Een klein konijntje met de naam Walter zat aan de waterkant.
Hij keek verdrietig naar beneden.
Hij zag zichzelf in de weerspiegeling van het heldere water.
Een traan liep over zijn konijnenwangetje naar beneden en viel zachtjes in het water.
Hij zag dat de traan die van zijn gezichtje afgevallen was, rimpels maakte op het wateroppervlak.
De rimpels zorgden ervoor dat het beeld dat hij van zichzelf in het water zag vervaagde.
Walter keek opnieuw naar het water.
De rimpels op het wateroppervlak verdwenen en zijn spiegelbeeld kwam langzaam weer tevoorschijn.
“Wat ben je aan het doen?” vroeg een vos die langsliep.
Het konijntje droogde snel zijn tranen en keek de vos verschrikt aan.
“Ik kijk naar het water”, zei Walter zacht.
“Wat is er dan in het water te zien?” vroeg de vos weer.
“Ik keek naar mijzelf”, zei het konijntje weer.
De vos kwam nu ook wat dichter bij de waterkant staan om in het heldere water te kunnen kijken.
Hij zag Walter en hij zag zichzelf langs het water staan.
“Wat valt er dan te zien”, vroeg de vos weer.
“Ik zie alleen het spiegelbeeld van ons tweeën, maar dat is toch niet zo bijzonder?”
Walter kreeg tranen in zijn ogen en keek de vos verdrietig aan.
“Ik weet dat het niet zo bijzonder is om naar jezelf te kijken, maar soms is het zo moeilijk.
Dan kijk ik naar mezelf en zie ik dat ik niet gelukkig ben.
Soms probeer ik zó mijn best te doen en hoop ik dat andere konijntjes mij aardig gaan vinden, maar vaak werkt dat niet.
Vaak vinden ze mij stom of niet leuk en dan pesten ze mij.
Ik wil er zo graag bij horen. Ik wil zo graag meespelen.
Ik wil zo graag dat ze mij leuk en lief vinden en dan vraag ik mij af waarom ze mij niet leuk vinden.
Dan kijk ik in het water en zie mijzelf, maar kan niet ontdekken wat er nu zo verkeerd aan mij is.
Zie ik er dan zo anders uit dan de andere konijntjes?” vroeg hij en keek de vos vragend aan.
De vos keek naar Walter, maar hij zag geen verschil met de andere konijnen.
“Ik zie geen verschil, maar je hebt wel erg veel vragen waar ik je niet bij kan helpen. Misschien moeten we samen eens naar de uil gaan.
Hij is het meest wijze dier van het bos en weet vast en zeker antwoord op al jouw vragen.”
“Is het heus?” vroeg het konijntje, “zal hij mij gelukkig kunnen maken?”
“Ik weet het niet”, antwoordde de vos, maar we kunnen het proberen.
Kom laten we naar de uil toe gaan. Hij staat al op ons te wachten.”
Zo liepen de vos en het konijntje samen over de bospaden richting de wijze uil.
Ze liepen langs hoge bomen en Walter keek zijn ogen uit.
“Wat is het hier mooi”, zei hij zacht.
Hij hoorde de vogels zingen en zag de vlinders van bloem naar bloem fladderen.
Een ekster zat hoog in de boom en keek nieuwsgierig naar beneden.
Hoe verder ze het bos in liepen, hoe stiller het om hen heen werd.
Zo nu en dan hoorden ze nog een krekel of fladderde er nog een vlinder voor hen langs, totdat het helemaal stil werd.
De zon scheen door het dikke bladerdak heen en het voelde warm aan.
“We zijn er bijna”, zei de vos.
“Nog één keer een bocht door en dan zijn we in het sprookjesbos.”
Walter keek de vos geschrokken aan.
“Het sprookjesbos? Is dat niet gevaarlijk?” vroeg hij een beetje angstig.
De vos glimlachte. “Nee in tegendeel.
Je zult hier alle antwoorden op jouw vragen vinden.
Kom maar mee. Ze verwachten ons al.
Je zult niet alleen de uil te spreken krijgen, maar ook de koning van het dierenbos, de leeuw.
Hij zal jou kracht geven en de uil zal jou wijsheid bij brengen. Maar kom, we gaan hier door die poort heen.”
Walter zag in de bocht een boog staan, gemaakt van takken.
Deze boog bedekte het hele bospad en als je erin keek zag je jezelf.
Wat raar, dacht het konijntje en keek de vos een beetje angstig aan.
“Vertrouw op mij”, zei de vos en hij glimlachte naar Walter.
Ze stonden nu voor de poort en de vos stak één van zijn poten door de spiegel heen.
“Ik ga je voor, kom jij me achterna?” vroeg hij en keek het konijntje nieuwsgierig aan.
Walter keek naar de spiegel.
Dit had hij nog nooit gezien en knikte met zijn kopje dat hij hem zou volgen.
De vos liep door de spiegel heen en was opeens verdwenen.
Het konijntje keek in de spiegel en zag zichzelf.
Hij beefde een beetje van angst en wist niet zo goed of hij wel durfde.
Hij bleef maar naar zichzelf in de spiegel kijken en heel voorzichtig stak hij zijn voorpootje er doorheen.
Snel trok hij zijn pootje weer terug toen hij zag dat zijn poot in de spiegel verdween.
Walter was toch nieuwsgierig geworden en stak weer zijn pootje door de spiegel heen, maar nu iets verder dan daarvoor.
Opeens werd zijn poot vastgepakt en werd hij met een ruk het land van de sprookjes binnen getrokken.
De vos aan de andere kant lachte om het kleine konijntje dat beduusd om zich heen keek.
“Waar ben ik?” vroeg hij terwijl hij om zich heen keek.
“Ik heb je toch verteld dat we naar het sprookjesbos gaan?
De wijze uil en de koning wonen in dit prachtige bos” vertelde de vos en hij wees naar het bos dat voor hen lag.
Walter keek zijn ogen uit.
Dit bos was groter dan het bos waar hij vandaan kwam.
Hier waren de kleuren nog helderder en alles zag er zo liefdevol uit.
Hij zag de vlinders fladderen en hij hoorde de krekels zingen.
De bijen waren druk en vlogen van bloem naar bloem.
De bomen waren hier zo hoog dat hij de toppen nauwelijks kon zien.
De zon scheen en alles voelde hier zo liefdevol aan.
Walter kreeg tranen in zijn ogen en keek de vos dankbaar aan.
“Zullen we dan maar gaan”, zei de vos, “ze verwachten ons.”
Walter knikte en keek met verwondering om zich heen.
Het pad waar ze over liepen was gemaakt van gouden steentjes.
De bloemen die langs het pad stonden roken zoet en fris.
Een zachte bries verspreide deze heerlijke geur.
“Kom je hier vaak?” vroeg het konijntje aan de vos.
De vos glimlachte en antwoordde: “Ja ik kom hier erg vaak.
Ik ben hier geboren, dit is mijn thuis.
Net als ieder ander dier hier, kan ik door de poorten van het licht reizen, om aan de andere kant van de poort te kunnen helpen.
Zo kunnen wij de liefde die wij hier in deze wereld kennen, overbrengen naar de andere wereld waar jij vandaan komt.
Deze wereld zal dan nog groter worden en ieder dier zal gelukkig zijn.”
“Kan ik dan niet gewoon hier komen wonen?” vroeg Walter blij, “dan hoef ik niet meer terug.”
“Dat zou te makkelijk zijn, maar nee dan kan helaas niet”, antwoordde de vos.
“Je hebt nog zoveel verdriet in jezelf zitten en als je al dat verdriet hier mee naartoe neemt, zal onze wereld ook verdrietig worden.
Maar wij kunnen je wel uitnodigen, zodat je hier op bezoek kunt komen en wij je dan helpen bij je verdriet.
Wanneer je dan al je verdriet kwijt bent, kun je bij ons komen wonen, waardoor onze wereld weer een klein beetje groter wordt.
Maar kijk, daar zijn de koning en de uil.”
Ondertussen wees de vos naar de twee dieren die boven op een heuvel stonden.
Walter keek naar de leeuw.
Hij was zo groot, zijn manen zo breed en zijn witte vacht was witter dan sneeuw.
Zijn prachtige helderblauwe ogen keken Walter vriendelijk aan.
Het konijntje liet zich op de grond vallen en begon zachtjes te huilen.
“Het spijt me, ik kan er niets aan doen”, zei Walter en keek de leeuw met betraande ogen aan.
De leeuw liep op het konijntje af en keek hem vertederd aan.
“Sta alsjeblieft op en kom bij ons zitten.”
Walter keek naar de leeuw en stond weer op.
Hij droogde zijn tranen en liep achter de leeuw aan naar de top van de heuvel waar de wijze uil zat.
De uil keek het konijntje strak aan.
Walter werd er een beetje bang van.
“Nou uil, moet je weer zo nodig dit kleine konijntje bang maken, hij heeft het al zo moeilijk”, zei de leeuw en hij glimlachte naar de uil.
“Ik wil hem niet bang maken, maar ik wil zien wat ik voor dit angstige konijntje kan betekenen.”
Hij liep op Walter af en legde zijn grote vleugel om hem heen.
“Kom maar mijn kind. Je hebt een lange reis moeten maken om hier naartoe te kunnen komen.
Wij gaan je helpen met al je vragen.
Wat is er toch allemaal aan de hand?
De vos heeft je opgemerkt en wil graag dat jij je weer gelukkig gaat voelen.”
Walter keek eens naar de vos en de leeuw.
Keek toen de uil weer aan en zei heel zachtjes: “Ik snap niet waarom anderen mij niet leuk vinden.
Wat ik ook maar probeer of wat ik maar doe, ze blijven mij stom vinden”, en hij begon weer zachtjes te huilen.
“Ik kwam hem tegen”, zei de vos, “toen hij in het water naar zichzelf keek.
Hij keek naar zichzelf om te ontdekken of hij ook inderdaad anders was dan de rest, maar hij zag geen verschil.
Daarom heb ik hem hiermee naartoe genomen.”
De leeuw keek de uil aan en vroeg hem: “Wat denk je, kun jij zijn vraag beantwoorden?”
De uil keek naar Walter en glimlachte.
“Wacht”, zei hij en vloog naar de boom waarin hij woonde.
Hij opende de deur en stapte naar binnen.
Toen hij weer naar buiten kwam, hield hij een groot boek in zijn poten vastgeklemd en vloog naar beneden.
“Eens even kijken” zei hij bedachtzaam, terwijl hij door het grote boek bladerde.
“Ja, hier heb ik het…,” en hij keek het konijntje blij aan.
“Het is heel simpel.
Je bent anders, omdat jij juist heel speciaal bent.
Jij bent veel gevoeliger dan de andere konijntjes.
Jij bent anders, omdat je heel erg lief bent.
Jij wilt graag ergens bij horen, maar er zijn te weinig konijntjes die hetzelfde zijn als jij, daarom probeer je vrienden te worden met konijntjes die helemaal niet hetzelfde zijn als jij en dat past dan niet.
Dat zorgt voor conflict en nog meer verdriet.
En hoe meer jij je best doet, zoveel meer verdriet je zult ervaren.
Totdat je zegt: ‘Ik ga mijn eigen weg volgen, ik ga de dingen doen die ik leuk vind.’
Dan pas kies je voor jezelf. Dat is de juiste weg.
Het zal misschien eenzaam lijken, maar heb je niet genoten van de bomen, de vogels, de vlinders die voor je langs fladderden?”
Walter knikte. “Dat zijn je nieuwe vrienden.
Zij hebben dezelfde liefde in zich als die jij met je meedraagt.
Kies je eigen pad!
Het pad van geluk en liefde en geniet van de kleine dingen.
Ze zullen je zoveel vreugde geven.
En als jij je eigen pad blijft volgen, zal je de mooiste dingen zien, zal je nieuwe vrienden maken, zullen andere werelden voor je open gaan.
Dus ga terug en zoek je eigen pad.
Het pad dat uiteindelijk naar ons zal leiden.
Een pad vol schoonheid, een pad vol liefde en een pad voor het eeuwige geluk.”
En de uil keek het konijntje lachend aan.
“Ik hoop dat ik met dit antwoord je vraag hebt kunnen beantwoorden en je nu de liefde, wijsheid en kracht kunt oppakken en jezelf zo de kans geeft om het pad dat ik je zojuist heb gewezen te gaan ontdekken.
Maak nieuwe vrienden, ga voor de liefde en je zal ons hier terug zien.”
Plotseling stonden de vos en Walter weer aan de waterkant.
“Hoe kan dit?” vroeg Walter aan de vos.
Deze begon te lachen en zei geheimzinnig: “In het sprookjesbos kan alles.
Maar heb je het antwoord van de uil begrepen?”
Walter keek naar de groep andere konijntjes die in de verte aan het spelen waren.
“Dat zijn niet de vrienden waar ik mij gelukkig bij ga voelen”, zei hij zacht, terwijl de tranen in zijn ogen sprongen.
“Ik vind het moeilijk om afscheid van hen te nemen.
Ik wilde zo graag met hen meespelen…”
Een vlinder kwam naar het konijntje toe gefladderd en ging op zijn kleine neusje zitten.
“Kom je meespelen”, zei deze met een lief klein stemmetje.
Walter begon te lachen en zei enthousiast: “Ja graag!”
De vlinder fladderde weg en Walter sprong erachteraan.
De vos keek tevreden naar de spelende Walter en vertrok weer richting het sprookjesbos.
Na een tijdje zou hij nog eens bij Walter op bezoek gaan om te zien of het hem was gelukt zijn pad te blijven volgen.
De vos glimlachte toen hij de poort binnenstapte.
Uiteindelijk zou hij iedereen thuisbrengen.
En zo verdween de vos weer in de wereld van de sprookjes.
En Walter het konijntje speelde en kreeg nieuwe vriendjes en was voor het eerst in zijn leven echt gelukkig.
Hier niet heel ver vandaan woonde een jongetje en hij heette Marik.
Marik was een heel lief jongetje.
Iedere dag hielp hij zijn moeder met de afwas en ruimde zijn kamer netjes op, wanneer hij er had gespeeld.
Ook at hij zonder te klagen zijn spruitjes op die hij bij het avondeten moest eten. Toch was er iets met Marik, hij had vaak verdriet en was vaak bang.
Als hij bang was ging hij huilen, heel hard huilen.
Zijn papa en mama hielden heel veel van hem, maar konden hem niet zo goed helpen. Marik was bang voor het donker.
Papa en mama lieten het bedlampje voor hem aanstaan, maar toch zag Marik schimmen in zijn kamer en werd dan weer bang.
Hij was bang dat het monsters waren of enge geesten die hem op kwamen halen. Marik zorgde er daarom altijd voor dat zijn kamer netjes opgeruimd was.
Wanneer er iets verkeerd stond, zou het zomaar kunnen gebeuren dat er die avond enge schaduwen verschenen.
Op een avond had Marik vanuit zijn bed zijn kamer ingekeken.
Hij concentreerde zich op zijn boeken, knuffels en speelgoedauto’s om zeker te weten of alles op de juiste plaats stond.
En alles stond op de juiste plaats.
Hij kon niets ontdekken wat niet op juiste plek stond.
Ondanks dat hij nog eens gekeken had, zag hij toch de schaduwen weer verschijnen.
Dit betekende dat er een knuffel of ander speelgoed niet goed stond en nog verplaatst moest worden.
Moeder had hem een verhaaltje voorgelezen, hem een zoen gegeven, het licht op zijn nachtkastje aangelaten en de kamerdeur op een kier gezet.
Ze ging naar beneden en Marik zag de schaduwen weer.
Hij wist niet zo goed waar ze vandaan kwamen en hij durfde ook zijn bed niet uit te stappen.
Marik ging weer liggen en met zijn ogen stijf dicht geknepen, viel hij uiteindelijk in slaap.
‘Pak me dan als je kan!’ Daar stond plotseling een meisje tegenover Marik.
Ze had een jurkje aan van wit satijn en in haar haar had ze een strik van dezelfde stof als haar jurk.
‘Pak me dan!’, riep ze weer.
Marik keek om zich heen. Waar was hij? Hij zag allemaal spelende kinderen.
‘Waar ben ik?’, vroeg Marik aan het meisje dat naar hem toe kwam lopen.
‘Je bent in Zomerland’, antwoordde het meisje.
‘En waar is Zomerland?’, vroeg Marik wat verlegen.
‘Zomerland is in de Hemel. Daar gaan alle kinderen naartoe wanneer ze gaan slapen.’
‘Dus jij slaapt ook?’ vroeg Marik aan het meisje.
‘Ja dat klopt. Elke avond en nacht ga ik hier naartoe, om samen met de kinderen hier te spelen.’
Marik keek weer naar die grote groep kinderen.
‘Ik heb jou hier nog nooit gezien, hoe komt dat?’, vroeg ze weer aan hem.
Marik trok zijn schouders wat op en keek verdrietig.
‘Ik begrijp het al, ik had dat eerst ook.
Ik had zo’n verdriet toen mijn ouders gingen scheiden en kon daar niet goed van slapen, waardoor ik in de avond en nacht ook niet naar Zomerland kon komen.
Maar op een avond viel ik meteen in slaap en toen kwam ik hieraan.
Ik heb die nacht heerlijk gespeeld en een oud vrouwtje, wat hier woont, heeft mij toen geholpen.
Wij hebben samen gepraat over de scheiding van mijn ouders en het verdriet wat het mij toen deed.
Nu begrijp ik het allemaal veel beter en heb ik geen verdriet meer.
Waar ben jij verdrietig om?’, vroeg het meisje opeens aan Marik.
Marik keek naar zijn blote voeten. Hij had zijn pyjama nog aan.
‘Ik ben bang in het donker’, zei hij zacht.
Het meisje ging nog wat dichter bij hem staan.
Ze pakte zijn hand vast en zei: ‘Kom, ik breng je naar oma.
Zij weet op alle vragen antwoord, misschien kan ze jou ook wel helpen.’
Marik keek het meisje verdrietig aan en knikte van ja.
En zo liepen Marik en het meisje door Zomerland.
Ze hoefden niet ver te lopen, want verderop zag Marik al een lief klein huisje staan.
Het had een rieten dakje met witte muren.
De kozijntjes waren geel en het deurtje was blauw van kleur en er stond een schoorsteentje midden op het dak.
Er kringelde rook met de geur van roomboter en honing uit het schoorsteentje.
Ze waren even blijven staan om naar het huisje te kunnen kijken.
Voor het huisje zag Marik allemaal krukjes staan.
Het meisje keek Marik blij aan: ‘Dat is als we een kringgesprek houden.
Wij vertellen oma wat we die dag allemaal hebben meegemaakt. Oma is echt lief!
Ze houdt van ons allemaal!
Kom, we gaan kijken of ze er is’, en samen renden ze de heuvel af, richting het schattige huisje.
Oma stond al in de deuropening te wachten.
Ze zwaaide naar de beide kinderen die aan kwamen rennen.
Het meisje zwaaide terug naar oma. ‘Oma! Oma!’, riep het meisje.
Nadat ze beneden bij oma aan waren gekomen, bleven ze voor de oude vrouw staan.
De oude vrouw bukte zich.
‘Dag Marik, ik stond al op je te wachten.
Fijn dat je hier bent en welkom in Zomerland.’
Oma keek nu het meisje aan.
‘Dank je wel lieverd, fijn dat je Marik naar mij toe hebt gebracht.
Ga maar weer fijn spelen mijn kind’, zei oma en ze zoende het meisje op haar wang.
‘Dag oma’, riep het meisje en rende de andere kinderen tegemoet.
‘Zo Marik, daar ben je dan eindelijk. Ga je met mij mee?’, vroeg de oude vrouw en gaf Marik een hand. Marik liep met de oude vrouw mee naar binnen.
Het rook er heerlijk en er stond een mandje met zelfgemaakte koekjes op een tafeltje.
Marik keek er nieuwsgierig naar.
Oma had allang gezien dat hij hiernaar keek en glimlachte.
‘Zullen we even aan een tafeltje gaan zitten?’, vroeg oma vriendelijk en ze wees hem een plek aan de grote ronde tafel.
‘Ga hier maar lekker zitten.’
De oude vrouw liep naar het aanrecht en schonk voor Marik een glas zelfgemaakte limonade in.
Ze pakte een koekje uit de mand en legde deze voor Marik neer.
‘Zo eerst even genieten’, zei ze lachend.
Marik vond het een beetje eng, maar hij nam toch een hap van zijn koekje en een slokje van zijn limonade.
Het was heerlijk, sterker nog, hij had nog nooit zoiets lekkers gehad.
Oma lachte naar hem en wachtte totdat de laatste kruimels van zijn koekje op waren en zijn glas leeg was.
Met stralende ogen keek Marik de oude vrouw aan.
‘Dat was lekker, dank u wel!’ Oma glimlachte weer.
‘Vertel me eens Marik. Ik hoorde dat jij ‘s avonds niet goed in slaap kunt komen, omdat je bang bent in het donker.’
Marik werd meteen weer verdrietig.
Hij liet zijn hoofd hangen en keek naar zijn lege glas voor zich.
‘Ach lieverd toch, kom eens bij mij op schoot zitten.’
En oma klopte even met haar beide handen op haar bovenbenen.
Marik stond op en ging bij haar op schoot zitten.
Hij vond het een beetje raar want hij was toch al acht jaar, maar veel tijd had hij niet om daarover na te denken.
‘Weet je misschien hoe het zo is gekomen, dat je bang bent in het donker?’, vroeg de oude vrouw.
Marik haalde zijn schouders op. Hij wist het niet.
‘Hm’, zei oma, ‘misschien kan ik je helpen.
Ga met mij mee, dan gaan we samen eens kijken waar je bang voor bent.’
Ze tilde Marik van haar schoot af en pakte zijn hand vast.
‘Kom maar mee’, zei ze liefdevol en samen liepen ze deur uit.
Ze liepen in de richting van een groot gebouw.
Eenmaal daar aangekomen, stapten ze naar binnen en gingen een klaslokaal in.
‘In dit gebouw kunnen we toveren, kijk maar.’
Het licht ging uit en er werd een film getoond.
Marik zag zijn papa en mama, hij zag zijn hond Tommy en hij zag zichzelf.
‘Hoe kan dit? Dit was gisteravond?!’ riep Marik verbaasd en verrast keek hij oma aan.
‘Dat klopt’, zei oma.
Wij kunnen vanaf de Hemel naar jou kijken en we kunnen ook zien waar jij zo bang voor bent.
Hier in dit klaslokaal vinden we op iedere vraag een antwoord, kijk…’
Marik zag nu een andere film. Hij was nog heel klein.
‘Hier ben je bijna twee jaar. Kijk maar naar wat er toen gebeurde.’
Marik zag een film waarin het buiten erg stormde.
De schaduwen van de takken van de bomen dansten op de muren van de slaapkamer van Marik.
Zo nu en dan kwamen ze even tegen het raam aan, wat een krassend geluid gaf. Nu zag Marik zichzelf.
Hij stond rechtop in het ledikantje, waarin hij toen nog sliep, met zijn vuistjes klampte hij zich aan de spijlen van zijn bedje vast.
Marik zag zijn eigen gezichtje. Dikke tranen liepen over zijn rode wangetjes.
Met angstige ogen keek hij naar de muur.
Mama kwam de kamer binnen en troostte hem.
De film was afgelopen. ‘Zo is je angst begonnen’, zei oma, ‘dit heeft ervoor gezorgd dat je bang bent in het donker en niet kunt slapen.
Ook dat je bang wordt van iedere schaduw en ieder geluid bang.
Hierdoor rust je ’s nachts niet genoeg uit en ben je overdag moe.
Kom, laten we verder kijken.’
Opnieuw ging het licht uit en begon er een film te spelen.
Oma en Marik keken samen naar de film.
Ze zagen een lichtstraal langs de muren van zijn kamer gaan.
Het bleken de lichten van een auto die voorbij reed te zijn.
Samen met de takken van de boom, leek het net of er een monster op de muur tevoorschijn kwam.
Ook was er een schaduw in de hoek van de slaapkamer.
Marik en oma keken, naar waar deze schaduw vandaan kwam.
Een oude knuffel van vroeger was de boosdoener.
Wanneer er een auto vanaf de andere kant van de straat kwam en zijn lichten door de gordijnen van Marik zijn slaapkamer schenen, dan leek het alsof een groot monster met grote oren in de hoek zat.
Marik keek zijn ogen uit.
‘Het zijn helemaal geen monsters die ik ‘s avonds zie, het zijn gewoon mijn knuffel en een boom!’
Verbaasd keek hij keek oma aan.
‘Ja’, zei oma blij, ‘fijn hè, om dat nu te weten!’
Marik keek nog eens naar zijn kamer. ‘Wat kunnen we hieraan doen?
Het blijft eng, ook al weet ik dat het van de lichten buiten komt.’
Oma knikte. ‘Ik ga je zo weer terugbrengen. Je papa en mama slapen al.
Dan gaan we heel voorzichtig naar ze toe’, en ze glimlachte naar Marik.
‘Ga je mee?’
Opeens stonden ze naast het bed van papa en mama.
Marik genoot, het was allemaal zo spannend en bang hoefde hij niet meer te zijn.
Oma ging op haar knieën zitten en fluisterde iets bij mama in haar oor.
Moeder draaide zich om en mummelde wat in haar slaap.
‘Geregeld’, zei oma. ‘Kom, laat me nu eens jouw kamer zien.’
Samen liepen ze over de overloop naar de kamer van Marik.
Zijn bed was leeg en het bedlampje brandde nog.
Oma keek in het rond en liep naar de hoek van de kamer.
Ze pakte het speelgoedkonijn onder het bed vandaan en gaf deze aan Marik.
‘Ga nu maar lekker slapen mijn kind’, zei oma en Marik stapte in bed.
Oma dekte hem toe met zijn dekbed en al snel viel hij in slaap.
Ik zie jou morgen weer, toch?’, en Marik knikte enthousiast van ja.
‘Slaap nu maar lekker mijn kind en tot morgen’.
En de oude vrouw liep het kamertje van Marik uit en verdween terug naar Zomerland.
De volgende morgen was Marik al vroeg wakker.
En hij had zo heerlijk gedroomd. Hij ging naar school en voor het eerst was hij niet de laatste, maar één van de eerste die gekozen werd met gym.
S ’middags, toen hij thuiskwam, was zijn moeder druk in de weer.
Ze had donkere gordijnen gekocht en nu kon er geen licht meer door het raam naar binnen komen.
Marik glimlachte in zichzelf, hij zag opeens die oude vrouw weer op haar knieën, naast moeder haar bed zitten.
‘Dus dat heeft ze in haar oor gefluisterd’, zei Marik in zichzelf.
Marik ging opgewekt naar bed, hij wilde nu heel graag slapen.
En net als alle andere keren, liet moeder het nachtlampje aan.
Marik zag geen licht meer door de gordijnen van zijn kamer naar binnen komen, en Marik keek nog eenmaal zijn kamer rond en viel in een diepe slaap.
Bij de poort van Zomerland stond oma alle kindertjes al op te wachten, en bij het kringgesprek vertelde Marik vol geuren en kleuren, dat hij als eerste gekozen was met gym en dat hij niet meer bang was.
Het kleine meisje wat naast hem zat, pakte hem even bij zijn arm beet en zei: ‘Ik zei toch dat ze lief was’.
En Marik glunderde, hij was blij en later speelde hij een heerlijk spel en maakte vrienden met de kinderen.
En voordat de kinderen naar huis gingen, kregen ze een groot glas zelfgemaakte limonade en een zelfgebakken koekje.
Het waren niet de sluieren die de grens van twee werelden aangaven, maar het was een deur.
Precies zo’n deur, zoals ieder van ons in huis heeft.
Ze deed de deur open en keek in een landschap vol heuvels, struiken en bomen.
De kleuren waren helderder, de lucht was zachter en de zon scheen net iets feller dan hier op Aarde.
Voorzichtig deed ze een stapje naar voren, daarna nog één en langzaam liep ze vooruit en keek bewust en vol belangstelling om zich heen.
Toen ze een aantal meters van de deur af was keek ze nog eens om.
De deur was niet meer te zien en een landschap tekende zich af aan de horizon.
Op het moment dat ze besefte dat ze niet meer terug kon, hoorde ze geritsel in het struikgewas.
Ze keek een beetje terughoudend in de richting van het geritsel en wachtte op wat komen zou.
Een jongen kwam uit de stuiken, een jongen met een brede lach op zijn gezicht.
Hij kwam op haar toegelopen en zijn voetstappen maakten ritselende geluiden op de grond.
Hij was geen gewone jongen, nee, hij was half mens en half paard.
De jongen maakte een diepe buiging en begon te praten: ‘Welkom in deze wereld!’
Hij lachte er breed bij.
Het meisje begreep het niet en vroeg: ‘Maar hoe kan dit, hoe kom ik hier terecht?’
De jongen ging weer rechtop staan en begon te vertellen: ‘Je bent hier al vaker geweest en je hebt menig maal over ons geschreven.
Wij hebben jou toen kleine stukjes laten zien van deze wereld en een verhaal gegeven om over te schrijven.
Weet je nog dat je weleens ging zwemmen met de dolfijnen en de walvissen, en lol had met de meerminnen als je je eenzaam en alleen voelde?
Op dat moment was je bij ons.
Jij hoort bij ons, jij bent net als wij, jij komt bij ons vandaan.’
Het meisje was stil, tranen rolden over haar wangen.
‘Is dit mijn thuis?’ De jongen knikte: ‘Ja, dit is je thuis. Kom, dan laat ik je thuis zien.’
Hij zakte door zijn benen en het meisje klom op zijn rug.
Boven op zijn rug zag alles er nog mooier uit, ze kon nu nog veel verder kijken.
Ze zag meren en zeeën en schitterende wouden met de prachtigste bomen.
De jongen begon langzaam te lopen en begon te vertellen: ‘Deze wereld is totaal anders dan waar jij nu vandaan komt.
Hier is geen angst, haat, jaloezie, geen macht of geld. Nee, hier is iedereen gelijk.
Wij hebben dat soort emoties ook niet meer nodig.
Wij gebruiken geen woorden die verkeerd begrepen kunnen worden of die een ander pijn kunnen doen, maar wij communiceren met energie en beelden die alleen maar mooi zijn.
Er zijn veel verschillende wezens in deze wereld, maar wij zien dat niet zo.
Voor ons is iedereen gelijk, niets meer en niets minder.
Een spin heeft net zoveel plezier hier als een Engel of een dolfijn.
Wist je dat slangen ontzettend grappige wezens zijn?’
De jongen draaide zich even om en keek naar het meisje.
Het meisje schudde van nee.
‘Bij ons worden slangen door vele mensen griezelig gevonden.’
De jongen schudde zijn hoofd. ‘Jammer dat zulke werelden nog bestaan.
Het was allemaal niet nodig geweest.
Maar ja, die wereld houdt van herhalingen en zal dat blijven doen totdat het zich bewust wordt dat het zich steeds blijft herhalen.
Dan pas kan het stoppen en veranderen. Kom’, en de jongen ging iets sneller lopen, ‘ik wil je aan iemand voorstellen. Hij zit al op ons te wachten.’
Hij liep in de richting van een huisje dat aan de rand van een groot bos stond.
Eenmaal aangekomen zakte de jongen door zijn knieën en het meisje stapte af.
De deur van het huisje ging open en een wat oudere man stapte naar buiten.
Ook op zijn gezicht was een brede glimlach te vinden.
‘Welkom mijn kind, heb je een fijne wandeling gehad?’
Het meisje knikte van ja en langzaam liepen ze de veranda op.
Daar stond een bankje.
De oudere man bood aan om op het bankje te gaan zitten.
De jongen die haar gebracht had, bleef achter. Het meisje ging zitten en keek over het landschap.
Voor haar zag ze een trap van stukken steen.
Ze volgde de trap naar beneden in het dal, maar ze kon het einde er niet van zien.
De oude man glimlachte: ‘Je hebt de trap al ontdekt zie ik.
Ik zal je wat vertellen over deze wereld, een wereld waar jij ooit deel van uit hebt gemaakt.’
Het meisje wilde wat vragen, maar de man deed zijn vinger op zijn mond waarmee hij aangaf, dat ze niets moest zeggen en alleen moest luisteren.
‘Jij hebt hier lang geleden gewoond net als alle anderen die hier nu nog wonen.
Maar jij hebt de scheiding tussen de twee werelden ontdekt.
Je hebt wel gemerkt dat de jongen wel met jou kan praten, net als ik.
Wij wonen en leven op de rand van deze twee werelden.
Wij kunnen, als wij willen, zo die deur door.
Hoe dichter bij de rand, hoeveel meer je kunt beleven van de andere wereld.
Jij ontdekte nieuwsgierigheid, maar ook verdriet en angst.
Je was al gevangen in die wereld, maar je leefde nog hier.
Dat zorgde voor jou, voor een hele vreemde gewaarwording.
Je hoorde niet meer thuis in deze wereld en je voelde je niet thuis in de andere wereld.
De cyclus was begonnen, ook voor jou.
Je moest je laten zakken in de werelden en zo proberen de cirkel van alle emoties te doorbreken.
Je moest je eigen sluieren weer weghalen en niet meer meedoen aan alle spelletjes die de mensen met elkaar spelen.
Je hebt het gehaald. Je hebt je oude vertrouwde wereld teruggevonden en nu gaan wij er samen voor zorgen dat je weer deel kunt nemen aan deze wereld, een wereld zonder angst, haat, jaloezie en macht.
Op elk moment van de dag mag je langskomen, de jongen zal je bij de deur opwachten.
Hij zal je naar mij toe brengen en ik zal je onderwijzen. Ik zal je onderwijzen in afleren.
Ik zal je leren bewuster te worden, ik zal je leren te focussen, waardoor er geen gedachten meer in je opkomen.
Geen gedachten van verdriet, pijn of angst.
Ik ga je net zover opleiden, totdat je niets meer van je oude leven nodig hebt en hier een leven kan leven vol liefde, plezier en geluk.’
Het meisje was ontroerd, ze huilde zachtjes van geluk.
Eindelijk thuis, eindelijk liefdevolle wezens die ook van haar hielden.
Geen strijd meer, niet meer overleven.
Een zucht van verlichting kwam uit haar mond.
De oude man lachte blij en omarmde haar. ‘Welkom thuis meisje, welkom thuis!’
De man stond op en liep samen met het meisje naar de jongen.
De jongen zakte door zijn benen en het meisje klom op zijn rug.
‘Tot morgen!’ riep de man toen ze wegreden.
De jongen ging sneller lopen tot hij remde.
Hij lachte en was blij.
Het meisje op zijn rug was thuis en hij zou er alles aan doen, zodat ze nooit meer terug hoefde, nooit!
Heel ver hiervandaan, in een verborgen elfenrijk, woonde een klein elfenmeisje.
Haar huid was wit als de eerste sneeuw en haar haren glansden als gouden draden in het zonlicht.
Maar het allermooiste aan haar was haar stem.
Deze was zacht en helder als het lied van een nachtegaal.
Elke avond, precies bij zonsondergang, zong het elfje.
Zodra haar stem door het dal klonk, werd het overal stil.
De elfen stopten waar ze mee bezig waren en luisterden ademloos naar haar lied.
Voor hen was haar gezang het teken dat de dag voorbij was en dat het tijd was om te gaan slapen.
En bij zonsopgang zong ze opnieuw.
Haar stem wekte het elfenvolk en kondigde een nieuwe dag aan.
Zo ging het elke dag, en iedereen was blij dat hun dagen begonnen en eindigden met haar lied.
Maar op een ochtend kon het kleine elfje niet meer.
Het was nog donker toen ze haar ogen opende.
Heel het rijk lag te slapen, behalve zij.
Haar lichaam voelde zwaar, haar voetjes moe, en ze had geen kracht om haar bedje uit te komen.
Toch moest ze omhoog, naar de hoge bergtop waar ze twee keer per dag zong.
Met slaperige ogen en een trillend lijfje sleepte ze zichzelf naar buiten.
De nacht was nog diep, de sterren fonkelden boven haar en de maan stond vol aan de hemel.
Langzaam begon ze aan de klim.
Stapje voor stapje ging ze omhoog.
Haar voetjes deden pijn en ze moest huilen van vermoeidheid.
En terwijl de tranen op de rotsachtige grond vielen, gebeurde er iets wonderlijks:
op elke plek waar een druppel viel, groeide een witte roos.
Het meisje merkte het niet eens.
Ze klom maar door, terwijl haar kleine voeten begon te bloeden.
Daar waar haar bloed het zand raakte, verschenen witte lelies, zo helder als maanlicht.
De lucht begon al licht te worden.
De zon zou bijna opkomen en ze was nog niet boven.
Hijgend keek ze naar het stuk berg dat ze nog moest.
Het was te ver, veel te ver. Ze wist dat ze te laat was.
Ze keek naar het dal onder haar en alles was stil.
Iedereen sliep, niemand dacht aan haar.
Alleen wanneer ze hen wakker maakte of in slaap zong, dachten ze aan het kleine elfje.
Maar toen zag ze het: een huisje waar licht brandde.
“Wat is dit?” fluisterde ze verbaasd.
“Wie is daar al wakker? Dat kan toch niet?
Ík ben toch degene die iedereen wekt?”
Ze keek nog eens goed.
“Kan iedereen zichzelf dan wél wakker krijgen?
Heb ik al die tijd voor niets die berg beklommen?”
Ze zuchtte diep.
“Als ze zonder mij wakker kunnen worden, dan ben ik niet meer nodig…”
En precies op dat moment stopte ze met lopen.
Ze draaide zich om en liep terug naar beneden.
Onderweg zag ze de witte rozen en lelies die uit haar tranen en voetstappen waren gegroeid.
Prachtige bloemen, alsof de berg haar wilde bedanken.
Het was mooi weer, de zon scheen warm, en het elfje besloot op de berg te blijven en voor het eerst in haar leven een vrije dag te
nemen.
Ze genoot van de rust, van de stilte, maar plotseling schrok ze.
“Ik hoor niets… geen stemmen, geen gelach… niets uit het dal!”
Ze luisterde opnieuw. Het was doodstil.
“Als één elf wakker is, worden de anderen dan niet vanzelf wakker?
Of… heb ik me vergist?”
Het meisje keek geschrokken naar het dal.
Het hele elfenvolk sliep nog diep.
Alleen zij, en de oude elf uit het huisje met het licht, waren wakker.
Ze rende bezorgd de berg af en snelde naar zijn huisje.
De oude elf zat op een bankje voor zijn deur, glimlachend, alsof hij haar al verwachtte.
Hij schonk voor haar een groot glas vruchtensap in en wachtte geduldig tot ze op adem was gekomen.
Voordat ze iets kon vragen, begon hij te vertellen waarom hij wakker was geworden—iets wat wij, als lezer, niet mogen weten.
Maar het elvenmeisje begreep het meteen.
Ze bedankte hem en rende terug naar haar eigen huisje.
Daar pakte ze haar spulletjes in en begon opnieuw aan de klim.
Maar dit keer ging ze met opgeheven hoofd, zonder tranen, zonder pijn.
Boven op de berg bouwde ze een klein huisje voor zichzelf.
Net voordat het af was, ging de zon onder.
Natuurlijk was het geen goed moment om het elfenvolk wakker te zingen, dus ze besloot van haar nieuwe huisje en een welverdiende nachtrust te genieten.
En zo gebeurde het dat het elvenmeisje, net voor zonsopgang, vanzelf wakker werd.
Ze rekte zich uit, stapte naar buiten en keek naar het dal.
Beneden zag ze licht branden bij de oude elf.
Ze glimlachte.
Toen begon ze te zingen, zo zuiver en helder dat zelfs de vogels stil werden om te luisteren.
Het kleine Elfje, dat boven op de berg woonde zong elke morgen bij zonsopgang en elke avond bij zonsondergang, zodat de Elfjes in het dal wisten wanneer ze wakker moesten worden en wanneer het bedtijd was.
De schrijfster heeft hier al eens eerder een verhaal over geschreven.
Dit Elfje had dus een serieuze taak.
Ze was op de berg gaan wonen, zodat ze die zware klim niet meer elke dag hoefde te maken.
Ze was goed bevriend geraakt met de oude Elf in het dorp die net als zij, eerder wakker was dan de rest.
Op een dag wilde de oude Elf naar de berg toe.
Hij keek naar boven en zag op de top van de berg het kleine huisje staan.
Daar woonde het kleine Elfje.
Hij was er nog nooit geweest.
De kleine Elf kwam altijd naar het dal toe voor kleine boodschapjes en bezocht hem vaak.
Ze spraken over van alles en hij vond het fijn om met iemand te praten die hem begreep.
De oude Elf was wijzer en bewuster dan de rest uit het dal.
Hij werd dan ook wel “de Meester” genoemd door de bevolking.
De oude Elf stond onder aan de berg.
Hij had zijn tas meegenomen met daarin wat te drinken voor onderweg en wat kleding.
Hij wilde de laatste dagen die hij nog had, graag in goed gezelschap doorbrengen.
Ja, de oude Elf voelde zijn einde naderen.
Hij keek nogmaals omhoog naar de klim die hij moest maken en hij zette zijn eerste stap.
Langzaam en stapje voor stapje klom hij de berg op.
Onderweg zag hij bloemenvelden van witte rozen en witte lelies.
Prachtig was het hier.
De oude Elf besloot even op een rotsblok te gaan zitten en overzag deze schoonheid.
Hij wist dat deze bloemen niet gezaaid waren.
Nee, deze bloemen waren ontstaan door bloed en tranen.
Bij iedere druppel bloed die op de grond viel, ontstond een witte rozenstruik.
En iedere traan die in het dorre zand viel, ontpopte zich tot een prachtige witte lelie.
Deze bloemen waren afkomstig van de kleine Elf, haar klim had ook zijn sporen achtergelaten.
Nadat de oude elf een beetje uitgerust was, ging hij verder met zijn klim.
Onderweg had hij een stok gevonden die hem hielp met zijn beklimming.
De zon werd feller en de oude Elf begon moe te worden.
Zweetdruppeltjes liepen langs zijn oude gezicht en vielen op de grond.
Zijn huid was verbrand en zijn mond uitgedroogd.
Weer ging de oude Elf op een rotsblok zitten.
Hij pakte een kruik uit zijn tas en slokje voor slokje dronk hij het water op.
De zon stond nu hoog aan de Hemel en hij was nog niet eens halverwege.
De oude Elf besloot om even te gaan liggen onder een oude boom.
Hij sloot zijn ogen en viel in een diepe slaap.
Hij droomde dat hij de berg opklom en uit de zweetdruppeltjes die van zijn gezicht op de grond dropen, de prachtigste bloemen groeiden. Het was één kleurenpracht.
De wereld, deze berg, waar hij nu op liep, werd “de Bloemenberg” genoemd.
Er ontstond een legende in het dal, waar hij en de kleine Elf de bloemenmeesters waren van de berg.
Opeens schrok de oude elf wakker.
De zon was bijna onder en hij hoorde de kleine Elf het avondlied al zingen.
Snel stond hij op, hij was nog niet over de helft en het werd al bijna donker.
De oude Elf liep verder de steile berg op.
Hij moest langs afgronden en over smalle paden.
Hij hoorde de nachtgeluiden langzaam vanuit de stilte opkomen en hij werd bang.
Steeds sneller begon de oude Elf te lopen en hij moest zich vaak staande houden aan een boom of rotsblok om maar niet te vallen.
Hij hoorde geluiden die hij nog nooit eerder had gehoord en hij zag ogen die licht gaven en naar hem keken.
De oude Elf begon nu te rennen.
Hij was bijna bij de top, hij hoefde nog maar een klein stukje. Tot hij viel!
De oude Elf was zwaar vermoeid, zijn handen en voeten waren bebloed door de val.
Hij lag voorover op een rotsblok en hij huilde.
Dikke tranen van vermoeidheid vielen op de grond en hij voelde niet dat hij gedragen werd.
Hij voelde niet dat hij gewassen werd. Hij voelde niet dat hij geslapen had.
Tot hij opschrok van een prachtig geluid.
Een nachtegaal was zijn eerste gedachte, maar toen hij om zich heen keek, zag hij dat hij in het huisje van de kleine Elf was.
Hij keek door het raam naar buiten en zag de kleine Elf op een rotsblok staan.
Zij zong zo schoon, zo zuiver, zo magisch en de oude Elf was blij dat hij de berg had beklommen.
Hij had het gehaald, hij had de berg beklommen.
Hij was zichzelf tegengekomen en hij had het verloren van de angst, maar hij had het in de ogen aangekeken.
Hij had doorgezet en was niet terug naar huis gevlucht.
Hij had de top bereikt! Het enige wat hem nu nog kon inhalen was zijn eigen dood.
Maar hij wist dat die dag snel zou komen.
‘s Avonds luisterde hij nogmaals naar het prachtige gezang van de kleine Elf.
Hij deed zijn ogen dicht en hij wist, dat hij tijdens dit lied zou sterven.
Langzaam verdween de oude Elf naar het witte licht, waar hij thuiskwam als “Meester van de bloemen.”
Op de berg groeiden nu niet alleen prachtige witte rozen en lelies, maar ook de kleurrijkste bloemen.
Waar zijn bloed en tranen vielen groeiden nu seringen en lavendel.
Vanuit het Hemelrijk verzorgde hij de berg en hij hoorde zijn kleine vriendinnetje elke ochtend en elke avond zingen.
Hij zag dat het gezang voeding was voor de berg en hij bleef even staan en luisterde en een warme glimlach verscheen op zijn gezicht.
