet ze haar pyjamaatje uit, wast zich en kleedt zich snel aan.
Ze wil buiten spelen, het weer is ook zo mooi.
Ze had al even door het raam naar buiten gekeken.
Snel liep ze de trap af naar beneden en pakte een appel van de fruitschaal.
‘Ik ga buiten spelen mam!’, riep ze terwijl ze de deur uit liep.
Ze wist al waar ze naartoe zou gaan.
Ze liep naar de duinen en achter de duinen was de zee.
Ze hield van de zee, het was haar vriendin.
Uren kon ze langs de kustlijn wandelen en onderweg vond ze de mooiste schelpen. Thuis had ze al een hele verzameling.
Net voordat ze het laatste duin over wilde steken zag ze een oude vrouw in het duinzand zitten.
Ze had een hoofddoek om die ervoor moest zorgen dat haar lange haren niet overal heen zouden dansen.
‘Hallo’, zei de vrouw vriendelijk. ‘Ga je vandaag weer naar de zee?’ vroeg ze en keek het meisje vriendelijk aan.
Het meisje knikte. Ze kende de vrouw, want ze woonde een paar huizen verderop.
‘Ja, buurvrouw, het weer is ook zo mooi en misschien vind ik nog wel een paar mooie schelpen.’
De oude vrouw lachte. ‘Ik hoorde dat je jarig bent geweest.’
Het meisje knikte weer.
‘Ja, een paar weken geleden.’
‘Wacht, ik heb iets voor je, misschien vind je het leuk om eens door dit masker te kijken?’
En ze haalde een masker tevoorschijn.
Het meisje was nieuwsgierig en liep op de vrouw toe.
Ze was dol op verkleden en om er anders uit te zien.
Ze kon dan de rol van iemand anders spelen.
De vrouw liet het masker aan het meisje zien. Het was prachtig!
‘Voor je hem opzet moet ik je nog iets vertellen.
Het is niet zomaar een masker. Achter dit masker mag jij je leven inzien.
Het zal een leuke reis worden, maar soms gebeuren er tijdens zo’n reis ook minder leuke dingen.
Deze gebeuren om je te vormen naar wie je uiteindelijk gaat worden.’
Het meisje had nog nooit zoiets mee gemaakt en staarde naar het masker dat bij de vrouw op schoot lag.
Het masker zag er prachtig uit.
Het was wit met zilveren sterren, lichtblauwe wolken en golven van de zee.
‘Kom naast me zitten, dan kun je kennis maken met het masker’, zei de vrouw vriendelijk.
Het meisje ging naast de oude vrouw zitten en de vrouw overhandigde haar het masker.
Inmiddels had ze het masker op haar benen gelegd en ze keek er nieuwsgierig naar.
‘Maar hoe kan dat dan?’ vroeg ze aan de vrouw.
‘Het is een tovermasker. Zodra je haar opzet zie je wat er allemaal zal gebeuren in dit leven.
Je bent dan een beetje voorbereid op wat komen zal.’
Het meisje keek de oude vrouw blij aan. ‘Ben je er klaar voor?’
Het meisje knikte van ja. De reis kon beginnen.
Heel voorzichtig drukte ze het masker op haar gezicht en wachtte geduldig op wat er komen ging.
Ze zag een klein meisje dat met vele andere kinderen op een perron op een trein stond te wachten.
Toen de trein het station binnen reed en tot stilstand kwam, konden alle kinderen instappen.
Ze werden nagewuifd door liefdevolle gidsen en Engelen.
De trein had wel duizend wagonnetjes.
Het meisje ging zitten en haar reis was begonnen.
Samen met alle andere kinderen reisde ze door het universum, totdat ze bij de Aarde aan kwamen.
Ieder jaartal, elke maand en elke dag stopte de trein en stapten er kindertjes uit.
De nieuwe ouders stonden op het perron op hen te wachten.
Het ging allemaal in een razend tempo en de jaren en maanden vlogen voorbij.
Het meisje zat in één van de laatste wagonnetjes en had onderweg vrienden gemaakt.
Met één jongetje was ze extra bevriend geraakt en ze hadden elkaar beloofd dat ze elkaar weer zouden opzoeken in dit nieuwe leven.
Toen de trein na de zoveelste keer stopte werd haar naam omgeroepen en mocht ze uitstappen.
Haar nieuwe papa en mama hadden op haar gewacht.
Toen zag ze haar eigen geboorte, een nieuwe wereld met een nieuw leven en nieuwe lessen.
Ze zag zichzelf opgroeien en met de nodige levenslessen die ze leerde, werd ze langzaam ouder.
Ze leerde haar man kennen.
Hij was het jongetje wat ze al in de trein had ontmoet.
Het was een heerlijk weerzien. Ze werd ouder kreeg kinderen en ze werd oma.
Het meisje keek met een glimlach naar haar eigen leven.
Soms moest ze even huilen, want het was niet altijd even makkelijk, maar op het einde voelde ze rust.
Ook zag ze dat ze ging sterven.
Ze zag haar familie om zich heen staan en ze ging terug naar “huis”, waar ze werd opgehaald door haar vader. Hij die altijd zo streng is geweest, was nu vol liefde.
Hij zou haar naar de Hemelse sferen brengen.
De reis ging nog verder. Het masker liet niet alleen haar leven op Aarde zien.
Nee, het masker liet ook haar leven in het Hiernamaals zien.
Ze zou de gids gaan worden voor een lief klein meisje.
Ze zou het Engeltje, wat het meisje was, begeleiden, bijstaan en liefhebben.
Ze zou geen seconde van haar zijde wijken. Maar ze zag nog iets.
Ze ging ook mensen helpen om over te gaan.
Mensen die een zwaar leven achter de rug hadden en niet los konden komen van het Aardse leven.
Zij zou ze gaan begeleiden en langzaam naar het licht toe brengen.
Ze zag zichzelf een oude vrouw begeleiden.
Ze zag het licht wat vanuit een stip opbloeide en in de zwarte leegte verscheen.
Ze bracht de oude vrouw naar het licht.
Het licht wat zich weer terug trok naar een stip en dan voorgoed verdween.
Het meisje zag nu alleen nog maar de zwarte leegte en deed voorzichtig haar masker af.
Ze keek opzij en lachte door haar tranen heen naar de oude vrouw.
De oude vrouw staarde naar de zee en keek daarna het meisje vol liefde aan.
‘Het is jouw leven, probeer er van te genieten.
Neem alles niet te serieus, zie het maar als een spel dat gespeeld moet worden.
Geniet van de reis, hou van jezelf en de wereld waarin je leeft.’
De oude vrouw stond op en pakte het masker aan van het meisje.
Ze bukte zich en gaf het meisje een kus op het voorhoofd.
Het meisje keek de oude vrouw na die inmiddels van het duin voor haar afliep.
Ze zag dat ze naar de zee toe liep, onderweg haar kleding uit deed, het masker opzette en de zee in rende.
Het meisje kon haar ogen niet geloven.
Haar hele leven zou ze uitzien naar de zee. Hopend op de dag haar weer te mogen ontmoeten.
De zeemeermin met het masker op.
Een meisje deed de deur open en stapte een andere wereld binnen, een wereld waar alleen maar liefde was.
Ze deed de deur achter zich dicht en liep richting het woud.
In het woud vond ze een bospad en dat bospad volgde ze.
Zodra ze de eerste voetstapjes op het bospad zette, kwamen er vogeltjes naar haar toe gevlogen.
Enkelen gingen op haar schoudertjes zitten en floten vrolijk hun lied.
Ook kwamen er vlinders aangevlogen en fladderden rond haar hoofd.
Grote en kleine vlinders in de meest uiteenlopende kleuren, prachtig waren ze.
Het was een heerlijke wandeling en na een tijdje hoorde het meisje geritsel achter zich. Ze draaide zich verschrikt om. Het meisje was sprakeloos en blij tegelijk.
Ze had nog nooit zoveel dieren bij elkaar gezien.
Met een brede lach op haar gezicht draaide zij zich weer om en vervolgde haar pad.
Nadat ze een eind had gelopen, kwam ze in het midden van het woud een open plek tegen.
Het mos op de grond was zo helder groen, dat het meisje het wel moest aanraken.
Ze werd moe en ging op het helder groene mos liggen.
De zon was warm en zorgde ervoor dat ze het niet koud kreeg.
Het was de heerlijkste plek in het woud en een hertje kwam tegen haar aan liggen.
Aan de andere kant van haar, kwam moeder gans met haar jongen liggen.
Rond haar buik nestelde zich een bever familie en rond haar hoofd lagen de muisjes al te slapen.
Het was heerlijk om met zoveel dierenliefde omringd te zijn vond het meisje en ze viel langzaam in slaap.
Na een aantal uren werd ze weer wakker, wreef haar oogjes uit en ging rechtop zitten.
Ze keek eens om zich heen en ze zag overal dieren die lagen te slapen.
De herten lagen links van haar, de ganzen aan de rechterkant.
Een berengezin vlak bij haar hoofd en de eenden lagen aan haar voeten.
De wolven lagen overal verspreid net als de vossen.
En ook de knaagdiertjes lagen her en der verspreid.
De vogels zaten op de eerste rij bomen rond de open plek.
Wat was dat een prachtig gezicht.
Ze wreef haar ogen nogmaals uit en keek nog eens goed rond.
Wat een heerlijke plek. Haar hele leven was ze al dol op dieren geweest, maar in de wereld waar ze vandaan kwam, waren de dieren bang geworden voor de mens.
Maar hier in deze wereld is alles gelijk.
De wolf is niet beter dan de vlinder op die bloem, nee, hier is iedereen gelijk.
Het meisje zuchtte: ‘Was de wereld waar ik vandaan kwam, maar zoals hier.
Dan zou die wereld zoveel mooier zijn.’
Een wijze uil die haar gedachten had gehoord, kwam naar haar toe gevlogen en ging voor haar zitten.
‘Dat kan lief kind’, zei de uil, ‘vertel over deze wereld!
Laat de mensen weer onze liefde voelen!
Ik weet zeker dat er een verlangen ontstaat en dat hun harten open gaan staan.
En dat zij net als jij, één met ons zal worden.’
Het meisje knikte. ‘Ja, zou dat niet mooi zijn.
Mijn wereld, één met alle dieren en de natuur.’
‘Kom’, zei de uil, ‘ik breng je weer naar je eigen wereld.’
Het meisje stond op en nam afscheid van alle dieren van het woud.
Ze zei, dat ze snel weer langs zou komen en ging met de uil mee.
Het meisje liep en de uil vloog voor haar uit over het bospad.
Aan het einde van het bospad wees de uil naar de deur.
‘Daar is de deur naar de wereld waar jij vandaan komt.
Je bent altijd welkom en vertel de lezers van dit verhaal en van onze wereld: “De wereld die liefde heet.”
Het meisje knikte.
Ze omarmde de uil en nam afscheid.
Ze keek nog één keer om en deed toen de deur achter zich dicht.
Het was koud buiten, het had gevroren de afgelopen nacht.
De ramen waren van binnenuit bedekt met een laagje ijsbloemen.
Een jonge vrouw ging met haar vingers naar de bevroren bloemen op het raam en raakte ze voorzichtig aan.
Door de warmte smolt het ijs.
Wonderlijk vond ze het dat moeder natuur ook zo haar liefde in ijs aan ons toonde.
Ze maakte met haar hand een stukje van het raam schoon, zodat ze naar buiten kon kijken.
De zon kwam al op en de dauw op de bomen en planten was veranderd in een laagje ijs.
Er hingen ijspegels aan het dak en het water in het meer was nu veranderd in een dikke laag ijs.
Daar zou vandaag wel op geschaatst gaan worden.
De jonge vrouw schoof de gordijnen wat verder open en liet zich weer in haar warme bed zakken.
Ze kroop nog even onder de warme dekens en liet de eerste zonnestralen door het raam over haar gezicht glijden.
Door de warmte van haar dekens en de warme zonnestralen die op haar gezicht schenen, viel ze weer in een diepe slaap.
Plots zat ze op een grote steen. Deze steen lag bij een meer.
De zon scheen en er waren mooie grote wolken die door de lucht dreven.
Het water en de planten werden door de wind in beweging gezet.
Ze bekeek alles om zich heen en ontdekte dat ze hier helemaal alleen zat.
Ze voelde de warmte van de zon en begroette hem met een lach.
De wind streelde haar gezicht, deze was zo zacht en lief.
De wolken die over dreven keek ze uit nieuwsgierigheid na: ‘Waar zullen ze naartoe gaan?’ zei ze zachtjes in zichzelf.
Ze woelde met haar voeten in het zand.
Ook Moeder aarde begroette haar met haar warmte.
De vogels zongen hun liederen, ook hen begroette ze.
De omgeving hier aan het meer straalde rust uit.
Een rust die zo bij je naar binnen kwam, die je blij kon maken, maar ook verdrietig.
De jonge vrouw was blij. Ze genoot van alles wat er om haar heen gebeurde.
Ze bleef een tijdje op de steen zitten en keek vol blijdschap om zich heen.
Ze voelde de zon, de wind, de aarde en ze zag de wolken voorbij drijven.
Opnieuw vroeg ze zichzelf af: ‘Waar zullen die wolken naartoe gaan?
Misschien wisten de wolken zelf ook niet waar ze naar toe gingen.
Ze werden ook maar gestuurd door de wind.
Net als wij mensen, wij moeten ook maar afwachten wat er op ons pad komt.’
De jonge vrouw ging staan en keek nog eens om zich heen.
Ze zag in de verte een klein huisje staan.
Ze zocht het pad dat naar het huisje toe zou leiden.
Na wat zoeken had ze het smalle paadje gevonden en begon ze deze te volgen.
Tijdens het lopen keek ze goed om zich heen.
De bomen waren hier prachtig groen, een kleur groen, die ze nog nooit had gezien.
De kleuren van de natuur waren hier veel mooier en zuiverder van kleur.
De geuren die ze rook waren sterk, ze rook iedere boom en bloem en herkende de bloemen en bomen waar ze langs liep.
Die geuren bij elkaar, brachten haar in een stemming van blijdschap en liefde.
De vogels zongen nog steeds prachtige liederen en de kikkers en krekels lieten zich nu ook luidruchtiger horen.
De avond begon in te vallen en het huisje kwam steeds dichterbij.
Net voordat het donker werd, kwam ze bij het huisje aan.
Het was een mooi huisje en de lichten waren ontstoken achter het raam.
De jonge vrouw keek naar binnen en zag aan een tafel een oude vrouw zitten.
De vrouw keek op, net alsof ze haar aanwezigheid had gevoeld.
Ze glimlachte naar de oude vrouw en de vrouw stond op.
De deur ging open, en een paar prachtige ogen keken de jonge vrouw aan.
‘Ik had je al verwacht’, zei de oude vrouw, ‘kom gauw binnen, het begint al kouder te worden.’
De jonge vrouw stapte het kleine huisje binnen en keek in het rond.
Het was er warm en knus.
Een kaars op tafel brandde een prachtig wit licht.
Het oude vrouwtje lachte naar haar en bood een stoel aan.
Ze ging zitten en de oude vrouw zette een warme beker kruidenthee voor haar neer.
Ze ging tegenover de jonge vrouw zitten en ze keek haar nog steeds lachend aan.
‘Ik laat alles aan jou na.
Dit huis, mijn tuin, mijn liefde voor mens en dier.
Ik had al gezien dat jij dezelfde liefde als ik in je droeg.
Jij mag in mijn huis wonen, jij mag uit mijn tuin eten en jij mag elk mens of dier die dit huisje vindt, helpen met liefde.
Liefde voor de God en Godin, liefde voor de wereld waarin wij leven, liefde voor hun eigen ziel, liefde voor alles.
Mijn werk zit erop.’
De vrouw stond op en deed haar jas aan.
Een jas van zuiver wit satijn. Ze deed de deur open en liep naar buiten.
Ze keek nog één keer om en lachte…
Mijn vader is de koning van fantasieland en mijn moeder is de hoogste fee van Feeënland.
Ik ben hun kleine prinsesje en wij zijn heel gelukkig met elkaar.
Elke dag kijkt mijn vader over zijn rijk en overziet zijn volk.
Hij kijkt dan bedenkelijk en laat één van zijn lakeien komen om het probleem wat hij heeft gezien op te lossen.
Mijn moeder regeert vanuit het grote woud.
Daar leeft ze samen met haar zusters.
Eén keer per jaar komen mijn vader en mijn moeder samen.
Dat is de dag dat alle sluiers tussen de twee werelden verdwijnen.
Ze zijn dan de héle dag samen.
Ze wandelen en praten veel, ze picknicken op het warme mos in de warme zon.
En tegen de avond als de schemer invalt, trekt de sluier langzaam op en staan ze allebei weer in hun eigen wereld.
Mijn wereld is niet bij mijn vader en mijn moeder, mijn wereld is in de zee.
Op de dag dat ik geboren werd, werd het woud waar mijn moeder regeerde, opgeschrikt door een zwerm vuurvliegjes, en die waren heel erg boos.
Ze dreigden alles in brand te steken en mijn moeder deed er alles aan om hun weer rustig te krijgen.
Maar de lijder van de vuurvliegjes wilde daar niets van weten.
Hij eiste dat ik die net geboren was, zou worden overgedragen aan het water.
Mijn moeder was verdrietig, ze moest haar eigen kind opofferen om het woud te redden.
Ze vertrok met mij naar de zee.
Ze deed daar haar rituelen en de Water Godin kwam te voorschijn.
Ze legde uit wat haar was overkomen en de Godin stak haar handen uit.
Mijn moeder legde mij in haar handen en langzaam verdwenen wij onder water.
Uiteraard was mijn moeder erg verdrietig en huilde veel.
Maar haar ziel had geen rust.
Ze bedacht een list om de vuurvliegjes te verjagen en dat lukte!
Nu konden ze geen schade meer aanrichten en ze vertrokken naar een ander deel van het grote woud.
Snel ging mijn moeder naar de zee, deed daar weer haar rituelen en de Godin van de zee verscheen.
Ze legde uit wat er was gebeurd en de Godin begreep haar.
Maar er was nu een groot probleem.
Mijn benen waren mijn benen niet meer en mijn voeten waren mijn voeten niet meer.
En ik was geen baby meer, maar een jonge vrouw die naast de Godin van de zee haar leven leefde.
Mijn moeder was verdrietig, tranen gleden over haar wangen naar beneden.
Ze was haar kind voorgoed kwijt.
Maar de Godin van de zee had een oplossing.
Ze zei: “De dag dat alle sluiers tussen de twee werelden verdwijnen, komen jullie samen hier naar toe.
Dan zorg ik dat jullie dochter hier ook is en dan kunnen jullie met zijn drieën die dag doorbrengen.”
En zo gebeurde het, op de langste dag van het jaar, als de sluiers verdwenen zijn, zijn wij met zijn drieën in de zee.
Wij lachen en maken veel plezier, we picknicken op een grote rots in de zee en we zijn heel gelukkig.
En tot op de dag van vandaag, op de langste dag van het jaar, komen wij nog steeds bij elkaar.
De dag dat alle sluiers verdwijnen en de drie werelden elkaar ontmoeten.
