~ ♥ Winterverhalen 2. ♥ ~

~ ♥ De Sneeuwkoning ♥ ~

Wanneer kleine Sanne wakker wordt, kijkt ze meteen door het raam naar buiten.

Het had gesneeuwd, en een dik pak sneeuw bedekte de wereld voor haar.

Snel sprong ze uit haar bedje, deed haar pantoffeltjes aan, en rende de trap af naar beneden.

“Mama! Mama!, het heeft gesneeuwd!”

Moeder die in de keuken stond glimlachte.

“Ja mijn kind, ik heb het gezien.”

“Mama, mag ik vandaag een sneeuwpop maken?”

Moeder glimlachte weer. “Maar natuurlijk, ik zal eens kijken of ik nog een oude sjaal kan vinden, dan kun je die gebruiken.”

Het meisje snelde weer de trap op naar boven en nadat zij zich gewassen en aangekleed had,

rende ze weer de trap af naar beneden.

Ze wilde gelijk naar buiten gaan, maar daar was moeder het niet mee eens.

“Eerst even wat eten mijn kind. Voor het maken van een sneeuwpop heb je energie nodig, dus eet je boterhammetje.”

Het meisje ging aan de tafel zitten en keek ondertussen naar buiten.

Ze wist precies hoe de sneeuwpop er uit moest komen te zien.

Snel veegde ze haar mond af aan haar mouw en rende naar de kapstok.

Daar deed ze haar jas en laarzen aan en trok bij het naar buiten lopen haar handschoenen aan.

Ze liep naar de verste hoek van de tuin en begon daar te rollen.

Al snel was de bal met sneeuw zo groot, dat ie bijna net zo groot was als zijzelf.

Vanuit een andere hoek begon ze opnieuw te rollen en deze keer werd de bal iets kleiner.

 

Uit weer een andere hoek maakte ze een kleine sneeuwbal dat voor hoofd diende.

Nu lagen alle drie de sneeuwballen naast elkaar en het meisje probeerde de middelste sneeuwbal tegen de grote op te duwen.

“Lukt het niet”, vroeg vader die ook buiten was.

Het meisje schudde met haar hoofdje van nee.

“Wacht maar”, en vader duwde samen met zijn dochter de tweede bal op de grote sneeuwbal.

Vader pakte de kleine sneeuwbal en legde deze op de middelste.

Samen keken ze er naar, en vader duwde met wat losse sneeuw de delen aan elkaar, zodat alles goed vast bleef zitten.

“Moet hij ook een bezem hebben?”, vroeg vader.

Het meisje schudde haar hoofd van nee.

“Alleen een sjaal en een muts zijn genoeg”, zei ze vrolijk.

Vader pakte twee zwarte kooltjes en drukte deze in het gezicht van de sneeuwpop.

Moeder kwam met een winterwortel en een warme sjaal en muts naar buiten.

Van een tak maakte vader een mond met een stralende lag.

De sneeuwpop was nu af en vol trots keken ze met zijn drieën naar deze prachtige sneeuwpop.

 

“Ik heb warme chocolademelk. Zullen we naar binnen gaan?” vroeg moeder.

Eenmaal binnen kon het meisje haar sneeuwpop goed zien. Hij was prachtig!

De hele dag staarde ze uit het raam en keek naar hem die buiten in de kou stond.

Het werd avond en het meisje moest naar bed.

Ook vanuit haar slaapkamerraam kon ze de sneeuwpop duidelijk zien.

Ze liet haar gordijnen open, zodat als ze de volgende ochtend wakker werd, ze hem als eerste zou zien.

Nadat moeder haar een verhaaltje had verteld en haar een kus had gegeven, was ze alleen.

De maan was vol vannacht en scheen in haar kamertje.

De sneeuwpop zag ze duidelijk en met een zacht stemmetje zei ze: “Tot morgen sneeuwpop.”

 

Opeens werd er op haar raam getikt.

Het meisje deed haar oogjes open en keek naar het raam.

Onmiddellijk ging ze rechtop zitten en keek verbaasd naar buiten.

Voor het raam vloog een heel klein Kerstelfje.

Ze had sierlijke vleugeltjes en een klein rood jurkje aan.

Opnieuw klopte ze tegen het raam.

“Sanne, doe eens open?”

Heel voorzichtig stapte het meisje uit haar bed en liep naar het raam toe.

Ze maakte het raam open en keek het Kerstelfje blij maar verwonderd aan.

“Ga je met ons mee? ”vroeg het Elfje, “we gaan met de sneeuw spelen”, en terwijl ze dat zei, pakte ze uit haar tasje wat goudstof en strooide dit over het meisje heen.

Opeens veranderde alles.

 

Het huis was verdwenen en ze was nu ineens in een heel andere wereld.

“Waar zijn we?” vroeg ze

“Kom, volg mij maar.” zei het Elfje

Het meisje was in een wereld terechtgekomen, waar alles bedekt was met een dikke laag sneeuw.

Haar huis en haar slaapkamer waren opeens verdwenen, nu stond ze midden in een groot bos.

Het kleine Elfje vloog voor haar uit en het meisje volgde.

De bomen waren hier hoog en de maan verlichtte haar pad.

Ze liep op haar blote voetjes door de sneeuw, maar ze voelde geen kou.

“Waar gaan we toch naar toe?” vroeg ze nogmaals.

Het Elfje kwam naar haar toe gevlogen en zei: “We zijn er bijna. Kijk, daar is het al.”

Het meisje keek wat verbaasd naar de open plek in het bos.

Om een grote kerstboom stonden allemaal verschillende sneeuwpoppen.

Het meisje kon haar ogen niet geloven, het waren er ook zo veel.

“Kijk goed lieve Sanne, jouw sneeuwpop staat er ook tussen. Kijk, daar staat hij!”

 

Het meisje keek eens goed en ja, daar was hij.

“Maar hoe kan dit?” vroeg ze aan het Elfje.

“Alleen wanneer een sneeuwpop met liefde word gemaakt, zal het jouw ziel dragen.

Het heeft jouw liefde gevoeld en zal deze liefde doorgeven en uitdragen.

Jij hebt deze mooie lieve sneeuwpop gemaakt en je houdt van hem.

Hij wil nu iets terug doen en daarom heeft hij jou uitgenodigd om naar hier te komen.

Ga naar je sneeuwpop toe en kijk dan naar wat er gaat gebeuren.”

Nadat ze bij haar sneeuwpop aan was gekomen, zag ze dat er nog meer kinderen bij hun sneeuwpop stonden en dat ze met gezonde spanning afwachtten op wat er ging komen.

 

“Dag sneeuwpop”, zei het meisje.

De sneeuwpop keek het meisje blij aan en boog zich naar haar toe.

“Dag kleine Sanne.”

De ogen van de sneeuwpop waren niet meer van zwarte kooltjes gemaakt.

Het meisje keek nu in twee kleine zwarte spiegeltjes, en als ze goed keek, zag ze er het Universum in weerkaatsen.

Haar sneeuwpop had nu armen en benen en een grote witte jas hing tot op de grond.

Het meisje keek wat verlegen naar haar pop.

“Ik wil je bedanken voor je liefde kleine Sanne. Daarom heb ik je hier naartoe uitgenodigd.

Deze plek is een heel speciale plek, omdat hier de Sneeuwkoning woont.

Hij heeft de liefde in zich en laat het sneeuwen op die plekken waar het nodig is.

Hij houdt de temperatuur in de wereld op peil, maar omdat er nu zo weinig kinderen zijn die nog een sneeuwpop maken,

is de temperatuur iets omhoog gegaan, waardoor er minder sneeuw valt.

Nu wil de Sneeuwkoning toch proberen ieder kind een sneeuwpop te laten maken, door het toch overal te laten sneeuwen.

Hij hoopt hiermee dat de kinderen die nu zo druk zijn met computers toch naar buiten gaan, en hij hoopt dat door het naar buiten te gaan, er weer vreugde mag komen.

Wij, alle sneeuwpoppen, gaan het straks laten sneeuwen, en jij mag mee.”

 

“Oh, wat fijn, maar hoe dan?” vroeg Sanne blij.

De sneeuwpop glimlachte en wees naar een stapel grote rode rieten manden.

“Die manden gaan we straks gebruiken lieve Sanne, maar eerst gaan we naar de Sneeuwkoning luisteren.”

Vanuit de verte kwam een groot stralend wit licht hun kant op.

“Kijk”, zei haar sneeuwpop, “daar is hij.”

Het meisje keek omhoog en zag het licht feller en feller worden.

Boven het bos kwam het tot stilstand en er ontstond een groot marmeren trap.

Boven aan de trap stond een troon.

Het was prachtig vond het meisje en ze keek haar ogen uit.

De koning die een dikke witte mantel droeg en een grote muts, keek recht naar beneden.

“Welkom lieve vrienden”, zei hij en keek naar beneden, naar de sneeuwpoppen en de kinderen.

“Het is de bedoeling om de gebieden waar sneeuw mag vallen, van een  dikke laag met verse sneeuw te voorzien.

Nu hoop ik dat dit verhaal voorgelezen gaat worden aan de kindertjes, omdat er te weinig kinderen nog buiten spelen en een sneeuwpop maken.

Dit verhaal is om de kinderen weer het plezier terug te geven, met iets wat zo belangrijk is. Ga mijn vrienden en strooi!!”

 

Iedereen begon te juichen en te klappen.

“Zijn jullie er klaar voor!!” riep de Koning.

“Jaa”, riepen ze in koor.

Alle sneeuwpoppen pakten een rode rieten mand.

“Klim erin Sanne”, zei haar sneeuwpop.

Het meisje klom in de mand en zag meteen dat de mand zich vulde met verse sneeuw.

“Jij mag strooien”, zei de pop blij, “dan hou ik de mand vast.”

“Ga mijn vrienden, breng vreugde over de wereld!” riep de Koning weer.

Een grote groep met kleine Kerstelfjes vloog over de grote groep met sneeuwpoppen en kinderen heen en strooiden hun goudstof rijkelijk in het rond.

Iedereen was nu bedekt met een dun laagje goudstof en één voor één vlogen de sneeuwpoppen de lucht in.

Het was een prachtig gezicht, om meer dan honderd sneeuwpoppen te zien vliegen.

 

Het meisje genoot en toen ze over een gebied heen vlogen waar geen sneeuw lag, begonnen de kinderen de verse sneeuw uit de manden te scheppen.

Overal dwarrelden grote sneeuwvlokken naar beneden en de laag werd dikker en dikker.

De manden waar de kinderen in zaten raakten nooit leeg. Zo vlogen ze van de ene plek naar de andere.

Totdat de zon bijna opkwam en de sneeuwpoppen terug vlogen.

Nadat ze eenmaal op de open plek terug waren gekomen, stond de Sneeuwkoning hen al op te wachten en liep naar de kinderen toe.

Hij liep naar het meisje toe en zei met een liefdevolle stem: “Mijn liefste Sanne.

Jij hebt zoveel liefde in je zitten en ik ben blij dat juist jij met deze liefde een sneeuwpop hebt gemaakt.

Deze liefde is van een zeer groot belang voor onze wereld, omdat ik graag mijn liefde met sneeuw wil blijven schenken.

Alleen met liefde kunnen we de wereld redden”, en hij legde zijn hand op haar schouder neer.

Een beetje licht kwam uit het hart van de Koning gekropen.

Het gleed over de mouw van zijn jas en via de schouder van het meisje, gleed het licht zo haar hartje binnen.

Een kleine schok ging er door haar heen en de Koning zei: “Nu ben je altijd verbonden met mij, en als je later groot bent, zal je net als vandaag helpen met het verspreiden van de liefde.”

 

Plots werd het meisje wakker.

Waar was ze?

Oh, wat had ze toch fijn gedroomd en ze bleef nog heel even in haar bed liggen, om na te denken over de afgelopen nacht.

Totdat ze naar buiten keek.

Het had weer gesneeuwd en haar sneeuwpop stond buiten en hij lachte, net zoals hij gisteren lachte.

Maar wat was dat!

Naast hem stond een grote rode rieten mand vol met verse sneeuw.

Het meisje wist nu dat dromen waar konden zijn en blij zwaaide ze naar haar sneeuwpop die buiten in de kou stond.

~ ♥ De Kleine Kerstelf ♥ ~

Wanneer de eerste sneeuwvlokjes naar beneden dwarrelden, keken de Elfen bedenkelijk naar de hemel.
Zou het nu echt winter worden?

Maar zodra de sneeuw harder begon te vallen, konden ze zich niet langer inhouden. Ze juichten het uit van blijdschap.

De Kerstman en zijn vrouw stapten de veranda op en keken neer op de feestende Elfen. Dit was het moment waar ze het hele jaar naar hadden uitgekeken: het was bijna kerst.

De Kerstman keek zijn vrouw liefdevol aan.
“Het is bijna tijd, vrouwtje. We mogen weer heel veel kindertjes blij maken.”

Zijn vrouw glimlachte. “Alles staat al klaar. De slee is nagekeken, alle bellen zijn gepoetst, en de rendieren hebben een prachtige dikke wintervacht.

De Elfen zijn de hele zomer bezig geweest met bouwen, verven en het verzamelen van alle cadeaus van de verlanglijstjes.

Nu is het alleen nog wachten totdat het kerst wordt.”

De Kerstman tilde zijn vrouw op en riep: “Jij bent onmisbaar, mijn lieve vrouwtje!”
Hij gaf haar een kus op beide wangen en samen liepen ze weer naar binnen.

 

De sneeuw viel dagenlang en de nachten werden steeds langer.

Een kleine Elf, die verantwoordelijk was voor het aansteken van de fakkels, zakte telkens tot zijn knieën weg in het dikke pak sneeuw.

Hij moest ervoor zorgen dat de schans, waar de Kerstman met zijn slee vanaf zou glijden, bijna sneeuwvrij bleef.

Zo kon de Kerstman straks genoeg snelheid maken voor zijn lange reis.

Elke avond stak het kleine Elfje de fakkels aan, en elke dag veegde hij de schans schoon.
Een dun laagje sneeuw bleef steeds achter, zo glad als een spiegel.
Hij veegde en poetste, en veegde weer.

Wanneer alle Elfen al lang op één oor lagen, strompelde hij moe naar binnen en liet zich op zijn bed vallen.

 

De zon kwam niet meer op, maar de Elfen waren druk bezig met hun voorbereidingen. Ze maakten kerststaven, zuurstokken en heerlijke kerstkoeken. Alles werd netjes verpakt en klaargezet.

Overal klonk kerstmuziek uit de luidsprekers en iedereen zong vrolijk mee.

Het was één groot feest bij de Elfen.

Behalve voor het kleine Elfje buiten, dat alleen de schans moest schoonhouden.

Hij zat uren op zijn knieën en werkte onvermoeibaar door.

En zoals altijd viel hij ’s avonds uitgeput in slaap.

Het kleine Elfje voelde zich eenzaam.

Hij had deze taak alleen gekregen, terwijl alle anderen samen zongen en werkten. Toch klaagde hij niet. Hij was trots dat juist híj voor dit werk was uitgekozen.

Maar o, wat zou het minder zwaar en veel gezelliger zijn als hij een vriend had om dit samen mee te doen.

Iedereen werkte hard. Alleen het Kerstvrouwtje zelf had af en toe een rustig moment. Zij stond in die avonden vaak op de veranda en keek naar de kleine Elf die steeds als laatste naar binnen kwam.

Ze zag hoe het licht in het Elfenhuis al uit was zodra hij zijn werk afrondde.

En ’s ochtends was hij alweer als eerste buiten.

Het Kerstvrouwtje kreeg een idee.

 

De volgende ochtend, toen het kleine Elfje wakker werd, stond ze bij de deur op hem te wachten. Een ijzige wind trok door haar winterjas, maar ze bleef geduldig staan.

De deur ging voorzichtig open en het kleine Elfje duwde de sneeuw opzij met de deur. Hij keek op naar het licht van de lantaarn in haar hand.

“Goedemorgen, Moeder. U bent vroeg op.”

“Ja, mijn kind,” zei ze zacht. “Ik heb je de laatste dagen in de gaten gehouden.

Jij bent als eerste op en gaat als laatste naar bed.”

Het Elfje liet zijn hoofd zakken, maar zij sprak verder:
“Kijk me eens aan, lief kind.”

Door zijn tranen heen keek hij haar aan.

“Ik heb hulp voor je gezocht,” zei ze. “Er is nog een lief Elfje dat, net als jij, vaak alleen werkt. Hij steekt de lantaarns aan bij de huisjes en veegt de wegen schoon.

Daarna heeft hij weinig meer te doen. Hij wil je heel graag helpen.”

“Is dat echt waar, Moeder? Krijg ik hulp?” vroeg het kleine Elfje met ongeloof.

“Ja, jongen,” zei ze met een warme glimlach.

“Vanaf vandaag zijn jullie met z’n tweeën.”

Langzaam ging de deur verder open.
Een Elf, net zo klein als hijzelf, kwam verlegen naar buiten.

Hij keek van de Moeder naar het kleine Elfje en glimlachte.

“Fijn dat ik je mag helpen,” zei hij. “Je hebt een belangrijke taak: je zorgt voor licht en voor een schone schans, zodat onze Kerstman straks in volle vaart kan vertrekken. Het is een eer om je te mogen bijstaan.”

Het kleine Elfje straalde en bedankte de Kerstvrouw.

 

Vanaf dat moment deden ze alles samen.

Ze staken de fakkels aan bij de huisjes en langs de smalle wegen.

Ze veegden het dorp schoon en hadden samen meer tijd over.

Daarna gingen ze naar de schans, staken de fakkels aan en poetsten net zo lang totdat het hele oppervlak glom.

Halverwege de dag bracht het Kerstvrouwtje zelfgebakken brood en warme chocolademelk. De twee Elfjes kletsten zonder ophouden.

Ze waren niet langer alleen, ze waren vrienden voor het leven geworden.

 

En toen brak de kerstnacht aan.

De slee stond klaar, gevuld met zakken vol cadeautjes en suikergoed.

De rendieren waren ingespannen.

De Kerstman en zijn vrouw stonden op de veranda.

Dit was het moment waar ze zo lang naar hadden uitgekeken.

Hand in hand keken ze naar de lange rij fakkels die langs de schans brandden.

Het was een prachtig gezicht.

Alle Elfen stonden langs de kant, opgewonden en vol verwachting.

De Kerstman keek naar de maan. “Het is tijd," zei hij blij.

Samen liepen ze naar de slee.

De Kerstman aaide één voor één zijn rendieren.

Bij Dasher en Dancer bleef hij even staan.
Hij controleerde de riemen en fluisterde: “Laten wij met deze reis liefde en geluk brengen aan alle kinderen.”

Dasher schudde met zijn hoofd en de belletjes klingelden zacht.

De Kerstman nam afscheid van zijn vrouw en nam plaats in de slee.

Iedereen werd stil.

Ze keken naar de grote ster in het oosten. Elk moment kon het gebeuren.

En ja, daar was het.
De ster werd groter, het licht feller. Uit dat licht verscheen een prachtige Kerstengel. Ze zweefde over de slee en over de Elfen, haar vleugels bewogen rustig op en neer. Een warme, liefdevolle energie daalde op hen neer.

Goudstof glinsterde in de lucht en daalde neer op de rendieren en de slee.

Dit was hét moment.

De bellen rinkelden, de spanning steeg, en de Kerstvrouw ging achter de twee Elfjes staan. Zij waren het die het mogelijk hadden gemaakt dat de Kerstman in volle vaart de schans af kon glijden en de lucht in kon schieten.

Met grote ogen keken ze toe.
En daar ging hij. De Kerstman suisde naar beneden, vloog door de lucht en maakte nog één ronde boven het Elfendorp. Toen was hij verdwenen.

 

Die avond, toen het kleine Elfje in zijn bedje lag, dacht hij terug aan het moment dat de Kerstman de schans afgleed.

Hij was zó trots dat hij dit samen met zijn beste vriend had mogen doen.

In zijn droom verscheen de Kerstengel. Ze streek over zijn haar en zei:
“Goed gedaan, mijn lieve Elf. Rust nu maar uit.”

En terwijl ze verdween, droomde het kleine Elfje over blije kinderen, over de Kerstman in zijn slee, over zingende kindertjes bij de kerstboom.
En in zijn droom bad hij voor vrede op aarde.
 

~ ♥ Het kleine Rendiertje ♥ ~

Er was eens een heel klein rendiertje.

Dit rendiertje was nog zo klein, omdat het net geboren was.
Maar vanaf de eerste dag van zijn jonge leven keek hij al nieuwsgierig om zich heen.

Zijn moeder hield hem daarom goed in de gaten, want voor ze het wist, was hij al uit de stal ontsnapt en op onderzoek uitgegaan.

Op een dag zag hij dat zijn moeder even de andere kant opkeek en hij zag zijn kans schoon.
Voorzichtig maakte hij met zijn neus het deurtje open en sloop zachtjes naar buiten.

Al vaak had zijn moeder hem teruggeroepen, maar nu bleef het stil achter hem.

Langzaam liep het rendiertje verder naar buiten.
Buiten zag hij de grote groene vlaktes en kleine gele bloempjes die er vrolijk bovenuit staken.

Verwonderd keek hij naar de wolken die voorbij dreven en naar de zon met haar warme stralen.

“Zo, kleintje, ben je weer ontsnapt?” hoorde hij iemand zeggen.

Verschrikt keek het rendiertje achterom.
Een vriendelijke oude man met een witte baard stond achter hem.

“Het is voor jou nog te koud, kleintje.
Zodra je wat groter bent, mag je vaker naar buiten.”

De oude man tilde het kleine rendiertje op en bracht hem terug naar de stal.

Moeder keek de oude man dankbaar aan en zei:
“Hij is zo nieuwsgierig! Ik keek heel even de andere kant op en hij was al weg.”

De oude man glimlachte, aaide het rendiertje over zijn snuit en zei:
“Het is juist fijn dat hij alles wil ontdekken.
Dat maakt hem juist zó speciaal.”

Het kleine rendiertje kroop weer dicht tegen zijn moeder aan en zocht haar warmte op.

 

De dagen werden weken en de weken werden maanden.
Het kleine rendiertje was nu bijna net zo groot als zijn moeder.

Elke dag kwamen de Kerstelfen om de rendieren te verzorgen.
Ze brachten hen naar buiten en, nu de dagen korter werden, brachten ze hen in de avond weer terug naar de stal.

Elke dag keken de rendieren naar de lucht.
Er hing een spanning, alsof er iets heel belangrijks stond te gebeuren.
Maar wat dat was, wist het rendiertje nog niet.

Op een dag was daar de dag waar iedereen naar had uitgekeken.
Iedereen keek omhoog en de eerste sneeuwvlokken dwarrelden naar beneden.

Het rendiertje wist niet wat het was, maar dat het leuk was, merkte hij aan de vreugde van alle andere rendieren en Kerstelfen.

De sneeuwvlokken bleven vallen en het rendiertje rende door de sneeuw.
Hij had zo’n lol. Hij joelde en lachte.

Plotseling gleed hij uit, viel om en zat hij ineens op zijn kleine rendierbillen.

 

Weer gingen er weken voorbij.
De sneeuw was blijven liggen en had het landschap veranderd in een wit winterlandschap.

Iedereen was druk en het rendiertje liep nieuwsgierig het dorp binnen.
Hij rook de zoete geuren die uit de schoorsteentjes naar buiten kringelden.

Hij luisterde naar het gezang van de Kerstelfen, die de mooiste kerstliederen zongen.
Hij zag elfjes rennen met glimmend kerstpapier en vrolijke linten.

Door een raampje keek hij naar binnen en zag stapels cadeautjes liggen die nog ingepakt moesten worden.

Het rendiertje genoot van al dit moois en liep zo snel mogelijk terug naar de stal om zijn moeder te vertellen wat hij allemaal had gezien.

 

De lantaarns brandden nu dag en nacht, en de zon liet zich nauwelijks nog zien.
In de stal was het een drukte van belang.

De elfen waren druk bezig met het borstelen van de rendieren.
Er waren acht rendieren die extra werden verzorgd, en zijn moeder was daar één van.

Een dag voor kerst zei zijn moeder tegen hem:
“Mijn lief kind, ik ga morgen voor een paar dagen en nachten weg, maar ik kom weer terug.

Kijk over drie dagen naar de helderste ster.
Vanuit daar zal ik terugkomen. Dat beloof ik je.”

Ze duwde haar neus zachtjes tegen die van hem aan.

 

De volgende dag was het zover.
Iedereen was gespannen en het rendiertje keek toe hoe zijn moeder en zijn tantes glimmende halsters om kregen, met rinkelende gouden bellen.

Ze klonken zo zuiver.

Tegen de avond liepen moeder en de andere rendieren achter een elf aan naar buiten.
Hij spande hen één voor één in voor een grote rode arrenslee.

De slee zat vol cadeautjes en het rendiertje keek zijn ogen uit.

Zijn moeder was zo mooi.
Haar gewei glom in het maanlicht en de belletjes maakten een vrolijk, feestelijk geluid.

Alle rendieren waren ingespannen en de Kerstman nam plaats in zijn arrenslee.

Opeens werd het stil.

Het rendiertje deed een stapje naar voren en keek naar de Kerstman, zijn rendieren en vooral naar zijn moeder.

Uit het niets verscheen er een Kerstengel en de nacht werd verlicht.
Ze strooide goudstof over zijn moeder heen.

Het rendiertje kon zijn ogen niet geloven.
Zijn moeder zweefde!

Haar poten gingen heen en weer en de belletjes rinkelden nu nog harder.
Ook de andere rendieren kwamen los van de grond en trokken de arrenslee mee omhoog.

Vol trots keek het rendiertje omhoog, naar de Kerstman in zijn slee, naar de rendieren en naar die prachtige Kerstengel.

Tranen van blijdschap en verwondering rolden over zijn snuit.

De spanning steeg, de energie werd groter en groter.

En toen was daar het moment.

De rendieren renden door de lucht en de Kerstman zweefde in zijn slee achter hen aan.
Het magische licht van kerst mocht nu gevierd worden.

Het rendiertje bleef kijken, tot zijn moeder was verdwenen.

 

Het was donker.
De stal was bijna leeg.

Het rendiertje duwde het deurtje van zijn kleine stal open met zijn neusje.
Hij ging in een hoekje liggen, op het zachte, verse stro.

Hier zou hij wachten, tot zijn mama weer terug zou komen.

Hij sloot zijn oogjes en droomde van de Kerstengel die hem besprenkelde met goudstof.

De Kerstengel zei dat hij, als hij later groot zou zijn, net zo mooi zou vliegen als zijn moeder.
En dat hij, net als zij, vreugde zou brengen aan iedereen die van liefde houdt.

 

Na drie dagen kwam het rendiertje weer naar buiten.
Samen met de andere rendieren, de elfjes en de Kerstmoeder keek hij naar de helderste ster aan de nachtelijke hemel.

Iedereen was stil en vol verlangen.

Opeens riep een elf: “Kijk! Ze zijn terug!”

Iedereen zag hoe de Kerstman met de rendieren via de helderste ster weer naar huis keerde.

Er werd gejuicht en gelachen.
Het rendiertje was zó blij dat hij, zodra de slee tot stilstand kwam, naar zijn moeder rende en haar rendierkusjes gaf.

Vanaf die dag leerde zijn moeder hem alles over kerstmis, over vliegen en over de magie van het licht.
Het licht dat bij kerstmis hoort.
 

~ ♥ De IJskoningin ♥ ~

Een kleine kabouter zit voor het raam en staart naar buiten.

Hij ziet de dikke regendruppels langs het raam naar beneden glijden.

Dan zucht hij en denkt aan al die weken dat het nu al regent.

Het is koud en nat buiten en hij kan daardoor amper zijn huisje uit.

Vroeger was de periode van regen veel korter.

Vroeger zou het nu al gesneeuwd hebben en was het een fijne tijd hier in het kabouterbos.

Dan was iedereen buiten met dikke wanten aan en werd er samen op het ijs gespeeld. Maar de tijden veranderen.

De wereld warmt op, en hij kon er niets aan doen.

 

Hij kijkt naar de boom die naast zijn huisje staat.

Een oude uil zit diep in elkaar gedoken op een tak en heeft zijn ogen gesloten.

De uil is ook te groot om hem binnen te vragen.

De kabouter kijkt naar het modderige pad dat door het bos heen loopt.

Het begint al donker te worden en hij steekt een kaars aan.

Hij loopt naar de kast, pakt daar een appel uit en eet deze op terwijl hij weer naar buiten staart.

De andere kabouters komen ook niet naar buiten en zitten net als hij, naar buiten te staren.

Alweer een dag voorbij waarin hij niet buiten heeft kunnen zijn.

Hij loopt met zijn kaars naar zijn bedje en zet de kaars op het nachtkastje neer en stapt zijn bedje in. Hij vouwt zijn handjes in elkaar en bidt tot Vadertje-Tijd.

“Lieve vader, het zou zo fijn zijn om in de sneeuw te spelen.

Wij wachten al zo lang, kunt u ons helpen?”

Het kaboutertje opent zijn oogjes weer, blaast de kaars uit en laat zich achterover in zijn kussen vallen. Hij is verdrietig en veegt de tranen van zijn gezicht.

“Alsjeblieft, laat het weer winter worden!”

Dan sluit de kabouter zijn oogjes en valt hij in een diepe slaap.

 

Vadertje-Tijd zat in de hoek te wachten en hoorde zijn gebed.

Deze avond was dit al het zoveelste kaboutertje geweest die sneeuw had gewenst.

Hij keek eens naar een aantal jaren geleden en het klopte inderdaad.

Rond deze tijd lag er al sneeuw en konden de kabouters schaatsen en hadden ze een fijne tijd. Maar hoe kon dit?

Hij strooide nog een paar laatste korrels zand in de oogjes van de kabouter en wist nu zeker dat dit kaboutertje tot de volgende morgen zou blijven slapen.

Zijn werk zat erop en hij liep door de regen een andere wereld binnen.

Een wereld waar de zon scheen en waar elke dag plezier was.

Hij liep regelrecht naar het paleis van de Feeën en klopte aan.

Een prachtige Fee deed open en keek Vadertje-Tijd met een glimlach aan.

“Wat een verrassing, maar wat kunnen we voor je doen Vadertje?”

“Ik denk dat we een probleem hebben.

In de wereld naast die van ons leeft een kaboutervolk dat erg eenzaam is.

De wereld waarin ze wonen is veranderd en nu regent het er alleen nog maar.

Er is al jaren geen sneeuw gevallen en ze zitten maar voor hun raampjes naar buiten te staren. Vanavond hebben alle kabouters aan mij om hulp gevraagd, om te vragen wanneer de sneeuw komt.”

De andere Feeën waren er ook bij komen staan en hoorden het verhaal van Vadertje-Tijd aan.

“Dit is zorgelijk”, zei de Fee die de deur had open gedaan.

“Kunnen wij iets voor deze kabouters betekenen?” en hij keek de kring rond.

Eén van de andere Feeën kwam met een groot boek aangelopen.

Hij had al eens eerder van deze verandering gehoord en er ergens over gelezen.

Hij bladerde door het dikke boek en glimlachte.

“Hier staat het. Ik zal het voorlezen. Er staat dat er een verandering heeft plaatsgevonden dat een natuurlijk verschijnsel is.

Alleen, omdat deze wereld onder invloed staat van vervuiling, gaat dit proces veel sneller. Dit houd in, dat alles in een stroomversnelling opwarmt en dat er niets meer aan gedaan kan worden.

De tijd lijkt sneller te gaan, dus ook het proces van die wereld.”

“Kunnen we dan niets voor de kabouters doen?” vroeg Vadertje-Tijd weer.

“Jawel”, zei de Fee die weer door het boek bladerde.

“We kunnen ze hier naartoe halen, maar hier is het bijna altijd mooi weer.

Maar we kunnen hen ook laten dromen van sneeuw.”

De Feeën overlegden en ze vonden dat ze het kaboutervolk niet zomaar uit hun eigen leef omgeving mochten halen. Deze kabouters hoorden in die wereld thuis en ze deden daar zulk mooi werk samen.

“Laten we ze maar in hun dromen meenemen naar de sneeuw.

Dan hebben ze in de nacht toch nog plezier.”

Vadertje-Tijd bedankte de Feeën en verliet het paleis.

 

Hij was degene die iedereen in slaap bracht.

Elke avond ging hij bij ieder kindje en iedere kabouter langs om wat toverzand in hun oogjes te strooien, waardoor ze dan meteen in slaap vielen.

Meer heeft hij nooit hoeven doen. Nu was er een taak voor hem bijgekomen en hij dacht tijdens het wandelen eens na hoe hij dit zou aanpakken.

Hij liep de bergen in en hoe hoger hij kwam hoe kouder het werd.

Hij kende de weg, maar hij had geen idee hoe hij een wereld van sneeuw kon maken voor zijn kleine vriendjes.

Ook hier in deze wereld was zelden sneeuw te zien, behalve op de toppen.

Er was nog één iemand die hij om raad en hulp kon vragen en dat was zijn moedertje die tussen de hoogste bergen woonde.

Ze was al heel oud en had veel kennis over de werelden achter de sluiers.

Ze had zich teruggetrokken nadat ze al eeuwenlang een moeder was geweest voor vele kinderen wanneer ze sliepen.

Ze kwamen in hun slaap naar haar toe en zij beantwoordde al hun vragen.

Ze konden bij haar weer echt kind zijn en ze speelden met elkaar.

Nu was ze hier en leefde een rustig bestaan.

 

Het was een hele klim, maar als hij goed keek, zag hij haar huisje al staan.

Op een klein smal en recht stukje grond, stond dicht tegen de berghelling aan een klein huisje met een rieten dakje.

Nog altijd kringelde er een rookpluim met een zoete geur uit haar schoorsteentje en Vadertje-Tijd glimlachte.

“Heerlijk die geur! Dit is echt thuiskomen”, zei hij vrolijk.

Zijn moeder had hem vanuit de verte al aan zien komen.

Ze zat op een bankje voor haar huisje met op de tafel een kan met zelfgemaakte vruchtenlimonade en een schaal met zelfgebakken koekjes.

Ze omhelsde haar zoon en liet hem daarna op een stoel tegenover haar zitten.

“Waar kan ik je mee helpen mijn kind? Je kijkt zo zorgelijk.”

“Ach moedertje. Ik ken een kleine groep kabouters die in een andere wereld leeft.

Nu is er op dit moment een verandering aan de gang, waardoor alles opwarmt.

Het hoort bij het proces, maar door vervuiling gaat dit proces sneller.

Hierdoor zitten de kaboutertjes alleen maar door hun raampjes naar buiten te staren en hebben al jaren geen sneeuw gezien. Nu hadden de Feeën twee opties.

Optie één was, hier naartoe halen, maar dan zien ze ook geen sneeuw, of optie twee, hen meenemen in een droom.

Ze hebben voor optie twee gekozen en nu mag ik hen daar naartoe brengen, maar dat is mijn taak helemaal niet!

Ik maak de kindertjes en de kabouters in slaap, dus hoe moet ik ze nu naar een wereld van sneeuw toe brengen?” en Vadertje-Tijd keek zijn moeder wanhopig aan.

 

Moeder begon te lachen. “Ik heb een hele lieve vriendin en ze woont in een heel andere wereld dan waar jij de kinderen in slaap brengt.

Ze noemen haar de ijskoningin, maar ze heeft een heel warm hart.

Ik weet zeker dat wanneer ik haar vraag, ze je graag wilt helpen.

Ik weet waar de deur naar haar wereld te vinden is.

Kom, laten we meteen gaan, er is geen tijd te verliezen.”

Vadertje-Tijd stond op en liep achter zijn moeder aan de bergen door.

Voor één van de hoogste bergen bleef ze staan en legde daar haar hand tegen een rots aan. Er ging een deur open en ze liepen samen naar binnen.

Een kleine doorgang zorgde ervoor dat ze een andere wereld vol sneeuw binnen wandelden en Vadertje-Tijd keek zijn ogen uit.

 

Het was hier nacht en de maan schitterde op de besneeuwde grond.

Overal brandden kleine lantarentjes en in de verte zagen ze een groot ijspaleis boven op een heuvel staan.

“Daar woont ze”, zei moeder, en ze liepen door de verse sneeuw richting het paleis.

Een mooie glazen deur, omringd met kaarsen, stond te schitteren in deze nacht. Moeder klopte tegen het glas aan en een jonge vrouw met een dikke warme jas kwam snel naar de deur gerend.

Ze was prachtig en ze keek Vadertje-Tijd een beetje verliefd aan.

“Bernadette! Wat leuk om je weer te zien! Kom snel binnen!” zei de jonge vrouw terwijl ze glimlachend naar Vadertje-Tijd bleef kijken.

Nadat ze binnen waren en op een stoel hadden plaatsgenomen vertelde Vadertje-Tijd zijn verhaal. De mooie jonge vrouw knikte telkens en dacht onder het luisteren na over wat zij voor dit lieve volkje kon betekenen.

“Ik begrijp het”, zei ze wat droevig. “Maar ik heb wel een idee” zei ze en keek Vadertje-Tijd en zijn moeder nu vrolijk aan.

Ik zal een poort maken, waardoor de kabouters elke avond naar binnen kunnen gaan.

 

Zodra ze slapen, kunnen ze via hun dromen naar deze wereld toe komen en mogen ze hier net zo lang spelen totdat de zon weer op komt.

Ik zal met je mee gaan”, en ze keek Vadertje-Tijd blij aan.

Nadat ze weer buiten stonden, ging moeder terug naar haar wereld en Vadertje-Tijd en de ijskoningin liepen gezamenlijk een andere kant op.

“Ik vind het fijn om nieuwe poorten naar andere werelden te creëren.

Het zorgt ervoor dat er toch een verbinding ontstaat met elkaar.

Zo kunnen wij degene helpen die erom vraagt en wat is er mooier dan om elkaar te helpen.” De vrouw ging naar een speciaal stuk bos dat er prachtig uitzag.

Er lagen dikke lagen sneeuw op de grote dennentakken, en ook op de grond was het één dikke laag van vers sneeuw.

De maan maakte het mogelijk dat hij alles goed zag en hij zag dat er tussen de bomen een opening was die hij herkende.

Dit had hij eerder gezien, dit leek precies op de opening naar de wereld van de kabouters en dus ook naar zijn wereld toe, maar dan besneeuwd.

Verrast keek hij de ijskoningin aan en zij lachte liefdevol naar hem terug.

 

“Iedere poort naar mijn wereld toe is een creatie van mij en iedere poort is te herkennen aan hetzelfde beeld. Is dit niet een mooie poort naar hun wereld naar hier?” Vadertje-Tijd knikte en keek naar wat er toen gebeurde.

Met haar handen maakte de ijskoningin een glazen deur.

Via deze deur keek je zo de andere wereld in, waar het nog altijd regende.

Ze stak haar hand naar Vadertje-Tijd uit en hij pakte deze vast.

“Zullen we dan maar?” Vadertje-Tijd knikte en samen liepen ze door de glazen deur de wereld van de kabouters binnen.

Ze gingen bij elke kabouter langs en keken hoe zacht ze sliepen.

De ijskoningin gaf hem een klein zakje met goudstof.

“Strooi bij het strooien van jouw zandkorrels ook een klein beetje van dit goudstof mee. Dit goudstof zal hen de weg wijzen naar mijn wereld.

Gebruik het alleen maar in de winter, dan hebben de kabouters toch elk jaar een fijne winter.”

 

Vadertje-Tijd keek naar het zakje met goudstof en keek daarna de ijskoningin met betraande ogen aan.

“Dank u wel dat u wilde helpen. Ik ben u eeuwig dankbaar.”

De ijskoningin boog zich wat naar voren en gaf vadertje-Tijd een zoen op zijn voorhoofd. “Bedank mij niet, bedank je moeder.

Zij zorgt voor ons allemaal en zorgt dat wij met elkaar in verbinding blijven.”

De ijskoningin stond weer buiten en keek naar het kabouterdorp.

“Morgenavond zullen hier de kabouters door de poort heen marcheren en kunnen ze genieten van een heerlijke winter.”

“Dag Vadertje-Tijd”, zei de ijskoningin en ze liep via haar poort terug naar haar wereld.

 

De volgende avond zag hij dat, nadat hij de kabouters in slaap had gebracht en ook een korrel goudstof bij hen in de oogjes had laten vallen, dat ze één voor één hun huisje uit marcheerden en door de poort naar het winterlandschap wandelden.

Aan de andere kant van de poort stond de ijskoningin.

Ze deelde warme chocolademelk uit aan de kabouters en hielp hen bij het ombinden van de schaatsjes.

Ook trok ze de sleeën tot aan boven op de heuvel.

Zo gingen de kabouters elke nacht naar haar toe, totdat de laatste nacht was aangebroken.

Het voorjaar stond voor de deur en dan hadden de kabouters geen tijd meer om elke nacht naar hier te komen. Er zou gezaaid en geoogst moeten worden.

 

De laatste nacht was het één groot feest.

Midden in het bos stond een prachtig versierde boom met talloze lantarentjes die de plek midden in het bos rijkelijk verlichtten.

Alle dieren waren hier naartoe gekomen, maar ook Vadertje-Tijd en zijn moeder.

Nog één laatste nacht en dan was de winter voorbij.

De kabouters dansten en waren vrolijk en bij het opkomen van de zon liepen ze zwaaiend en lachend terug naar huis.

Vadertje-Tijd en de ijskoningin keken toe, hoe de laatste kabouter door de poort verdween.

Verliefd liepen ze hand in hand naar het paleis van de ijskoningin.

En elke avond bij zonsondergang, zodra de kabouters naar bed gingen, stonden ze hand in hand toe te kijken naar hoe deze kleine wezentjes langzaam in slaap vielen.

~ ♥ Spelen als een kind ♥ ~

Een klein meisje zit op de stoep. Het is koud en ze slaat haar armpjes om haar knietjes heen. Ze kijkt de straat in op de uitkijk naar haar moeder, maar het was nog geen vijf uur, want dan kwam haar moeder thuis.

Ze was vanmiddag vrij van school, iets wat heel onverwacht was gebeurd.

Vanuit school hadden ze haar moeder geprobeerd te bellen, maar ze had niet opgenomen.

Het meisje had tegen de juf gezegd, dat ze altijd naar haar buurvrouw ging als haar moeder er nog niet thuis was, en dat ze zeker wist dat ook nu de buurvrouw thuis was.

De juf had opgelucht geglimlacht en had haar met haar jas geholpen, en was met haar meegelopen naar het hek.

Maar bij het huis van de buurvrouw aangekomen bleek deze niet thuis te zijn. 

Het meisje had gekeken of er ergens een raampje open stond waar ze misschien naar binnen kon, maar dat was niet het geval.

Aan het begin van de middag had ze nog met een aantal kinderen in de straat gespeeld, maar nu zat ze alleen op de stoep voor de voordeur van de buurvrouw.

De andere kinderen waren naar huis gegaan en zij was alleen achter gebleven.

Ze keek op haar horloge. Nog twee uur te gaan en dan was het tijdstip aangebroken, dat ze na schooltijd bij haar buurvrouw terecht kon.

 

Het begon wat harder te waaien en de eerste sneeuwvlokken dwarrelden naar beneden.

Het meisje stond op. Ze liep het tuinpad op en ging in het portaaltje dicht tegen de voordeur aanzitten.

Daarna trok ze haar knietjes weer omhoog en begon langzaam te bibberen. De kou sneed door haar kleding heen.

De sneeuw bleef liggen en had al een aardige laag gevormd.

Het meisje rilde van de kou. Langzaam sloot ze haar oogjes en viel steeds verder in een diepe slaap.

 

Haar Engel had naast haar op de stoep gezeten en had haar ingefluisterd dat ze in het portaaltje moest te gaat zitten.

Daar was ze enigszins beschut voor de sneeuw en de scherpe snijdende wind.

Hij stond nu voor haar om haar nog een beetje beschutting te geven en zag dat ze langzaam in slaap viel.

Voorzichtig pakte hij het meisje uit het slapende lichaam en nam haar mee naar Zomerland.

Hij legde haar op een bed en streelde zachtjes over haar wang.

“Hier is het warm mijn kind. Dit is het enige wat ik nu voor je kan doen.

Ervoor zorgen dat jouw astrale lichaam warm blijft.”

 

Het meisje opende haar oogjes en zag een stralende Engel naast haar bedje staan.

“Dag lief kind, ik heb je hier mee naartoe genomen, zodat je warm bleef.

Je ligt nu te slapen in het portaaltje voor de deur van je buurvrouw.

Het is gevaarlijk om in slaap te vallen met deze kou.

Ik heb de Engel van je moeder en van je buurvrouw al gezien en ze doen er alles aan om hen zo snel mogelijk naar huis te laten komen.

Het meisje ging rechtop zitten en keek om zich heen.

Het voelde heerlijk warm aan hier in Zomerland en de zon scheen.

Ze zag kinderen spelen en ze renden door elkaar heen op weg naar een attractie van het attractiepark.

“Waar ben ik?” vroeg ze aan de Engel.

“Je bent in Zomerland mijn kind. Hier komen alleen maar kinderen en je kunt hier spelen en plezier hebben.”

Het meisje keek verwonderd om zich heen.

Ze zag een reuzenrad, een glijbaan, een achtbaan en een schommel.

Even verderop zag ze de zee met spelende kinderen op het strand.

“Dit lijkt wel vakantie!” riep het meisje blij.

“Mag ik hier vaker komen?” De Engel glimlachte.

“Ik nodig je uit om elke avond, zodra je gaat slapen, hier naartoe te komen.

Dan zal ik je persoonlijk ophalen en weer thuisbrengen.”

“Beloofd!?”

“Beloofd”, en de Engel pakte haar hand vast.

“Spring maar van het bed af mijn kind.”

 

Het meisje sprong van het bed af en liep hand in hand samen met de Engel Zomerland binnen.

Opnieuw keek het meisje haar ogen uit.

Ze zag zoveel kinderen en Engelen en ze hadden allemaal zoveel plezier.

Ze zag honden en katten, ze zag paarden en dolfijnen.

“Dit is het paradijs”, zei het meisje opgewekt.

“Dat is het ook lief kind, maar alleen voor kinderen.

Hier mag je zoveel spelen als je zelf wilt.”

“Waarom zijn hier geen volwassen mensen?”

De Engel keek droevig. “De grote mensen zijn vergeten hoe het is om kind te zijn.

De vrijheid in zichzelf zijn ze onderweg kwijtgeraakt.

Zie jij volwassenen nog weleens spelen?”

Het meisje schudde haar hoofd.

“Ook in mijn wereld mag ik niet zoveel meer spelen.”

“In welke groep zit je nu?” vroeg de Engel.

Het meisje zei: “Ik zit nu in groep drie.

Ik moet nu leren schrijven en rekenen en als ik uit het raam naar buiten staar en even niet oplet, omdat ik alles om me heen zo interessant vind, zegt de juf dat ik te veel fantasie heb.”

De Engel schudde zijn hoofd.

“Dat is toch geen school voor kinderen. Kom, ga met mij mee, dan zal ik je de school die wij hier hebben laten zien.”

 

Het meisje gaf de Engel weer haar handje en samen liepen ze hand in hand verder Zomerland binnen.

Een prachtig glazen gebouw stond te schitteren in de zon.

“Daar is het”, zei de Engel.

Hij opende een deur in het gebouw en liep een klaslokaal binnen.

Een Gouden-Engel die voor de klas stond glimlachte naar het meisje.

“Ga daar maar zitten mijn kind.”

Het meisje ging op een stoel zitten en luisterde naar wat de Gouden-Engel te vertellen had.

“Lieve kinderen. Vandaag kijken we naar buiten en zie wat er gebeurt.

Benoem in gedachten wat je ziet. Het is geen wedstrijd, maar kijk naar wat je allemaal kunt ontdekken.”

Het meisje keek naar de glazen ramen en het leek net alsof er een film voorbij kwam.

Aan weerskanten zag ze twee verschillende beelden. Aan de ene kant van de wand zag ze de nacht en aan de andere kant de dag.

Ook boven haar hoofd veranderde het beeld en het meisje keek haar ogen uit.

Ze zag de sterren en planeten en ze zag de zee, maar dan onder water.

Ze zag de vissen, mooie kristallen en schelpen. Ze zag de wereld waar zij woonde en ze zag de sneeuw naar beneden vallen.

Er was zoveel te zien dat ze opeens niet meer wist waar ze naartoe moest kijken.

De kinderen in haar klas genoten van het schouwspel.

Ze wezen alle kanten op en riepen oh en ahhh. Ze zagen kleine baby aapjes en uitbarstende vulkanen. Kortom, ze zagen zoveel.

 

Opeens veranderden de beelden en alle wanden lieten nu dezelfde film zien.

Ze keken naar een meisje dat in het portaaltje bij een huisdeur lag te slapen en dat er een Engel was die haar beschermde tegen de kou.

Ze zagen de buurvrouw thuiskomen die het meisje daar vond.

Snel pakte de buurvrouw het meisje op en legde haar in bed en dekte haar toe met een warme deken.

Daarna maakte de buurvrouw een warme kruik en legde deze tegen het meisje aan.

Ze probeerde het meisje wakker te krijgen, maar het lukte niet.

Met z’n allen keken ze toe naar hoe de dokter werd gebeld.

Ook zagen ze dat de moeder van het meisje binnenkwam en ongerust naar haar keek.

De Gouden-Engel stond nu naast het meisje in de klas.

“Ik denk dat het tijd is om terug te gaan. Ga maar met je Engel mee.

Hij zal je terugbrengen, maar vergeet nooit wat je hier hebt gezien.

Kom in je dromen hier naartoe, want dan zal ik je nog meer leren over onze wereld in de Hemel.

Ga nu maar snel!” Het meisje stond op vanaf haar stoeltje.

Ze bedankte de Gouden-Engel en liep samen met haar Engel de schoolgebouw uit.

“Laten we opschieten”, zei de Engel terwijl hij haar optilde en het decor veranderde.

Opeens waren ze bij de buurvrouw binnen en de dokter luisterde naar haar ademhaling.

Heel voorzichtig legde de Engel haar astrale lichaam terug in het slapende lichaam en streelde nog eens zachtjes over haar lange haar.

“Vergeet Zomerland nooit mijn kind. De wereld voor kinderen in de hemel.

Waar ieder kind welkom is, groot en klein.”

Het meisje wilde het gezicht van de Engel aanraken en stak haar hand naar voren, maar de Engel verdween langzaam uit haar gezichtsveld en langzaam deed ze haar oogjes open.

Moeder, de buurvrouw en de dokter keken haar opgelucht en blij aan en het meisje zei op een fluisterende toon: “Ik ben naar Zomerland geweest”, en viel langzaam weer terug in slaap waar ze de volgende dag uitgerust en vol energie wakker werd.

Heb je een vraag naar aanleiding van deze verhalen? Of wil je graag een reactie plaatsen, dan kan dat ik mijn gastenboek. De vragen zal ik zo liefdevol beantwoorden hier op deze website bij Vraag & Antwoord.

~ ♥ Gastenboek ♥ ~

Commentaren: 0