Het was lang geleden, maar hij dacht er telkens aan terug.
Hij kon er niets aan doen.
Zijn gedachten gingen keer op keer terug naar het verleden.
Een oude man stond voor het raam en keek over de verlichte straten.
Het was inmiddels donker geworden.
Hij was nog niet aangekleed, omdat hij de hele dag in zijn pyjama had doorgebracht.
Hij liep van het raam weg richting de haard, pakte een foto van de schouw en keek ernaar.
Met zijn vinger gleed hij voorzichtig over het glas.
Het lieve gezichtje op de foto was van zijn overleden vrouw.
Ze was nu alweer tien jaar weg, maar het moment dat ze in zijn armen wegzakte, voelde nog als gisteren.
De man zette de foto weer terug op de schouw, pakte een andere foto en glimlachte liefdevol naar de jongen op het portret.
Het was een foto van zijn zoon, uit de periode dat hij nog gelukkig was.
Wat een heerlijke knul. Ook hij was op slag uit zijn leven weggerukt.
De man zette ook deze foto weer terug op de schouw, liep terug naar het raam en keek weer naar buiten.
Het was bijna kerst, de winkels hadden hun schappen gevuld.
Overal waar hij keek, waren winkelende mensen met tassen vol eten en cadeaus.
De man keek de drukke winkelstraat in.
De straten waren versierd en overal hingen kerstklokken aan lantarenpalen.
En hij mompelde: ‘Wat is nu een kerst zonder Kerstman.’
Een grote glimlach verscheen op zijn gezicht.
Hij draaide zich om en liep de woonkamer uit.
In de slaapkamer pakte hij zijn kerstpak uit de kledingkast.
Hij ging naar de badkamer, waste zich, kleedde zich om en kamde zijn baard en zijn haar.
Dat laatste was lang genoeg om onder zijn muts uit te laten komen.
Toen hij klaar was, bekeek hij zichzelf in de spiegel.
Hij was wat dikker geworden, maar dat was niet erg, want zijn pak zat nu als gegoten.
Hij deed het licht uit, zijn deur op slot en liep naar het winkelcentrum.
Klop, klop. Hij wachtte rustig totdat de deur geopend zou worden.
Na enige tijd kwam daar beweging in.
De deur werd geopend en daar stond een oude vrouw met haar rollator in de deuropening.
‘Ik kom u een fijne kerst wensen’, zei de Kerstman, ‘mag ik binnenkomen?’
De vrouw keek verbaasd, ze had geen bezoek verwacht.
De oude vrouw liet de Kerstman binnen.
Hij ging tegenover de oude vrouw op een stoel zitten.
‘Mevrouw, ik wil u graag een cadeautje geven.
Ik zie u elke dag naar het winkelcentrum gaan om daar andere mensen uit de buurt te ontmoeten.’
De vrouw keek de Kerstman aan en knikte.
Het klopte wat hij zojuist had verteld.
‘Ik zie ook dat u eenzaam bent en alleen.’
De vrouw kreeg een kleur op haar wangen en ze knikte weer.
‘Ik heb iets voor u meegebracht.’
De Kerstman overhandigde haar een klein cadeautje.
Met trillende vingers maakte ze het pakje open.
Een prachtige zijden sjaal in de kleuren rood en geel kwam tevoorschijn.
De vrouw bevoelde de zachtheid van de stof met haar vingers en keek toen de Kerstman met betraande ogen aan.
‘Dank u wel’, zei ze zacht. ‘Ik zal hem elke dag dragen.’
De Kerstman stond op en zei: ‘Ik moet verder, maar ik zou het fijn vinden, als u morgen op kerstavond naar dit adres toe kunt komen.’
De oude vrouw keek naar het briefje, hier stond een adres op geschreven.
Dit was op het plein, niet ver bij haar vandaan.
Ze knikte, ze zou komen.
De Kerstman verdween en liet de oude vrouw beduusd achter.
Klop, Klop! Weer wachtte de Kerstman totdat de deur open zou gaan.
Ook nu duurde het een tijdje voordat de deur werd geopend.
Een hoogbejaarde heer deed open.
Hij droeg een kamerjas.
Aan zijn voeten staken geruite wollen pantoffels.
‘Ik kom u een fijne kerst wensen’, zei de Kerstman.
‘Ik vier geen kerst’, zei de oude heer.
‘Dat weet ik’, zei de Kerstman, ‘maar ik wil u toch graag een geschenkje overhandigen.’
De oude heer in de deuropening keek de Kerstman verbaasd aan.
Ook hij kreeg een klein cadeautje. Voorzichtig en met enige argwaan maakte de oude heer het pakje open.
Hij deed het doosje open en zag een sierlijke dasspelt.
Verbaasd keek hij de Kerstman aan.
‘Waarom?’ vroeg hij.
‘Omdat het bijna kerst is’, glimlachte de Kerstman.
De oude heer stond verstijfd in de deuropening.
‘O ja’, zei de Kerstman, ‘komt u morgenavond ook naar dit adres?’
En hij overhandigde de oude heer het papiertje met daarop het adres.
De oude heer opende het papiertje en keek de Kerstman aan.
‘Maar dat is hier vlakbij!’ De Kerstman liep weg en glimlachte.
Thuisgekomen deed de man zijn pak uit, zijn pyjama weer aan en stapte in bed.
‘Morgen wordt een bijzondere dag’, dacht de man.
En langzaam viel hij in slaap.
De volgende dag was hij al vroeg wakker, hij waste zich en kleedde zich aan.
Snel nam hij een broodje en vertrok naar de supermarkt.
Hij kreeg gasten vanavond.
De hele week had hij als Kerstman mensen bezocht, mensen die eenzaam en alleen waren.
Hij had ze elke dag, wekenlang, geobserveerd in het winkelcentrum.
Zo is hij op het idee gekomen, om hen een Kerstdiner aan te bieden.
Die bewuste avond is het heel gezellig geworden.
Zo gezellig, dat ze niet alleen kerstavond, maar ook de kerstdagen en oud en nieuw samen hebben doorgebracht.
Ze bleken alleen maar een zetje nodig te hebben van een lieve vriend, een vriend die wist wat eenzaam en alleen zijn was.
Het was bijna kerst.
De dagen werden korter de nachten werden langer.
Een eenzame oude man strompelt door de oude binnenstad.
Hij had twee verschillende schoenen aan, met daarom heen stevig plakband gebonden.
Dit had hij gedaan om ze bij elkaar te houden en tegen de scherpe kou die naar binnen wilde dringen.
Zijn jas was dik, maar hier en daar zag je een scheur van slijtage.
Een lichtblauwe muts had hij op zijn hoofd en hij steunde met zijn hele lichaam op een oude wandelstok.
Zo sjokte hij dagelijks door de oude binnenstad.
Vele winkeliers kenden hem al.
Bij de bakker kreeg hij elke morgen een warm broodje.
Soms deed zijn vrouw er een plakje kaas tussen.
Bij de groenteman kreeg hij dagelijks een appel of een banaan.
Bij de melkboer mocht hij de melk van de vorige dag opdrinken, tenminste als er nog iets over was.
Soms ging hij langs de slager.
Dat was meestal op zaterdag tegen sluitingstijd.
Dan wilde het winkelmeisje achter de kassa hem nog weleens wat lekkers geven.
Dit gebeurde dan stiekem, want de slagersvrouw is gierig.
En zo maakte de oude man dagelijks zijn ronde.
Drinken deed hij niet, in tegenstelling tot sommige collega’s.
Hij was ook niet door problemen op straat beland. Nee, hij had dit vrijwillig gedaan.
De oude man was schrijver.
En hoe kon hij over het zwerversbestaan schrijven als hij het niet zelf had meegemaakt.
Hij had zich voorgenomen om een jaar lang te gaan zwerven, en te zien wat er gebeurde.
Kon hij zich redden? Hoe kreeg hij zijn eten? En waar kun je slapen als het zo koud wordt?
Allemaal vragen die hij toen als schrijver had en nog meer antwoorden toen zijn laatste dag als zwerver erop zat.
Hij liep strompelend naar zijn huis en belde aan en zijn vrouw deed open.
Ze huilde, want ze had op hem zitten wachten.
Ze omhelsden elkaar en ze gingen naar binnen.
Eindelijk kon die baard eraf. Hij knipte zijn haar wat korter en hij ging in bad.
Zijn vrouw had al schone kleren voor hem klaargelegd.
Kleren die hem allemaal te groot waren, maar dat mocht de pret niet drukken.
De kerstboom stond in de hoek van de kamer en de kachel brandde zachtjes.
Het was warm in huis, iets wat hij niet meer gewend was.
Zijn vrouw had verse soep gekookt en dekte de tafel.
Ze zette de pan op tafel en ze zag dat haar man in slaap gevallen was.
De pan werd weer terug op het fornuis gezet en ze pakte een deken, een deze deken die ze zelf gemaakt had.
Ze dekte haar man met de deken toe.
Het begon al bijna avond te worden.
Haar man zat nog steeds aan tafel te slapen.
In zijn droom liep hij van huis naar huis.
Hij belde aan en hij vroeg iets te eten.
Maar niemand wilde iets afstaan.
Het werd koud en het begon te sneeuwen en telkens opnieuw werden de deuren voor zijn gezicht dicht gegooid.
De man in de droom moest huilen vanwege de wreedheid van de mensen.
Met een schok werd hij wakker.
Hij keek schichtig om zich heen om te zien waar hij was.
‘Heb je lekker geslapen?’ vroeg zijn vrouw, die opnieuw de pan met soep op tafel zette.
De man keek zijn vrouw aan en keek naar de soep die in de pan zat.
‘Hoe kun jij zo snel mogelijk nog meer soep maken?’ vroeg hij aan zijn vrouw.
Zijn vrouw keek hem verbaast aan. ‘Is dit dan niet genoeg soep voor vandaag?’
‘Jawel, maar het is voor mijn collega’s.
Ze zwerven nu nog over straat.
Zo meteen gaat het sneeuwen en de nachten zijn lang en koud.
Vaak ben je blij als je een plekje onder een brug vindt of in een verlaten steeg, maar vaak zaten we in het park, omdat niemand ons daar weg stuurde.’
De vrouw knikte. ‘Eet jij eerst je soep op dan zal ik kijken wat ik kan doen.’
De vrouw stond op en liep naar de keuken.
Daar vulde ze een grote wasketel met water en zette deze op het vuur.
Daarin deed ze een paar verse worsten en een kilo speklapjes.
Ze zocht alle groenten bij elkaar en in een handomdraai had ze de soep klaar.
Alleen nog even doorkoken.
Terwijl de soep stond te pruttelen liep ze de trap op naar boven.
Daar lagen al haar eigen gemaakte dekens.
Dekens die ze in het afgelopen jaar in alle eenzaamheid had gemaakt.
Ze tilde drie grote stapels naar beneden.
Uit het schuurtje haalde ze een karretje.
Met dit karretje had haar vader nog gewerkt.
De hond liep voor de kar en dan haalden ze samen oude vodden op.
Nu stond het in de schuur weg te stoffen.
In de kar zette ze de grote wasketel met soep en daar omheen legde ze al haar dekens.
Ze sneed wat plakken brood af, pakte bekers uit de kast en lepels uit de la.
Alles stond nu klaar en ze liep terug de huiskamer in.
Haar man zat naar buiten te staren, ze wist dat hij veel had meegemaakt.
Ze legde haar hand op zijn schouder en zei: ‘Ik ben klaar.
Doe jij je jas ook vast aan, dan kunnen we gaan.’
Toen de man buiten kwam wist hij niet wat hij zag.
Hij keek zijn vrouw met tranen in zijn ogen aan en kneep heel even in haar hand.
Wat waren dat prachtige warme dekens en wat rook die soep heerlijk!
‘Kom!’ zei zijn vrouw. ‘Anders wordt de soep koud.’
En samen gingen ze op weg richting het park.
Het was nu donker.
Alle kerkklokken begonnen tegelijk te luiden bij het uitdelen van de soep en de warme dekens.
De eerste sneeuwvlokken dwarrelden naar beneden en vielen op de koude grond.
En ze wisten allen dat dit een lange koude kerstnacht zou worden.
Het was een warme en zomerse dag en een meisje liep door de open velden.
Boven op een heuvel bleef ze staan en keek over de wijde werelden uit.
Overal waar ze keek zag ze prachtige mooie bomen met een dik bladerdak, en velden vol met klaprozen.
Het was een schitterend gezicht en het meisje bedacht, om hier verder de dag door te brengen. Ze legde een kleedje op het gras neer en pakte uit haar rugtas een appel en een flesje water. Ook pakte ze haar schrijfblok en haar pen.
Soms kreeg ze opeens zin om iets te schrijven, maar daar kwam het deze dag niet van.
De zon scheen hoog aan de Hemel en de zachte warme wind speelde met haar haar.
Ze ging plat op haar rug liggen en keek naar de wolkjes die over dreven.
Het meisje glimlachte, want iedere wolk leek wel ergens op.
Maar de vermoeidheid kwam om de hoek kijken en voordat het meisje er erg in had, werd ze opgepakt en meegenomen naar dromenland.
Opeens stond ze in een zonnig landschap. Net zo’n landschap waarin ze in slaap was gevallen. Naast haar stond een mooie Gouden-Engel en hij keek haar lachend aan.
“Welkom in onze wereld zonder grenzen.”
Het meisje keek verbaasd, ze had nog nooit een Engel gezien
De Engel stak zijn hand uit en keek haar vriendelijk aan.
“Ik wil je graag de werelden achter de sluiers laten zien.
Op dit moment, de langste dag van het jaar, gaan heel even de grenzen van jouw wereld open. Dan kan iedereen elkaar ontmoeten als ze daar voor open staan.
Ga je met mij mee?”
Het meisje pakte de hand van de Engel aan en voelde direct een warme energie door haar lichaam heen stromen, maar dat niet alleen, ze zag dat de sluiers tussen haar wereld en de andere werelden open gingen.
Het leek of alles met een zilverlaagje bedekt was, zodat ze onderscheid kon maken tussen haar wereld en de werelden die anders verborgen voor haar waren. Ze zag mensen lopen die eigenlijk al over waren gegaan.
Ze zwaaiden naar haar en ze zag opeens haar opa en oma wandelen.
Ze keek de Engel verbaasd aan. “Mag ik?” vroeg ze aan de Engel.
Deze knikte en zei: “Ga maar mijn kind, en neem maar afscheid van hen.”
Snel rende ze naar het oudere echtpaar toe.
Het was een fijn weerzien. Opa tilde het meisje op en zette haar op zijn schouders.
Nu kon ze werelden nog beter zien. Maar als ze de werelden echt wilde zien, dan moest ze afscheid nemen van haar grootouders, en samen met de Gouden-Engel deze werelden binnen wandelen.
Ze keek nog eenmaal achterom en zwaaide nog een laatste maal naar haar opa en oma.
Inmiddels was het meisje weer terug bij de Engel en op het moment dat ze zijn hand vastpakte, zag ze dat er iets het struikgewas inschoot.
“Wat was dat?” vroeg ze verbaasd aan de Engel.
De Engel glimlachte. “Dat was een kleine kabouter.
Er zijn er hier heel veel en ze verkennen de wereld.
Als ze zien dat er iets niet in balans is, dan verhelpen ze dat.
Maar de laatste tijd is de natuur te veel uit balans geraakt, en dan duurt het iets langer voordat de kabouters het weer hersteld hebben.”
Opeens vloog er een kleine Nimf voorbij. Ze strooide wat goudstof over een oude boom heen.
“Waarom doet dit kleine Nimfje dit?” vroeg het meisje weer.
“Dit is een Bosnimf, ze verzorgt de bomen en struiken en helpt de bloemen.
Deze boom is een oude eik en hij kan wel wat energie gebruiken.
Kom, laten we naar hem toe gaan.” Samen liepen ze naar de oude eik toe.
“Dag eik”, zei de Engel, “ik ben samen met dit lieve meisje een bezoekje aan de werelden achter de sluiers aan het brengen.
Vandaag zijn de grenzen open en zo kan iedereen die daar voor open staat deze werelden een bezoekje brengen.”
De oude eik deed zijn ogen open en keek naar de Engel en het meisje.
“Ach wat leuk, een meisje uit de mensenwereld.
Welkom mijn kind, fijn om je hier te zien. Er komen namelijk niet zo vaak kindertjes naar onze wereld.
Soms, heel even, lopen ze een Levensboomverhaal binnen, om daarna weer terug naar huis te keren.
Vaak met nieuwe inzichten over henzelf en de wereld waarin ze leven. Geniet van deze dag, het is namelijk de enige dag.
Als ik jullie een weg mag wijzen, volg dan dit gouden pad”, en hij keek naar het gouden pad dat aan de rechterkant langs hem liep.
“Als jullie dit pad volgen, zullen jullie iets moois meemaken.
Op de langste dag van het jaar, vieren wij namelijk de kortste dag van het jaar. Iedereen kom dat tezamen.
Helaas kan ik er niet bij zijn dit jaar, mijn wortels zijn te stram en te oud.
Volg deze weg, ik weet zeker dat je het heel mooi gaat vinden.”
Het meisje nam afscheid van de oude eik en samen met de Gouden-Engel liep ze over het gouden pad, verder de werelden binnen.
Het werd wat kouder en de Engel haalde uit het niets een warme jas en een mooie sjaal voor haar tevoorschijn.
Het begon langzaam te sneeuwen en de wind zorgde voor grote sneeuwduinen.
Een grote groep met sneeuwuilen vloog over, en andere dieren volgden net als zij en de Engel het gouden pad.
Het meisje keek haar ogen uit.
Van alle kanten zag ze dieren en wezentjes die ze nog nooit in het echt had gezien.
Eenhoorns liepen in een draf dieper de werelden binnen.
Ook zag ze dat kleine groepjes met lieve Elfjes haar giechelend voorbij vlogen. Iedereen was in een vrolijke stemming.
“Waar gaan we eigenlijk naartoe?” vroeg het meisje weer.
De Engel bleef even staan. “We gaan straks het bos binnen en daar midden in het bos is een grote open plek.
Op deze open plek staat de grootste en mooiste boom van het woud.
Daar vieren we het feest dat wij ‘het lichtfeest’ noemen en allemaal tezamen komen.
Kijk”, zei de Engel, “daar is het bos al.”
Het meisje keek en zag in de verte de hoge bomen staan.
Grote dikke dennenbomen bewaakten de ingang van het bos.
Er lag een dikke laag sneeuw op de takken van de bomen die er groot en magisch uit zagen.
“Zullen we verder gaan?” vroeg de Engel die zijn hand weer uitstak.
Het meisje knikte en pakte de hand van de Engel weer vast.
Samen liepen ze met alle andere diertjes en wezentjes het bos in.
Zodra ze bij de ingang van het bos aankwamen, begonnen de dikke dennenbomen te zingen. Eerst heel zacht, maar zo zuiver dat het meisje met tranen in haar ogen bleef staan om te luisteren.
“Het is zo mooi”, zei ze zacht tegen de Engel.
“Ja mooi is dat hè. Dit is om de energie nog iets meer omhoog te laten komen voor het feest.”
Samen liepen ze het bos in.
Het was inmiddels al wat donkerder geworden en de lichtjes die langs het gouden pad stonden, brandden sierlijk.
Vlinders fladderden langs hen heen richting de open plek in het bos.
Overal zag het meisje dieren van alle kanten haar kant op komen en liepen allemaal achter haar en de Engel aan.
Ze zag de eekhoorntjes en de vosjes.
Een roedel wolven sloot zich aan, maar ook een moeder muis met haar kleine muisjes.
Van overal kwamen ze aanlopen en ze hadden met z’n allen al een hele stoet gemaakt.
Het werd donkerder en de lampjes naar het pad gaven enige verlichting.
Een groep kabouters had kleine lantaarntjes bij zich, die ze onder alle dieren verdeelden.
Ook het meisje en de Engel kregen een lantaarntje, en zo liepen ze als een slinger van licht door het donkere woud.
Het meisje keek af en toe achterom, omdat het zo mooi om te zien was.
Vanuit de verte hoorden ze de dennenbomen zingen en de Engel keek het meisje glimlachend aan.
“Hoor jij de bomen ook nog zingen?”
Het meisje knikte. “Ja ik hoor ze nog, maar we zijn zo ver van hen verwijderd. Hoe kan dat?”
“De dennenbomen bij de ingang maken verbinding met alle andere bomen.
Dit doen ze om zoveel mogelijk mooie en liefdevolle energie rond te kunnen laten gaan.
Andere bomen nemen deze energie over en gaan langzaam meezingen. Luister maar.”
Samen luisterden ze en ze hoorden dat het zingen nu veel dichterbij was gekomen.
“Het geluid haalt ons in. Hoe vind je dat? Prachtig toch! Misschien is het leuk om met de bomen mee te zingen.”
“Maar ik ken dit lied niet”, zei het meisje bezorgd.
“Dat geeft niet. Je hoeft alleen maar je mondje open te doen en de energie zal de rest doen.”
Het meisje deed haar mondje open en een zachte klank kwam uit haar keeltje.
Heel lief en zacht zong ze met de bomen mee.
Nu volgde ook de Engel met zingen en het meisje was er verwonderd over hoe mooi de Engel meezong.
Ook de dieren in het bos zongen nu mee en een groot verlicht koor slingerde zich door de bossen heen.
Alle bomen zongen, alle dieren zongen en het meisje keek bewust om zich heen.
Zoiets moois had ze nog nooit mee gemaakt.
Het leek wel of alle dieren, bomen en planten met elkaar in verbinding stonden.
Het lantarentje dat iedereen vasthield, brandde nu een prachtig zacht licht dat zoveel warmte afgaf.
Dit was vrede, dit was hoe het altijd zou moeten zijn.
Dit was waar iedereen naar verlangde. Geen grenzen, allemaal tezamen, allemaal in het licht van liefde.
Opeens verscheen er een opening in het bos en het meisje keek haar ogen uit.
Midden op de open plek stond de mooiste en grootste dennenboom.
In de boom hingen wel duizend lantarentjes.
De slingers waren gemaakt van mooie Hemelse bloemen, waardoor de boom stond te stralen in het donker.
Om de boom heen stonden prachtige Witte Engelen.
Ook zag het meisje een grote groep met Feeën staan die tegelijkertijd naar haar keken en glimlachten.
Alles was zo betoverd en zo overweldigend.
“Kom”, zei de Engel, laten we daar gaan staan”, en hij wees naar en plek dicht bij de boom. Samen liepen ze er naartoe.
De dieren die achter hen aanliepen verspreidden zich rond de boom.
Nog altijd werd er gezongen en de sfeer werd serener en liefdevoller.
Ook de Feeën en Engelen begonnen mee te zingen en de energie van liefde werd met iedere noot hoger en hoger.
Vanuit de donkere nacht kwam een kleine ster naar beneden gevallen.
Boven op de boom bleef deze even hangen om daarna open te breken.
Een explosie van wit licht opende zich boven het woud en iedereen keek met ingehouden adem naar dit wonderschone schouwspel.
Opeens hoorden ze trompetgeschal en zagen ze de Engelen in het licht dansen.
Vanuit het licht kwam een trap naar beneden gegleden, waar een groep Gouden-Engelen afdaalde.
Bij de onderste tree bleven ze staan en zongen in koor: ‘Halleluja, Halleluja”.
Het meisje kon haar ogen niet geloven en keek de Engel met betraande ogen aan.
“Dank u wel dat u mij mee hebt genomen naar dit prachtige feest.
Ik weet zeker dat niemand mij zal geloven, als ik het straks vertel wanneer ik thuiskom.”
De Engel glimlachte. “Nu misschien nog niet, maar als je er tegen kerst een verhaal over schrijft, dan weet ik zeer zeker dat iedereen die het dan leest, er in zijn of haar gedachten echt bij is.
Zo kunnen ze dan heel even voelen, hoe het is wanneer er geen grenzen meer zijn, en hoe het is om met zijn allen in liefde samen te kunnen leven.
Nu is het nog maar één dag in het jaar mogelijk, maar ooit zal het altijd zo wezen. Een wereld in liefde, een wereld in vrede.”
Opeens schrok het meisje wakker.
Ze keek om zich heen en zag dat de zon langzaam onder aan het gaan was.
Snel pakte ze haar spulletjes bij elkaar en liep terug naar huis.
Onderweg bleef ze plotseling stil staan en dacht: “Wat heb ik nu toch gedroomd?” maar ze wist het niet meer. Een half jaar later zat ze in aan haar schrijftafel, om in trance dit mooie verhaal te schrijven.
Het verhaal van het lichtfeest zonder grenzen!
Wat is er, mijn kind?” vroeg de oude man zacht aan zijn kleindochter.
“Kun je niet slapen?”
Het meisje haalde haar schouders op en staarde naar het plafond.
“Ik weet het niet, opa… Ik moet steeds denken aan de mensen die met kerst alleen thuis zitten. Mensen zonder kinderen, of mensen van wie de familie te ver weg woont. Zij moeten de feestdagen helemaal alleen doorbrengen en dat maakt me zo verdrietig.”
Ze slikte even en vervolgde: “Ik moet er niet aan denken dat iedereen gezellig samen is, met lichtjes en cadeautjes, terwijl er ergens een man of vrouw alleen zit.
Geen kerstboom, geen warmte, geen gezelligheid.
Alleen maar voor zich uit staren en zich niet geliefd voelen. Hoe erg is dat, opa?”
Het meisje draaide zich naar hem toe.
“We wensen elkaar altijd vrede op aarde en zeggen dat we er voor elkaar willen zijn, maar waarom vergeten we deze mensen dan?
Kunnen we echt niets voor hen doen, opa?”
Opa zweeg even en dacht na.
In het bejaardentehuis waar hij woonde, waren ook veel mensen eenzaam. T
och probeerden ze daar samen iets van kerst te maken.
Maar hij wist ook dat er een grote groep mensen was die nog zelfstandig woonde en vaak werd vergeten.
“Ik weet het niet, mijn kind,” zei hij eerlijk.
“Ik vind het zelf ook moeilijk om daar een oplossing voor te vinden.
Maar nu moet je proberen te slapen. Het is al laat.”
Het meisje sloeg haar armpjes om zijn hals.
“Welterusten, opa.”
Opa gaf haar een kus, deed het bedlampje uit en liet de deur op een kier staan. Daarna liep hij naar de woonkamer, nam plaats in zijn comfortabele fauteuil en wachtte tot zijn zoon en schoondochter thuiskwamen.
Hij woonde in een bejaardentehuis vlak bij hen in de buurt, maar paste regelmatig op zijn kleindochter. Terwijl hij daar zat, dacht hij na over wat haar zo bezighield.
Hij was dankbaar voor zijn lieve zoon die hem nooit vergat, ook niet tijdens de feestdagen. Maar hij wist dat er veel mensen waren die juist nu zo’n groot tekort hadden aan liefde en aandacht.
Opa sloot even zijn ogen. Het oppassen was vermoeiender geweest dan hij had gedacht en langzaam viel hij in slaap.
Hij droomde dat hij zich in een wereld bevond waar altijd de zon scheen.
Voor hem lagen uitgestrekte velden vol bloemen in alle denkbare kleuren.
Vlinders fladderden vrolijk van bloem naar bloem.
Hij zag een bankje, ging zitten en zuchtte tevreden.
Wat was het heerlijk om hier te zijn.
“Mag ik naast u komen zitten?”
Opa schrok en draaide zich om.
Achter hem stond een prachtige, stralend witte Engel.
Hij knikte verwonderd en maakte plaats.
“Ik weet het antwoord op de vraag van uw kleindochter,” zei de Engel met een warme glimlach.
“Het is misschien een klein begin, maar daarom niet minder waardevol.”
“Als iedereen nu eens een kerstkaart of een klein cadeautje stuurt naar iemand die hij of zij kent, iemand die alleen is… Zou dat niet helpen?
Een mooie kaart met een verhaal, een gedicht, of gewoon een paar lieve woorden. Het hoeft niet duur te zijn. Een klein gebaar kan uitgroeien tot iets groots.”
“Liefde, hoe klein ook, is altijd welkom. Zeker in deze tijd van het jaar.”
Opa keek de Engel ontroerd aan.
“Wat een prachtig idee. Maar hoe krijg ik mensen zover om mee te doen?”
“U heeft toch een Facebookpagina?” vroeg de Engel.
Opa knikte.
“Zet dit verhaal daar op en laat het ontstaan.
Hoe bijzonder zou het zijn om zomaar een kaart of cadeautje te ontvangen?
Dat is toch echte naastenliefde?”
Opa straalde en bedankte de Engel uit de grond van zijn hart.
Plotseling schrok hij wakker.
Hij keek op zijn horloge en zag dat er nog geen half uur was verstreken.
Vastberaden stond hij op, liep naar de computer en logde in op Facebook.
Hij schreef het verhaal op, precies zoals hij het had beleefd.
Al snel kwamen de reacties.
Eén reactie raakte hem bijzonder: een vrouw schreef dat ze eenzaam was en nauwelijks bezoek kreeg.
Opa vroeg haar of hij haar een persoonlijk bericht mocht sturen. Dat mocht.
Ze raakten in gesprek.
De vrouw vertelde dat ze geen kinderen had en zich erg alleen voelde, vooral nu ze ziek was geworden. Opa luisterde aandachtig.
Uiteindelijk gaf ze hem haar adres.
Ze wensten elkaar een fijne nacht en namen dankbaar afscheid.
De volgende ochtend zat opa keurig aangekleed aan de ontbijttafel.
Zijn zoon en schoondochter zaten al te eten.
Het meisje kwam de keuken binnen.
“Ik heb een oplossing voor jouw vraag van gisteravond,” zei opa glimlachend.
“Kom eens kijken.”
Hij liet haar zijn Facebookpagina zien.
Het meisje zag hoe haar vraag in een verhaal was veranderd en hoe veel mensen erop hadden gereageerd en het hadden gedeeld.
“Ik heb gisteravond met een lieve dame gesproken die erg eenzaam is,” vertelde opa.
“Ik heb haar adres gekregen. Zullen we samen een mooie kaart voor haar kopen?”
Het meisje straalde.
Ze at snel haar brood op en trok haar jas aan.
Hand in hand liepen ze door de winkelstraat.
In een winkel met kerstkaarten zochten ze samen een kaart uit.
Uiteindelijk kozen ze er één met een prachtige witte Engel erop.
Even verderop zag opa in een etalage een klein fotolijstje met een gebloemde rand. Ook dat kochten ze. Thuis zocht opa een foto uit waarop hij samen met zijn kleindochter stond en plaatste die in het lijstje.
Samen schreven ze lieve woorden in de kaart. Alles werd zorgvuldig ingepakt.
“Zullen we het samen op de post doen?” vroeg opa.
Het meisje knikte enthousiast.
Terwijl ze samen naar het postkantoor liepen, keek opa trots naar haar.
Wat was hij dankbaar voor haar vraag en voor het inzicht dat daaruit was ontstaan.
Een klein gebaar, uit een goed hart en voor iemand misschien het mooiste cadeau van kerst.
Het is koud. De wind blaast om zijn gezicht.
Zijn vingers zijn blauw van de kou en af en toe probeert hij ze warm te blazen.
Gebogen loopt hij wat heen en weer, om niet te veel op te vallen.
De avond valt langzaam in.
Hij kijkt naar de eerste sterren die voorzichtig aan de hemel verschijnen en zucht.
Waarom moest hij naar het front?
Waarom moest hij zijn gezin achterlaten?
Waarom is er nog steeds oorlog?
Hij staart naar de grootste ster en fluistert: “Wanneer kan het eindelijk vrede worden?”
Het is nacht.
Een vrouw loopt met haar kind op haar rug van het ene kamp naar het andere, op zoek naar hulp en eten voor zichzelf en haar kindje.
Van Kerst heeft ze nog nooit gehoord.
Ze gelooft niet meer in vrede op aarde. Niet meer in gelijkheid.
De nacht is koud en ze trekt haar omslagdoek strakker om hen beiden heen.
Ze kijkt naar de ster die zo helder schijnt en vraagt:
“Waarom moet ik voor elke druppel water reizen,
en waarom zijn er wel olieleidingen, maar geen waterleidingen?”
Een oude man zit in zijn flat op één hoog achter.
Hij kijkt naar de laatste mensen op straat.
Het is avond.
Het licht van de lantaarnpalen weerspiegelt op het natte wegdek.
Hij zucht en kijkt naar de winkels die hun deuren sluiten.
Kerstavond.
En hij is eenzaam, zo ontzettend eenzaam.
Tussen de wolken verschijnt een ster.
Hij kijkt ernaar en vraagt:
“Waarom bestaat er nog eenzaamheid, en waarom moet ik juist nu mijn dagen alleen doorbrengen?”
Een gescheiden vrouw zit met haar kinderen in een oud, tochtig huis.
De gordijnen zijn gesloten en onderaan achter de verwarming geduwd.
Ze probeert zoveel mogelijk warmte vast te houden, ook al is het maar zeventien graden. Het is koud.
Haar twee kinderen zitten op de bank, dikke dekens strak om zich heen geslagen.
Vlak voordat ze naar bed gaat, kijkt ze nog één keer naar buiten en vraagt aan de sterren: “Waarom kan niet alles gelijk zijn?
Waarom heeft de één zoveel meer dan de ander?
Is de wereld dan niet van ons allemaal?”
Een familie zit aan tafel.
Midden op de tafel staat een rijk gevulde kerstkalkoen.
In de hoek van de kamer staat een grote, prachtig versierde kerstboom te pronken.
Onder de boom liggen tientallen cadeautjes met verschillende namen erop.
De sfeer is warm en gezellig.
De vrouw des huizes staat op en loopt naar het raam.
Ze opent de tuindeuren, kijkt naar de fonkelende sterren en zegt zacht:
“Lieve ster, laat mijn man veilig terugkeren van het front.
Bescherm mijn oude, lieve vader en geef hem rust in zijn hart.
Wil je ook licht laten schijnen op mijn zusje?
Ze is zo koppig en wil geen hulp aannemen. Ze zegt: ‘Ik kan het wel alleen.’
En denk aan de mensen ver bij ons vandaan,
daar waar olie belangrijker is dan water.
Laat het daar beter worden.”
Ze denkt aan het bedrag dat ze die middag heeft overgemaakt.
Tranen glijden over haar wangen.
Ze veegt ze weg en loopt terug naar binnen.
Ze glimlacht naar het gezelschap.
Haar dochtertje komt naar haar toe, slaat haar armpjes om haar heen en vraagt:
“Mama, waarom maken mensen altijd ruzie?
Waarom zijn ze zo koppig?
Waarom kan er niet altijd vrede zijn?
Waarom vechten mensen om land en olie?
Waarom, mama?”
De moeder neemt haar dochtertje op schoot en kijkt rond naar de mensen aan tafel.
“Wij, gewone mensen, kunnen maar weinig doen,” zegt ze.
“Het belangrijkste is dat we onze naasten liefhebben en hopen dat ook mensen met macht leren nadenken.
Verandering kan alleen als iedereen dat tegelijk doet.
Zolang er verdeeldheid is, zal er geen echte vrede komen.”
“Maar mama,” vraagt het meisje zacht, “waarom doet God dan niets?”
De moeder kijkt op.
Een oude man aan tafel zegt rustig: “God is geen angst, mijn kind.
God is de liefde die in ons allemaal leeft.
Door het leven leren we hoe het níét moet.
Sommige mensen leren dat sneller dan anderen.
God grijpt niet in, omdat Hij weet dat er een dag komt
waarop ook zij beseffen dat ze gelijk zijn aan ieder ander.
Pas dan kan er vrede zijn.”
De moeder knikt dankbaar.
“Kom,” zegt ze, “laten we bidden.”
Het meisje gaat op haar stoeltje zitten,
vouwt haar handjes en bidt:
“Ik bid tot alle sterretjes aan de hemel.
Willen jullie de mensen laten inzien dat ruzie geen zin heeft
en dat er altijd iemand pijn en verdriet aan overhoudt?
Willen jullie de wereld besprenkelen met liefde en rust,
zodat we de kans krijgen
elkaars gelijken te zijn, in alles?
Alsjeblieft, laat de vrede over deze wereld komen.
Amen.”
Dan kijkt ze iedereen die dit leest recht aan en zegt zacht: “Alsjeblieft.”
