Een vrouw keek over het stille water.
Ze verwonderde zich erover, hoe schoon en stil het hier was.
Vaak had ze hier gewandeld met haar vader.
Hand in hand liepen ze dan door het hoge gras en bij iedere bloem of kruid bleef haar vader even staan.
Hij hurkte dan, om uit te leggen wat voor bloem of kruid er groeide en waar je het voor kon gebruiken. Het waren heerlijke uitjes voor het meisje.
Ze had dan heel even haar vader voor zich alleen en ze voelde dan een speciale band tussen hen beiden. Hij was net als zij. Een stil en zachtaardig persoon.
De natuur was dan voor hun beiden.
Maar nu was ze een vrouw en ze stond weer aan die stille waterkant.
Het gras was hoog en hier en daar zag ze de bloemen en de kruiden waar haar vader over had verteld. Een zachte glimlach kwam op haar mond, toen ze terugdacht aan die heerlijke tijd.
Terwijl ze terugdacht, kwamen ook de tranen.
Het gemis, dat gevoel van één zijn met hem was nu al meerdere jaren weg.
Er waren gebeurtenissen in haar leven geweest.
Door deze gebeurtenissen had haar vader een ander beeld van haar gekregen.
Het beeld van een slechte vrouw.
Een vrouw die altijd het ongeluk met zich mee bracht.
Een vrouw met problemen. Een vrouw die hem pijn had gedaan en hem had beschaamd. Hij had samen met de rest van de familie een nieuwe vrouw gecreëerd.
Een vrouw die zij helemaal niet was.
Ze deed niet wat zij graag wilden.
Nee, ze hadden geen grip meer op haar en haar leven.
Met zelfmedelijden vertelden ze iedereen, hoe slecht hun dochter was en hoeveel verdriet ze hiervan hadden.
Zo waren er ook altijd wel mensen die wel iets over haar konden vertellen.
De verhalen werden dan aangedikt en de onwaarheden nog smeuïger.
En de vrouw was in hun ogen nog slechter geworden dan ze eerst dachten.
De vrouw aan het water huilde.
Ze voelde de haat. Iedere dag weer voelde ze die haat naar haar toe.
Haar familie wilde haar niet leren kennen.
Ze wilden maar niet onder ogen zien, dat ze niet de vrouw was die zij dachten dat ze was. En dat maakte het leven voor de vrouw aan het water heel zwaar.
Ze was niet zoals hen. Ze was het tegenovergestelde.
Ze was zacht en vriendelijk, maar vaak te naïef.
Ze zag altijd het goede van de mensen en nooit de andere kant.
Een kant waardoor veel mensen misbruik van haar maakten, maar dat gaf niet, ze was niet haatdragend. Maar het gevoel van verstoten te zijn en het weten dat hij haar nu haatte, verscheurde haar hart.
Terwijl ze zo van hem hield en hem niet kon bereiken met haar liefde voor hem.
De vrouw droogde haar gezicht en lachte naar een groep ganzen die over vloog.
Ze draaide zich om, plukte wat kruiden en met een fijne herinnering liep ze weer hand in hand met haar vader door het hoge gras.
Er was eens een oude vrouw.
Deze vrouw was heel erg aardig.
Ze begroette iedereen die ze tegenkwam heel vriendelijk, maar het was niet altijd wederzijds. Veel mensen konden het niet verdragen dat deze vrouw zo aardig was.
Ze probeerden haar dan ook te pesten.
De oude vrouw nam dan ook meteen afstand van deze mensen en ging door met aardig zijn. De oude vrouw zat in een grote rieten stoel voor het raam en keek naar buiten. Ze was weer vriendelijk tegen mensen geweest, maar vandaag had iemand haar uitgescholden.
De oude vrouw was helemaal van slag.
Ze was verdrietig naar huis gegaan.
Ze begreep niet waarom mensen zo naar tegen haar deden.
Ze zat voor het raam, sloot haar ogen en vouwde haar handen.
Ze vroeg aan de Engel die achter haar stond: ‘Hoe kan het dat mensen onaardig tegen mij doen? Ik ben altijd vriendelijk tegen iedereen!’
De Engel achter haar legde een hand op haar hoofd en antwoordde: ‘Je hebt zoveel liefde en licht in je, je bent een echte oude wijze ziel, maar kijk eens in die hoek, naar wat je altijd met je meeneemt.
De vrouw deed haar ogen open, in de hoek zat een heel groot monster met om zijn nek een heel dik touw.
‘Dit monster heb jij door de eeuwen heen zelf gecreëerd en het is groter en groter geworden.
Dat monster wil nog groter worden, zodat het de totale macht heeft over jouw leven.
Jij vroeg, waarom mensen zo naar tegen jou doen?
Dit is, omdat hun eigen monster groter is geworden dan zij zelf zijn.
Dus pak een mes en snijdt elke keer als het monster jouw pijn, verdriet, angst en haat wilt laten voelen, één draadje van het dikke touw dat rond zijn nek zit door.
Maar pas op! Het monster zal nog harder aanvallen.
Het zal er alles aan doen om de macht over jou te krijgen.
Loop niet in zijn val, maar snijdt een draadje los.
Hoe meer draadjes je doorsnijdt, des te meer emoties, pijn, verdriet, en haat hij jou laat voelen.
Het monster weet dat het gaat sterven en doet er alles aan om zijn controle te behouden.
Kijk, hij kwijlt. Hij is boos en wil zo met zijn aanval beginnen.’
De oude vrouw zag het monster en zag dat de Engel een mes tevoorschijn haalde en aan haar wilde geven.
De vrouw nam het mes aan en sneed één draad door van het dikke touw.
Het monster ging meteen terug de hoek in en het gevaar was geweken.
‘Doe dit elke keer. Snijdt het koord door en de haat van ieder mens wat jij tegenkomt, zal terug gekaatst worden naar zichzelf als een spiegel.
Zo zal dan ook bij hen het proces gaan beginnen van wakker worden.’
De vrouw bedankte de Engel en de Engel bedankte de oude vrouw.
Samen waren ze die ene oude ziel die door het raam naar buiten keek.
Er was eens een vrouw die de hele dag alleen maar aan het schoonmaken was.
Voor iedere dag had ze haar schoonmaaktaken.
Op maandag waste zij de ramen, op dinsdag boende zij de stoep en ga zo maar door. Haar huis was als een paleisje.
Een man had ze niet en kinderen waren er nooit gekomen.
Ze zat niet bij een vereniging, sporten deed ze niet en op vakantie ging ze nooit.
Elke dag, ieder uur, was ze bezig met haar huisje.
Ook haar tuin was een plaatje. Iedere dag werkte ze wel een paar uurtjes in de tuin. Geen steen lag verkeerd, het grind op het pad was altijd keurig geharkt en het onkruid werd bij de eerste zonnestraal met wortel en al onmiddellijk uitgeroeid.
Mensen in haar omgeving kenden haar ook niet anders dan als Truus Kraak.
Kraak was haar bijnaam, omdat alles bij haar zo kraakhelder was.
Het was maandag, ze wilde de ramen gaan zemen.
De vitrage werd voor de ramen weggehaald en in de wasmachine gedaan.
Ze pakte een trap uit de schuur en maakte haar eigen wondermiddel om de ramen hiermee in te zepen.
Ze nam spons en zeem en ging aan de slag.
Met de trekker en een droge doek poetste de ramen nog een beetje op totdat ze glommen.
Net toen ze aan het tweede raam wilde beginnen voelde ze pijn in haar arm.
Daarop volgde een pijn in haar borst en de vrouw voelde zich opeens niet zo lekker worden.
Voorzichtig liep ze het trapje af en ging in een stoel zitten om uit te rusten.
Met haar spons en zeem liep ze het Hemelrijk in en ze keek wat verwilderd om zich heen.
‘Waar ben ik?’ vroeg de vrouw.
Een Engel, die bij de Hemelpoort stond te wachten, vertelde haar dat ze, nadat ze in de stoel was gaan zitten, was overleden.
De vrouw raakte in paniek. ‘Dat kan niet! Dat mag niet!
Ik heb mijn vitrage nog in de wasmachine zitten en de ramen zijn nog niet schoon.
Oh wat zullen de mensen daar wel niet van zeggen!’
De Engel had de vrouw aangehoord en zei: ‘Kom, wij gaan eerst even rusten.’
De vrouw liet het maar begaan, ze was best wel moe geworden.
Ze werd in een warm bed gelegd en ze viel direct in slaap.
De Engel stond bij het bed en een Gouden Engel kwam naast haar staan.
‘Wie is deze vrouw?’ vroeg hij aan haar.
‘Dit is Truus Kraak, ze heeft haar hele leven alleen maar schoongemaakt.
Ze heeft eigenlijk niets meegemaakt. Geen pijn, geen verdriet, geen herinneringen, geen liefde, niets eigenlijk. Misschien alleen de angst.
Ze was bang voor wat andere mensen van haar dachten.
Ze had haar vitrage nog in de wasmachine zitten en haar ramen waren nog niet schoon.’
De Gouden Engel fronste zijn wenkbrauwen.
Hij haalde een boek tevoorschijn en bladerde daar in.
‘Wat is dat voor een boek?’ vroeg de Engel? ‘In dit boek staan alle namen van de mensen die vandaag binnenkomen. ‘Maar ik zie geen “Truus Kraak” staan.’
‘Dan was het vast en zeker haar tijd nog niet’, zei de Engel zachtjes.
De Gouden Engel dacht eens na, riep de andere Gouden Engelen bij zich en bespraken het probleem waar ze tegenaan waren gelopen.
Pakten nog eens het boek erbij en bladerden er doorheen.
Nee, er stond geen “Truus Kraak” in.
‘Dan moet ze terug naar huis’, zei één van de Gouden Engelen.
‘Dat kan niet, de verbinding is al verbroken’, zei een ander.
‘Dan maken we toch een nieuwe verbinding’, zei weer een ander.
‘Maar dat is tegen de regels! Alleen bij hoge uitzondering!
Dan moeten wij de Grote Witte Engelen om toestemming vragen’, zei een Gouden Engel.
Daar waren ze allemaal mee eens.
‘Kom!’ zei de Gouden Engel tegen de Engel. ‘Je zult nu iets gaan zien, wat je nog niet eerder hebt gezien.
Wij gaan naar de twaalf hoogste Engelen van ons Hemelrijk.’
De Engel knikte, en aaide de vrouw over haar zachte haar.
‘Vreemd dat zij hier al is, terwijl het nog geen tijd voor haar was.’
Samen hand in hand liepen de twee Engelen de trappen van het Hemelrijk op.
Boven aangekomen, kwam er een gondel hun tegemoet.
Ze stapten in en voeren door het niets naar een hoger bewustzijnsniveau.
Toen ze er bijna waren, mochten ze uitstappen, om vervolgens weer een trap te beklimmen.
Het was best nog een lange reis vond de Engel.
Toen ze boven aan de trap aangekomen waren, zagen ze een groot plein.
Het was er wit van kleur en de lichte pastelkleuren zorgden ervoor, dat er enige verandering van structuur zat in het geheel.
‘Kom’, zei de Gouden Engel, we zijn er bijna.’
Het hoge gebouw met al die grote ramen kwam dichterbij.
Ze stapten naar binnen en liepen een lange gang door.
Toen bleef de Gouden Engel staan en keek naar een grote marmeren deur.
De deur ging vanzelf open en twaalf Grote Witte Engelen stonden hen netjes op een rijtje op te wachten. ‘Welkom, mijn lieve kinderen’, zei er één.
Hij omhelsde hen en ook de andere Grote Witte Engelen begroetten hen met blijdschap.
De Engel die de hele reis geen woord had gezegd, was onder de indruk.
Haar verenpak was hier witter dan wit en ook voelde het alsof ze een beetje aan het zweven was.
‘Dat zweverige gevoel komt door het verschil van werelden’, zei een Grote Witte Engel.
Hij lachte de Engel toe. ‘Je zal er snel genoeg aan gewend zijn.’
De Engel knikte verlegen. Ze was nog nooit zo ver van huis geweest.
‘Zo’, zei de oudste Engel van de twaalf.
‘Wij hebben begrepen dat er iemand overleden is en dat het niet had mogen gebeuren, klopt dat?’
‘Ja’, zei de Gouden Engel die het woord nam. ‘Ze staat niet in de boeken.
We hebben alles nagekeken, maar het blijkt haar tijd nog niet te zijn.
Nu willen wij vragen, of wij haar terug mogen sturen door een nieuwe verbinding te maken.’
De twaalf Grote Witte Engelen hoorden het verhaal aan.
‘Hoe heet deze vrouw?’ vroeg er één.
‘Ze heet Truus Kraak.’
Ook de Grote Witte Engelen haalden hun administratie tevoorschijn.
‘Nee, inderdaad, ze staat er niet tussen, ook niet voor de weken erna, ‘vreemd’, zeiden ze.
‘Dit gebeurt normaal gesproken nooit.
Wat is het voor een vrouw? Heeft ze veel meegemaakt?’
De Gouden Engel schudde zijn hoofd.
‘Eigenlijk niets. Het enige wat we hebben gevonden, is de angst voor wat andere mensen van haar vinden.
Ze heeft haar hele leven alleen maar schoongemaakt.’
De twaalf Engelen keken verschrik op.
‘Schoongemaakt?!’ riepen ze alle twaalf in koor.
De Gouden Engel knikte. ‘Een somber bestaan, terwijl er zoveel moois te beleven valt op de planeet Aarde.’
De twaalf Grote Witte Engelen gingen in overleg.
Na enige tijd waren ze er uit.
‘Stuur haar terug en geef haar een nieuw pakket met lessen mee.
Laat haar reizen, laat haar genieten van al het moois wat groeit en bloeit.
Laat haar genieten van ze zon, de zee, de planeet Aarde.
Laat haar houden van elk dier, van iedere plant.
Laat haar bewust worden van wat het leven nu werkelijk inhoudt.
Laat haar oud en gelukkig worden. Pas dan mag ze terugkomen naar huis.
Het is nu nog veel te vroeg.’ De Gouden Engel knikte, hij had het begrepen.
Ze namen afscheid van elkaar en gingen via dezelfde trappen naar beneden.
Toen ze terug kwamen vertelden ze aan de anderen, wat de Grote Witte Engelen hadden gezegd.
Ze gingen meteen aan de slag.
Ze kozen een heerlijk leven uit voor de vrouw.
Het allerfijnste leven wat je je maar kon wensen.
De Engel liep naar de vrouw die nog steeds lag te rusten.
Heel voorzichtig maakte ze haar wakker.
‘Truus, Truus, wakker worden! Je mag terug naar huis.’
De vrouw werd wakker en stond meteen naast haar bed.
‘Mag ik naar huis? Fijn, mijn was zal nu wel klaar zijn.’
‘Ik zal je brengen’, zei de Gouden Engel en hij aaide de vrouw zachtjes over haar zachte haar.
‘Geniet van je reis’, zei hij nog tegen haar, maar ze hoorde het al niet meer.
In een soort roes gingen ze door een poort terug naar de Aarde.
Haar lege lichaam zat nog op de stoel.
De Gouden Engel tilde haar op, legde haar voorzichtig terug in haar lichaam en keek toe hoe ze wakker zou worden.
Met een schok werd de vrouw wakker.
‘Waar ben ik?’ Ze keek verschrikt om zich heen.
‘Oh ja, ik was de ramen aan het zemen en toen voelde ik mij niet zo lekker en ben ik gaan zitten.’
Ze stond weer op en zeemde de ramen verder af.
Haalde de vitrage uit de wasmachine en hing ze keurig terug aan de rails.
‘Zo, dat was wel genoeg voor vandaag.’
Ze keek naar buiten en zag dat ze zon scheen.
Ze ging in een tuinstoel zitten en keek om zich heen.
Voor het eerst zag ze de natuur zoals deze echt was.
Voor het eerst zag ze kleuren die ze daarvoor nog nooit eerder had gezien.
Een vogel vloog voorbij en de vrouw had er zoveel liefde voor.
Wat is het hier toch mooi. En iedere dag kwam er een wondertje bij.
Iedere dag werd ze zich bewuster van het leven hier op Aarde, in al haar levensvormen.
Ze opende haar oogjes en keek om zich heen.
Het leek net of ze vast gesnoerd zat.
Ja, het was een vlies waar het licht doorheen scheen.
Een vlies dat strak om haar heen gewikkeld zat.
Ze wilde eruit!
Ze wilde dat mooie licht zien! Ze wilde vrij zijn!
Met haar voorpootjes en haar mondje probeerde ze een gat in haar coconnetje te knagen.
Het viel nog niet mee om er een gat in te krijgen, maar na tien minuten voelde ze zachte warme lucht langs haar gezichtje stromen.
Ze werd nieuwsgierig naar deze warme zoete lucht die haar tegemoet kwam en als een bezetene begon ze te knagen.
Langzaam trok zij zichzelf met haar voorpootjes naar buiten.
Ze hield zich stevig vast aan haar verlaten coconnetje en heel voorzichtig sloeg ze haar vleugeltjes wijd open.
Ze slaakte een diepe zucht, toen die warme zoete lucht over haar heen stroomde.
Van de inspanning moet ze ingedommeld zijn, want ze schrok opeens wakker.
Haar pootjes hielden nog altijd haar coconnetje stevig vast.
Haar vleugels waren opgedroogd door die warme zoete lucht.
Ze sloeg een paar keer met haar vleugels.
Er ontstond een druk onder haar vleugels, waardoor haar pootjes het coconnetje los lieten.
Ze sloeg haar vleugeltjes heen en weer en ja hoor, ze vloog!
Ze vloog naar de hoogste boom.
Ze vloog over de hoogste toren van de stad en ze had zo’n plezier.
Ze lachte en ze zong en ze voelde zich vrij.
Ver beneden zich zag ze de prachtigste kleuren en rook ze de heerlijkste geuren.
Het vlindertje werd nieuwsgierig en vloog naar beneden.
Wat ze zag was een weide vol met bloemen. Heerlijke zoete bloemen.
Ze vloog van de ene bloem naar de andere. Ze at, ze vrat tot haar buikje vol zat.
‘Zo, jij bent een lekker vretertje’, hoorde ze opeens zeggen.
Ze draaide zich om en keek naar het prachtigste wezen wat ze tot nu toe had gezien.
‘Jij bent zeker nieuw hier hè?
Ik zie dat aan je, omdat jij je helemaal vol eet.’
Het vlindertje knikte verlegen van ja.
Hij kwam nu wat dichter naar haar toe gevlogen.
Hij, met zijn grote gespierde vleugels.
Hij, met vleugels zo fijn van kleur. Hij die zo bijzonder mooi was.
Het vlindertje wilde wat zeggen, maar ze begon te stotteren.
Ze kwam niet meer uit haar woorden.
Hij vloog nu bij haar op de bloem en keek haar aan.
‘Weet jij dat wij hetzelfde zijn?
Wij zijn even groot, onze vleugels hebben dezelfde kleuren.
Als ik jou zie, is het net alsof ik naar mezelf kijk.
Jij ziet mij nu, maar zo zie jij er ook uit.’
Het vlindertje was verbaasd: ‘Ben ik net zo mooi als jij?’
Hij knikte van ja. ‘Dus ik hoef niet tegen jou op te kijken?
Ik ben niet minder dan jij? Wij zijn hetzelfde?’
Hij knikte weer van ja.
Het vlindertje was zo blij en met haar voorpootjes pakte ze zijn pootjes even stevig vast.
‘Zullen wij samen gaan vliegen?’ vroeg hij haar.
Ze lachte blij. ‘Wie het eerst bij de zon is!’ riep ze toen ze al wegvloog.
En hoog in de lucht vlogen ze samen de vrijheid tegemoet.
Op een dag was er in een ver land, hier heel ver vandaan, een klein meisje en dit kleine meisje was verdrietig.
Ze huilde de hele dag en ze kreeg van iedereen die ze tegenkwam een zakdoek.
Het was niet zomaar een zakdoek die ze dan kreeg.
Nee, ze gaven haar de mooiste zakdoek die ze maar hadden.
Met deze zakdoek droogde ze dan haar tranen, snoot ze haar neus en huilde dan weer verder.
Zodra ze ’s avonds thuiskwam, opende ze het tasje wat ze bij zich had en haalde dan alle vieze zakdoeken eruit.
Haar vader en moeder begrepen niet waarom hun dochter zo verdrietig was.
Ze waren al met haar naar de dokter geweest en een psycholoog maar geen van allen kwam erachter waarom het meisje zo moest huilen.
Haar ouders hadden alles al geprobeerd om haar te laten stoppen met huilen, maar niets hielp.
En zo kwam het dat het meisje maar door bleef huilen.
Er waren een aantal jaren verstreken, maar het meisje huilde nog steeds.
Dikke tranen dropen over haar wangen naar beneden.
Mensen vroegen haar wel eens: “Waarom huil je nu?
Er is toch niets waar jij je verdrietig om hoeft te voelen?”
Het meisje huilde door haar tranen heen en huilde dan nog harder.
Nog altijd begreep niemand waarom het meisje huilde, dus bleven ze haar maar zakdoekjes geven.
Op een dag kwam een oude man naar haar toe gelopen.
Hij keek het meisje in haar betraande ogen aan en zei: “Wil je graag weten waarom je verdrietig bent?”
Het meisje knikte door haar tranen heen van ja.
“Maar ik weet niet hoe”, zei ze wanhopig en ze huilde verder.
“Mijn naam is Theodoor en samen met mijn vrouw wil ik je graag helpen.
Liefde voor de ander is ons houvast in dit leven en met liefde kunnen we alles helen.
Mijn vrouw en ik zullen je vanuit deze liefde helpen.
Maak je klaar voor een lange reis en je zal je tranen achter je mogen laten.”
Het meisje wist niet wat ze hoorde en snelde naar huis.
Onder het huilen door vertelde ze in horten en stoten aan haar ouders dat een ouder echtpaar in het dorp haar wilde helpen.
Moeder pakte meteen de rugtas van het meisje in en samen met haar ouders liep ze naar het huisje van het echtpaar.
Het meisje had haar rugtas om gedaan en klopte wat gespannen aan op de deur.
De deur ging open en daar stond een oude vrouw die haar vriendelijk aankeek.
“Oh, daar is ze al, het huilende meisje.
Ben je klaar om mee op reis te gaan?” vroeg ze met liefdevolle stem.
Het meisje knikte en huilde zachtjes verder.
“Neem nu maar afscheid van je vader en moeder, want we gaan een lange reis maken.”
Vader en moeder omhelsden hun lieve dochter.
Moeder drukte nog snel een paar zakdoeken in haar hand.
“Voor onderweg”, fluisterde ze in haar oor.
En zo gingen Theodoor en zijn vrouw samen met het huilende meisje op reis.
Alle mensen uit het dorp liepen achter het drietal aan, om hen aan het einde van het dorp uit te zwaaien.
Nadat ze het dorp achter zich hadden gelaten, liep Theodoor naar het meisje toe.
Hij keek haar liefdevol aan en nam de rugtas van haar over.
Hij maakte de rugtas open en pakte alle zakdoekjes eruit die er nog in zaten.
Ook de zakdoekjes die ze vlak voor hun vertrek van moeder had gekregen pakte hij, om ze daarna in de prullenbak die naast de weg stond te gooien.
“Maar ik heb deze zakdoekjes nodig!” riep het meisje verschrikt.
“Hoe moet ik dan mijn tranen drogen en mijn neus snuiten?”
“Vertrouw op mij”, zei Theodoor. “Kom, doe je rugtas weer om, we reizen verder.
Het meisje huilde. Wat moest ze nu zonder haar zakdoeken, hoe moest ze nu haar tranen drogen?
Het echtpaar had een pad uitgekozen die door bergen en dalen liep en het meisje volgde hen.
Ze huilde nog steeds en af en toe keek ze om zich heen om te zien hoe mooi het hier was.
Maar dan kwamen de tranen weer en kon ze niet genieten van de reis.
De bergen werden steeds hoger en de afdalingen steeds gevaarlijker.
Het meisje moest heel goed opletten en zich concentreren op waar ze liep.
Opeens besefte ze dat ze niet huilde.
Ze merkte op dat haar huilen was gestopt, omdat ze zo geconcentreerd was op waar ze liep.
Het oude echtpaar keek achterom en keken naar haar.
Ze zagen een stralende glimlach op haar gezichtje verschijnen.
De zon kwam achter een wolk tevoorschijn en opeens leek de wereld er veel mooier uit te zien.
Het meisje zag kleine witte bloemetjes tussen de rotsen groeien en ze rook eraan.
Het rook zo heerlijk zoet.
Ze zag een buizerd hoog in de lucht vliegen en ze keek hem na totdat hij uit haar gezichtsveld verdween was.
Ze zag de wolken overdrijven en ze zag in iedere wolk een dier.
Zo leek de ene wolk op een schaap en een andere wolk op en tijger.
Maar de reis ging verder en de bergen werden hoger.
Het meisje had al dagen niet gehuild en ze lachte om ieder dier wat ze zag.
Ze rook aan iedere bloem die ze tegenkwam.
De lucht was helderblauw en de besneeuwde toppen zagen er magisch uit.
Het meisje genoot. Ze kon over alle bergen heen kijken.
Nu waren ze bijna bij de top van de berg aangekomen en Theodoor kwam naar haar toe gelopen.
“Het is tijd om je rugtas af te doen.”
Het meisje deed haar rugtas af en gaf deze aan de oude man.
Hij opende de rugtas en zag dat er niets meer in zat.
Daarna gooide hij de rugtas naar beneden en zei lachend tegen het meisje: “Zo, die heb je niet meer nodig.”
Het meisje keek verschrikt naar haar tas die inmiddels naar beneden viel.
“Kom we gaan verder”, zei Theodoor en met zijn drieën liepen ze de steile besneeuwde berg omhoog.
Eenmaal op de top aangekomen, konden ze over de wereld uitkijken.
Het uitzicht was adembenemend en het meisje keek haar ogen uit.
Theodoor pakte haar hand en zei: “Je hebt de hoogste berg beklommen, je hebt de diepste dalen gezien en je hebt geen traan gelaten.
Waren de tranen die jij al jarenlang hebt gehuild wel jouw tranen?”
Het meisje keek Theodoor verbaasd aan en haalde haar schouders op.
“Ik weet het niet Theodoor”, zei ze zacht.
“Waarom huilde je dan?” vroeg hij weer.
“Was er misschien iets gebeurd waardoor je verdrietig was?”
“Nee, ik was nergens verdrietig om.
Ik weet niet waarom ik huilde”, zei het meisje weer en keek Theodoor en zijn vrouw aandachtig aan.
“Dan weten wij waarom jij huilde”, zei Theodoor tegen haar.
“Echt waar?” vroeg ze nu verbaasd.
“De liefde die jij in je draagt heeft al het verdriet van iedereen op zich genomen.”
Het meisje begreep er niets van.
“Doordat iedereen jou een zakdoek gaf, werd op deze manier ook hun verdriet aan jou doorgegeven.
Ja”, zei Theodoor lachend, “het is eigenlijk heel simpel.
Mensen vonden het verschrikkelijk dat jij zo moest huilen.
Ze wilden je troosten, omdat ze zelf zo gelukkig waren en ze jouw verdriet niet aan konden zien.
Ze probeerden je te helpen, door jou hun mooiste zakdoek te geven, maar ze gaven niet alleen een zakdoek.
Nee, ze gaven ook hun eigen pijn en verdriet erin mee, waardoor ze zich, nadat ze jou de zakdoek hadden gegeven, beter gingen voelen.
Zij werden gelukkig, doordat ze jou hun zakdoek gaven en jij huilde hun tranen telkens weer opnieuw.
Alles veranderde, nadat ik al die zakdoeken had weggegooid.
Het huilen stopte en zo kon je zien wie je echt was.
Een meisje dat straalt.”
Het meisje lachte en keek nog eens over de wereld uit.
Opeens keek ze Theodoor weer aan en vroeg hem bezorgd: “Maar als we straks teruggaan en ik moet weer huilen, wat dan?”
“Wij gaan niet meer naar diezelfde wereld terug.
Dat was de oude wereld van verdriet en pijn.
Wij gaan straks een nieuwe wereld binnen, waar alleen maar liefde is.”
Theodoor pakte haar hand en die van zijn vrouw vast en met zijn drieën sprongen ze van de berg af.
Plotseling stonden ze weer in een andere wereld.
De berg waar ze vanaf waren gesprongen lag achter hen.
De zon scheen en de wolken dreven als schapen over.
Een rivier kabbelde rustig door het dal.
Het meisje was zo gelukkig en keek vol verwondering om zich heen.
Ze was in een wereld terecht gekomen zonder tranen.
Een wereld waar gelachen en gedanst werd.
Nu was ze voor het eerst echt gelukkig.
Samen met Theodoor en zijn vrouw maakte ze lange reizen en zagen ze de mooiste dingen.
Totdat het tijd was om terug te gaan.
Het was een lange weg naar huis, maar na enige tijd kwam het dorp in zicht.
Haar ouders stonden al op de uitkijk en zagen haar vanuit de verte aankomen.
Alle bewoners kwamen naar de rand van het dorp toegesneld.
Ze zwaaiden naar het drietal en allemaal hadden ze een mooie zelfgemaakte zakdoek in hun hand.
Het meisje schrok.
“Wat moet ik doen?” vroeg ze verschrikt aan Theodoor.
Theodoor begon te lachen. “Wacht maar.”
Hij ging voor de menigte staan en riep: “Het huilende meisje is nu geen huilend meisje meer!
Ze heeft haar tranen achter zich gelaten en ze zal jullie zakdoekjes niet meer nodig hebben!
Neem allemaal uw zakdoekjes weer mee terug naar huis.
Kijk dan elke dag naar uw zakdoek en stel uzelf de vraag, waarom u zo graag deze zakdoek aan het meisje wilt geven.
Ze heeft deze reis gemaakt, om haar tranen los te laten.
U wist dat wanneer ze naar het dorp terug zou keren niet meer zou huilen, maar toch heeft u allen opnieuw een zakdoekje voor haar gemaakt. Waarom?!”
Is dit misschien, omdat u helemaal niet wilt dat het huilen zou stoppen….?” en Theodoor keek de mensen één voor één aan.
Een oude vrouw stapte naar voren en verklaarde: “Wij hebben zo’n verdriet gehad toen het huilende meisje weg was.
Wij hebben haar zo gemist. Alles ging hier fout in het dorp.
De oogst mislukte en we leven nu in armoede.
We hebben verdriet en pijn. Daarom hebben we de mooiste zakdoek voor haar thuiskomst gemaakt.
In de hoop dat als zij deze aanneemt en wij daardoor verlost zijn van onze pijn en verdriet.
Alsjeblieft…. Neem onze zakdoekjes aan!?” en de oude vrouw viel op haar knieën.
Ook de andere dorpsbewoners vielen op hun knieën en boden haar hun zakdoek aan.
Het meisje was verward. Wat moest ze doen?
Haar vader kwam naar haar toe gelopen en zei: “Ik zie dat je al die tijd de pijn en verdriet van ons allemaal hebt gedragen.
Het wordt tijd dat je een keuze gaat maken.
Wil je je eigen weg volgen, of ga je de mensen uit het dorp helpen?”
Het meisje wist niet goed wat ze moest doen en keek wanhopig naar Theodoor.
Theodoor knikte naar haar. “Je kunt het”, zei hij zacht en het meisje liep naar voren.
“Ik heb hoge bergen beklommen en in de diepste dalen gewandeld.
Ik heb een prachtige reis gemaakt en mocht mijn huilen achter mij laten.
Ik stel voor om samen met mij mee op reis te gaan.
Dezelfde reis die ik samen met Theodoor en zijn vrouw mocht maken.
Alleen zo kunnen we elkaar helpen.
Ik zal naast u lopen. Ik zal u helpen wanneer uw pad te zwaar wordt, maar ik kan uw last niet meer dragen.”
Een jonge man kwam naar voren. “Ik ga mee!”
“Ik ook!” riep een meisje.
En zo ontstond er een klein groepje dat zich klaarmaakte voor een lange reis.
Elke keer wanneer het meisje weer terugkwam met een groep, stond er alweer een nieuwe groep klaar die met haar mee op reis wilde.
Langzaam veranderde het dorp in een andere wereld.
Een wereld van liefde en begrip en hun leven was mooi.
Zo mooi dat wij er een verhaal over mochten schrijven.
