Het was koud en donker.
De eerste sneeuwvlokken dwarrelden langzaam vanuit de lucht naar beneden. In de hoek van een portiek zat een klein meisje ineengedoken.
Ze was weggelopen uit het weeshuis en huilde zachtjes voor zich uit.
Ze had geen papa en mama meer, en andere familieleden had ze nog nooit ontmoet. Ze was gevlucht omdat de juffen in het weeshuis zo onaardig tegen haar deden.
Ze waren streng, veel te streng, en wat ze ook deed, in hun ogen deed ze het nooit goed.
Die ochtend, na het ontbijt, had ze opnieuw de schuld gekregen van iets wat ze niet had gedaan.
Ze kon het niet meer verdragen en besloot weg te gaan.
De hele dag had ze door de stad gezworven.
Tegen de avond werd ze moe en wist ze niet meer wat ze moest doen.
Teruggaan naar het weeshuis was geen optie, ze kende de juffrouwen maar al te goed. Ze zou vast voor lange tijd straf krijgen.
In de winkelstraat zag ze een portiek en kroop daar in een hoekje weg.
Mensen liepen langs haar heen. Ze keken wel, maar liepen gewoon door.
Niet één voorbijganger bleef staan. Niemand vroeg of ze hulp nodig had.
Het meisje had het vreselijk koud.
Ze trok haar jas strakker om zich heen en probeerde haar opgetrokken beentjes warm te houden.
Ze keek naar de lichtjes in de straten, naar de kerstbomen en de vredige kerstsfeer. Maar voor haar voelde het helemaal niet vredig.
Langzaam nam de kou bezit van haar lichaam en viel ze in een droomloze slaap…
Rond middernacht had de Kerstman er al een lange reis op zitten.
Hij was in vele landen en steden geweest en was nu bijna klaar.
Hij zette zijn slee op het dak van een flatgebouw, stapte uit, pakte de laatste zak cadeautjes en liep naar zijn rendieren.
“Hou nog heel even vol, Bliksem. Dit is de laatste stop en dan gaan we weer naar huis. Rust maar even uit, ik ben zo terug.”
Dit was het laatste land en de laatste stad.
Overal had hij kinderen blij gemaakt met cadeautjes.
Al zingend liep hij van huis naar huis en bracht ieder kind iets moois.
Als laatste kwam hij aan bij het weeshuis.
Naast de open haard stond een grote kerstboom. Het zag er gezellig uit, vond hij.
Hij haalde de cadeautjes één voor één uit zijn zak en legde ze onder de boom.
“Deze is voor Alie… deze voor Maik… deze voor Sonja… en deze mooie pop is voor Evelien…”
Maar net toen hij de pop wilde neerleggen, kreeg de Kerstman het gevoel dat er iets niet klopte.
Hij pakte zijn telefoon en belde naar huis. Een kleine Elf nam op.
“Dag Kerstman, er zijn toch geen problemen hoop ik?”
“Nou, mijn kleine jongen… ik denk van wel,” zei hij, en hij vertelde over zijn onrustige gevoel.
“Eén momentje,” zei de Elf. “Ik ben zo terug.”
Hij liep naar de grote glazen bol die midden in het huisje stond.
“Wat is er aan de hand?” vroeg de Kerstvrouw bezorgd.
“Er is toch niets ergs gebeurd?”
De Elf keek haar verdrietig aan.
“Evelien is zoek,” zei hij zacht terwijl hij in de glazen bol keek.
De Kerstvrouw kwam naast hem staan. Samen zagen ze het kleine meisje dat verkleumd van de kou, slapend in een verlaten portiek.
Verschrikt sloeg de Kerstvrouw haar hand voor haar mond.
“Och, wat erg! Dat arme kind… Heeft ze dan helemaal geen familie?”
De Elf pakte een groot boek uit de kast, waarin alle namen van de kinderen uit de stad stonden.
“Even kijken… Evelien… hier staat ze.
Geen ouders, geen broers of zussen, geen andere familie. Ze is helemaal alleen.”
“Maar ze woonde toch in het weeshuis?” vroeg de Kerstvrouw.
“Ja, dat klopt,” zei de Elf.
De Kerstvrouw keek opnieuw in de glazen bol en zag hoe één juffrouw telkens gemeen tegen Evelien deed en de andere juffen opstookte.
Het meisje leefde daardoor in een zeer onprettige omgeving.
“Ik begrijp dat ze is weggelopen,” zei de Kerstvrouw.
“Geef mij die telefoon eens.”
“Met Claus,” klonk het aan de andere kant.
“Met mij. We hebben haar gevonden. Ze ligt in een portiek in de grote winkelstraat. Maar Claus… ze is helemaal alleen. Misschien moet ze met jou mee terug.
Hier zal ze een familie hebben en liefde in overvloed krijgen.
Als je haar laat liggen, overleeft ze de nacht niet. We zagen de Engelen zich al gereedmaken om haar te halen. Je moet snel zijn!”
Tijdens het telefoongesprek keek de Kerstman in alle portieken.
Plots zag hij een klein hoopje tegen een muur liggen.
“Ik heb haar gevonden!” riep hij.
Hij wikkelde haar snel in een warme deken.
Heel even opende ze haar oogjes en mompelde:
“Ben ik in de hemel?”
De Kerstman liep vlug naar het flatgebouw en klom in zijn slee.
“Zo snel als je kunt, Bliksem! We hebben een verkleumd kindje!”
Bliksem keek achterom, zag het meisje en riep naar de andere rendieren:
“Kom jongens, naar huis!”
De slee kwam in beweging.
Zachte belletjes rinkelden terwijl ze de lucht in stegen.
Aan de horizon kwam de zon al op.
De Kerstman keek nog even achterom en zag dat er weer wat kleur op haar wangetjes kwam.
Tevreden vloog hij terug naar Lapland, vlak bij de Noordpool.
De volgende dag werd het meisje wakker in een gezellig kamertje.
Ze lag in een mooi groen bed met hagelwitte lakens en een dekentje van gekleurde lapjes.
Aan het voeteneind lag een pop, precies de pop van haar verlanglijstje.
De muren hadden behang met kleine blauwe bloemetjes. Er stond een kast en een stoel bij het raam.
Ze liep naar het raam en keek naar buiten.
Overal liepen lieve Elfjes rond, in gekleurde kleding en puntige mutsjes.
Hun sokken waren wit met groen gestreept.
De huisjes waren bontgekleurd en bedekt met sneeuw.
Er werd geklopt.
“Mag ik binnenkomen?” vroeg een vriendelijke stem.
Een oudere vrouw kwam binnen met een jurkje en gestreepte sokken over haar arm.
“Welkom, mijn kind. Welkom in Lapland. Mijn man heeft je gevonden.
Hopelijk word je hier wél gelukkig.” Ze gaf haar een kus op het voorhoofd.
“Is ze al wakker?” vroeg de Kerstman terwijl hij om de deur keek.
Evelien keek verbaasd.
“Mag ik hier wonen? Zomaar?”
Hij tilde haar op.
“Ja. Je mag bij ons blijven. We laten je het dorp zien en stellen je voor aan de Elfen. Trek je jurk aan, iedereen wil je ontmoeten.
Er is hier nog nooit een klein meisje gebracht.”
Buiten juichten alle Elfjes: “Hoera! Hoera!”
De Kerstman zei: “Mag ik jullie voorstellen… Elfelien!”
Elfelien kreeg een heerlijk leven.
Ze woonde al bijna een jaar bij Claus en zijn vrouw en leerde elke dag nieuwe dingen.
Ze hielp verlanglijstjes sorteren, cadeautjes inpakken, snoep maken in de keuken en mocht zoveel eten als ze wilde.
’s Nachts ging ze mee met Vadertje-Tijd om zand in kinderogen te strooien zodat ze sliepen.
Ze maakte overal vrienden.
Voor het slapengaan ging ze altijd naar de stal, naar haar beste vrienden: de rendieren. Soms reed ze stiekem op Bliksem door de lucht en strooide Elfenstof.
Dan kwamen Engeltjes met haar spelen.
Op de veranda keken de Kerstman en zijn vrouw glimlachend toe, hand in hand.
In de verte zongen Kerst-Engelen.
“Kerstmis komt eraan,” fluisterde Claus, terwijl hij zijn vrouw een kus gaf en zich klaarmaakte voor een lange reis.
Het is koud en de wind blaast om zijn gezicht heen.
Zijn vingers zijn blauw van de kou en zo nu en dan probeert hij ze warm te blazen.
Gebogen loopt hij wat heen en weer om niet gezien te worden.
De avond begint langzaam in te vallen.
Hij kijkt naar de eerste sterren die tevoorschijn komen en zucht.
Waarom moest hij naar het front?
Waarom moest hij zijn gezin achterlaten?
Waarom is er nog steeds oorlog?
Hij staart naar de grootste ster en vraagt:
“Wanneer kan het eens vrede worden?”
Het is nacht en een vrouw loopt met haar kind op haar rug van het ene kamp naar het andere, op zoek naar hulp en eten voor haarzelf
en haar kindje.
Van Kerst heeft ze nog nooit gehoord.
Ze gelooft niet meer in vrede op aarde of in gelijkheid.
De nacht is koud en ze slaat haar omslagdoek wat strakker om hen beiden heen.
Ze kijkt naar de ster die zo rijkelijk schijnt en vraagt:
“Waarom moet ik voor iedere druppel water reizen?
En waarom zijn er wel olieleidingen, maar geen waterleidingen?”
Een oude man zit in zijn flat op één hoog achter en kijkt naar de laatste mensen op straat.
Het is avond en het licht van de lantaarnpalen schijnt op het natte wegdek.
De man zucht en kijkt naar de winkels die hun deuren sluiten.
Kerstavond… en hij is eenzaam. Zo ontzettend eenzaam.
De man ziet een ster tussen de wolken door komen en vraagt:
“Waarom bestaat er nog eenzaamheid?
Waarom moet ik juist nu alleen de dagen doorbrengen?”
Een gescheiden vrouw zit met haar kinderen in een oud, tocht doorlatend huis.
De gordijnen heeft ze dicht en aan de onderkant achter de verwarming geduwd.
Ze probeert zoveel mogelijk warmte vast te houden, al is het maar zeventien graden.
Het is koud en ze kijkt naar haar twee kinderen die op de bank zitten met een dikke deken om hen heen geslagen.
Wanneer ze, voordat ze naar bed gaat, nog eenmaal naar buiten kijkt, vraagt ze aan de sterren:
“Waarom kan niet alles gelijk zijn?
Waarom heeft de één zoveel meer dan de ander?
Is de wereld dan niet van ons allemaal?”
Een familie zit aan tafel en midden op de tafel staat een rijk gevulde kerstkalkoen.
In de hoek van de woonkamer staat een grote, versierde kerstboom te pronken.
Onder de boom liggen wel vijftig cadeautjes met verschillende namen erop.
De sfeer is warm en gezellig.
Dan staat de vrouw des huizes op en loopt naar het raam.
Ze slaat de tuindeuren open, kijkt naar de sterren en vraagt zacht:
“Lieve ster, mag mijn man veilig terugkeren van het front?
Ik wil u ook graag vragen om mijn oude, lieve vader te beschermen
en of hij zijn boosheid eens wil laten varen.
Ook wil ik vragen om licht op mijn zusje te laten schijnen.
Ze is zo koppig en wil geen hulp van mij of anderen.
Ze zegt: ‘Ik kan het wel alleen.’
En… wilt u ook denken aan de mensen ver bij ons vandaan,
daar waar olie belangrijker is dan water?
Mag het daar beter worden?”
Dan herinnert ze zich het bedrag dat ze die middag had overgemaakt.
Ze veegt de tranen van haar wangen en loopt weer naar binnen.
Ze glimlacht naar het gezelschap.
Haar dochtertje komt naar haar toe gelopen en slaat haar armpjes om haar moeder heen.
“Mama, waarom maken mensen altijd ruzie?
Waarom zijn ze zo koppig?
Kan het niet altijd vrede zijn?
Kunnen mensen elkaar niet gewoon helpen
en niet meer vechten om land en olie?
Waarom mama… waarom zijn de mensen zo?”
Moeder neemt haar dochtertje op schoot en kijkt naar de mensen die bij haar aan tafel zitten.
“Wij, de gewone mensen, kunnen maar weinig doen.
Het enige wat belangrijk is, is om onze naasten lief te hebben
en te hopen en te bidden dat ook de mensen met macht eens gaan nadenken.
Maar dat kan alleen als iedereen dat tegelijk doet.
Zolang er nog verdeling is, zal er geen verandering komen.”
“Maar mama… waarom doet God niets?
Waarom laat Hij dit toe?”
Moeder kijkt naar het gezelschap.
Een oude man die aan tafel zit, zegt zacht:
“God is geen angst, mijn kind.
God is de liefde die wij in ons hebben.
Door onze levenslessen leren we hoe het niet moet.
Sommige mensen leren dat eerder dan anderen.
God grijpt niet in, omdat Hij weet dat op een dag
ook deze mensen zullen beseffen dat zij gelijk zijn aan de rest.
Pas dan kan er vrede komen.”
Moeder kijkt de oude man dankbaar aan en knikt.
“Kom meisje, laten we gaan bidden.”
Het meisje gaat op haar stoeltje zitten.
Ze vouwt haar handjes en bidt:
“Ik bid tot alle sterretjes aan de hemel…
Kunnen jullie de mensen laten inzien dat ruzie geen enkele zin heeft,
en dat er altijd een verliezer is met pijn en verdriet?
Kunnen jullie de wereld besprenkelen met liefde en rust,
zodat we de kans krijgen om elkaars gelijken te zijn, in alles?
Alsjeblieft… laat de vrede over deze wereld komen.
Amen.”
Dan kijkt ze iedereen die dit leest aan en zegt zacht:
“Alsjeblieft.”
Het was koud en de regen sloeg tegen de ramen van een klein huisje.
Een klein jongetje had zijn neusje tegen het raam aangedrukt en keek naar de striemende regen.
Het raam besloeg door zijn ademhaling en daardoor kon het jongetje met zijn vinger een klein kaboutertje tekenen.
Bij de volgende ademhaling besloeg het raam weer en tekende hij een boom naast het kaboutertje.
Ook tekende hij een kruiwagentje en appels aan de boom.
Veel van de appels waren van de appelboom afgevallen door de harde wind die nu rond zijn huisje gierde.
Het jongetje ging zo op in zijn tekening dat hij niet opmerkte dat hij iets aan het creëren was dat, achter de sluiers, ook werkelijk gebeurde.
Het hout in de houtkachel knapperde zachtjes en gaf een behaaglijke warmte af.
Door die warmte werd de jongen rozig en begon te gapen.
Hij verliet het raam en kroop met een dekentje op de bank.
“Ben je moe, mijn kind?” vroeg moeder, die aan het breien was.
Het jongetje knikte en zakte verder weg onder zijn warme deken.
Hij sloot zijn oogjes en viel langzaam in een diepe slaap.
Opeens schrok hij wakker en keek verschrikt om zich heen.
Hij zag een klein huisje met daarnaast een grote appelboom.
Een klein kaboutermannetje raapte de gevallen appels op en legde deze in zijn kruiwagentje.
Zodra het wagentje vol was, duwde hij het zijn huisje binnen en legde de mooie rode appels in een mandje dat in de hoek stond.
De jongen keek zijn ogen uit.
Hij was zich er direct van bewust dat híj dit kaboutertje had gecreëerd, precies zoals hij hem had getekend en zich had voorgesteld.
Hij keek het huisje binnen en zag dat er verder niets aanwezig was.
“Wat raar,” dacht de jongen.
“Waarom heeft hij geen tafel en stoeltjes? En waarom heeft hij geen kacheltje om hem warm te houden?”
Hij zag hoe het kaboutermannetje weer naar buiten liep om opnieuw appels te rapen.
Toen de jongen weer naar binnen keek, zag hij dat de appels verdwenen waren.
“Nee… dit kan niet,” dacht hij.
Steeds opnieuw vulde het mannetje zijn kruiwagentje, reed naar binnen, legde de appels neer…
en zodra hij weer naar buiten ging, was alles uitgewist.
Het ritueel begon telkens opnieuw.
Het kaboutermannetje was zich er niet van bewust dat hij dezelfde handelingen bleef herhalen.
De jongen besefte dat híj degene moest zijn die dit veroorzaakte.
“Misschien moet ik iets veranderen,” dacht hij.
“Misschien kan hij de appels dan behouden.”
In zijn gedachten ging hij terug naar het raam.
Hij tekende een tafel en een stoel in het huisje.
In de hoek tekende hij een klein kacheltje.
Ook tekende hij een stapel appels.
Toen hij weer keek, zag hij dat het huisje veel gezelliger was geworden.
Het kaboutermannetje had nu alle appels naar binnen gebracht.
De jongen zag dat hij de kachel probeerde aan te maken… maar hij had geen hout en geen vuur.
De jongen tekende hout en een doosje lucifers.
Toen hij weer keek, zag hij dat het mannetje zijn vingers had gebrand.
Er ontstond angst.
Het kaboutertje werd bang voor het vuur en ging ver weg van de kachel zitten.
“Oeps,” zei de jongen.
“Daar had ik niet aan gedacht… Hoe krijg ik die angst weer weg?”
Hij veegde de kachel en lucifers weg en tekende centrale verwarming.
Maar er gebeurde niets.
“Ojee… dan moet ik meer creëren,” fluisterde hij, terwijl hij zag dat het kaboutertje rilde van de kou.
Hij tekende een grote leiding naar het huisje.
Daarna tekende hij een planeet en liet de leiding diep de planeet ingaan.
Met grote letters schreef hij erbij: GAS.
Het kaboutermannetje zat nu warm en tevreden.
De jongen tekende er ook een plankje en boeken bij.
Hij was trots op zijn creatie.
Maar plotseling begon het huisje te schudden.
De boeken vielen.
De boom viel om.
De jongen keek geschrokken.
De planeet waar hij het gas vandaan haalde, trilde.
“Oh wat erg!” riep hij.
Snel veegde hij de planeet en leiding weg.
“Dit mag niemand pijn doen… ik moet iets anders bedenken.”
Toen kreeg hij een idee.
Hij tekende een rivier met een waterval.
De energie van het water gebruikte hij voor elektriciteit.
Hij tekende een lampje en een elektrische kachel.
De boom zette hij weer recht.
“Nu is alles perfect,” dacht hij.
Maar na een half uur zat het kaboutertje nog steeds stil… met een boek in zijn handen.
“Wat doe ik verkeerd? Misschien moet ik hulp vragen…”
Hij tekende een grote Witte Engel.
Met een pijl en het woord BEWUST erbij.
Bijna meteen verscheen de Engel.
“Jij hebt mij getekend?” vroeg hij.
De jongen knikte.
“Ik weet niet meer hoe ik verder moet. Ik wilde helpen… maar het ging steeds mis.”
De Engel keek naar het kaboutertje.
“Ik zie het al. Hij doet nog steeds wat jij van hem verlangt.
Hij is zich niet bewust van zijn wereld.
Hij kent geen geluk… geen liefde… alleen angst.”
De Engel sloot zijn ogen.
Het decor veranderde.
Het huisje stond nu in een groot groen bos.
Langs een gouden pad verschenen meer kabouterhuisjes.
In elk huisje woonde een gezin.
Ook het kaboutertje kreeg een vrouwtje…
en een baby in een wiegje.
De Engel creëerde vogels, vissen en bloemen.
Heel veel bloemen.
De jongen keek verwonderd.
Maar het kaboutertje zat nog steeds stil.
De Engel liep naar de jongen…
en legde zacht zijn hand op zijn hart.
Een warme energie stroomde door hem heen.
De Engel nam een beetje liefde uit zijn hart…
en legde die in het hart van het kaboutertje.
Meteen kleurden zijn wangetjes rood.
Hij glimlachte.
“Kom,” zei de Engel.
“Ik breng je terug.
Dit is een creatie van jouw bewustzijn.
Wees je voortaan bewust van wat je creëert.
Voor je het weet, creëer je onbalans — in jouw wereld en die van een ander.”
De jongen werd teruggebracht naar zijn slapende lichaam op de bank.
Moeder breide nog.
Vader las de krant.
Op de voorpagina stond: ‘DE ANGST REGEERT!’
De Engel schudde zijn hoofd.
Hij creëerde een mand hout die nooit leeg zou raken.
Toen keek hij weer naar de krant…
De kop veranderde in: ‘SAMEN MET ELKAAR!’
De Engel glimlachte, opende de deur en liep naar buiten.
Dan kijkt hij de lezer van dit verhaal aan…
en blaast zijn liefde recht in jouw hart.
Hij zegt zacht:
“Wees bewust van wat echte liefde is, mijn kind.
De wereld is van ons allemaal.”
En met een glimlach verlaat de Engel onze wereld.
Het is koud.
Een jongen kijkt uit het raam en ziet de sneeuwvlokken op de grond vallen.
Hij is verdrietig en huilt zachtjes terwijl hij naar buiten kijkt.
Hij was niet uitgenodigd voor het verjaardagsfeestje van zijn beste vriendje.
Tenminste… hij dacht dat het zijn beste vriendje was.
Hij kon het niet bevatten wat er zich voor hem had afgespeeld.
Elke dag ging hij blij naar school.
Hij keek er altijd naar uit om weer te mogen voetballen met zijn vriendjes op het schoolplein. Ook vanmorgen ging hij opgewekt naar school.
Heerlijk weer voetballen.
Hij mocht vandaag de ploegen verdelen en wist al wie hij in zijn groepje wilde hebben.
Maar bij aankomst was er iets anders aan de hand.
Zijn beste vriend deelde kaartjes uit. Kaartjes met uitnodigingen voor zijn verjaardag.
Tijdens het uitdelen stonden alle vriendjes om hem heen. Iedereen was blij.
Fijn, een feestje! Ja, daar hadden ze allemaal wel zin in.
En zo werden de verjaardag uitnodigingen uitgedeeld.
Mark kreeg er één, en toen Sven, daarna Arjen en Bas.
Toen had zijn vriendje nog één kaartje in zijn hand.
Nog altijd naar buiten starend dacht de jongen weer terug aan dat ene moment.
Hij dacht echt dat die kaart voor hem was.
Hij wilde zijn hand al uitsteken om de kaart aan te pakken…
Maar zijn vriendje draaide zich om en gaf de kaart aan Christiaan.
Verdrietig stond hij voor het raam en keek weer naar buiten.
Het sneeuwde nu nog harder.
In de verte, tussen de bomen, zag hij iets bewegen.
Er kwam iemand naar zijn huis toe gelopen. Hij kon niet goed zien wie het was.
Het was ook al bijna donker.
De persoon kwam dichter en dichterbij, totdat hij voor het raam stond.
Nog kon de jongen niet zien wie er voor zijn raam stond.
Zijn jas was helemaal wit van de sneeuw en hij had een capuchon op.
De persoon deed nog een stapje dichterbij, deed zijn capuchon af…
En stak zijn arm omhoog.
In zijn hand had hij een kaart vast.
Het was zijn beste vriendje!
En hij had een uitnodiging bij zich!
Snel deed de jongen de schuifdeur open en liet zijn vriendje binnen.
“Het spijt me zo,” zei zijn vriendje.
“Ik heb hem op de keukentafel laten liggen.
Ik wilde hem meenemen naar school, maar ik had hem apart gelegd, omdat ik voor jou een andere kaart had gekocht dan voor de rest.”
En hij gaf de jongen de uitnodiging.
De jongen maakte de kaart open en zag aan de voorzijde een jongen die aan het voetballen was.
Binnenin stond beschreven wanneer het feestje was en om hoe laat het begon.
Ook stond er:
‘Voor mijn allerbeste vriend.’
De jongen lachte. Hij was er heel blij mee.
“Kom!” zei hij.
Hij liep naar de kapstok, deed zijn jas aan en de buitendeur open.
Tot laat in de avond hebben ze sneeuwgevechten gehouden en ook een sneeuwpop gemaakt.
En een uil in de boom, recht boven hen, had alles gadegeslagen…
en keek met een tevreden blik naar beneden.
Als een lieve Engel voor je staat, dan begint ze te lachen.
Ze zegt: “Wat ben jij een mooi mens.”
Wanneer ze naar je toekomt, legt ze haar hand op jouw hoofd en zegt met een liefdevolle stem:
“Fijne Lichtdagen en een goede en gezellige wisseling van het oude naar het nieuwe toe.”
Dan doet ze een wens en zegt weer zacht:
“Dat het nieuwe jaar je dátgene mag geven wat je wenst.
Dat je onvoorwaardelijke liefde mag voelen in jezelf, voor de mensen om je heen en naar de wereld toe.
Dat je hart open mag gaan en dat je zonder oordeel zegt:
‘Het is goed, zoals het op dit moment gaat. Ik heb er vrede mee.’
Want je weet dat, als je je ergens druk of zorgen over maakt, het probleem alleen nog maar groter wordt in jezelf.
Ga met de stroom mee en accepteer.”
Dan legt ze haar hand op je hart en heel even voel je je vrij van alle zwaarte die je met je meedraagt.
En ze fluistert in je oor:
“Dit is echte liefde.”
Ze staat nu voor je en kijkt je vrolijk aan.
“Weet dat je niet alleen bent. Ik ben er altijd voor je als je naar mij vraagt,”
en ze geeft je een zoen op je voorhoofd.
Dan pakt ze je hand en legt deze op haar hart.
Er stroomt een liefdevolle energie door je lichaam.
Eerst heel zachtjes, maar je kunt voelen dat het sterker wordt.
“Alleen met onvoorwaardelijke liefde kun je jezelf en de wereld helen.
Wees lief en wees je te allen tijde bewust van wat je doet, zegt en voelt.
Doe alles vanuit deze liefde — pas dan kun je jezelf en de wereld mooier maken.
Dank je wel dat je wilde luisteren naar mijn woorden.
Dank je wel dat jij er bent en dat je niet gemist kan worden in deze wereld.
Weet dat wanneer je vraagt, er altijd een antwoord op je wacht.
Vergeet nooit dat ik er voor je ben, ook al lijkt het alsof wij afgescheiden zijn van elkaar.
Vraag… en ik geef antwoord.”
Dan slaat ze haar armen om je heen en kijkt ze je weer lachend aan.
“Dank je wel voor je liefde,”
en dan geeft ze je nog een laatste kus en verdwijnt stilletjes uit jouw gezichtsveld.
Tot het moment dat jij naar haar vraagt…
dan staat ze weer naast je.
Samen, zij aan zij.
