‘Mama, waar gaan wij naar toe?’
Een jongetje keek omhoog naar zijn moeder.
Moeder keek haar zoon aan.
Mama zei: ‘Luister goed, wij gaan samen met z’n tweetjes op reis.’
De jongen was blij. Hij stond te dansen en te springen van blijdschap.
‘Waar gaan we dan naar toe mama?’
Mama stond stil, ze hing een beetje naar voren en keek haar zoon recht in de ogen aan. ‘Wij gaan naar de Engelen.’
Het jongetje keek verbaasd. ‘Bestaan er dan echt Engelen mama?’
‘Ja, die bestaan echt, maar niet iedereen kan ze zien.
Wij wel!’ en ze gaf haar zoon een knipoog. ‘Ik zie ze nu overal om me heen’, zei ze tegen haar zoon.
De jongen had nog nooit een Engel gezien.
Hij dacht altijd dat het een verzinsel was.
Nu ging hij met zijn moeder naar de Engelen en zijn mama zag ze wel.
‘Maar als u ze nu al ziet, dan zijn we toch al bij de Engelen?’ vroeg hij weer.
Moeder knikte, ‘maar er is één plek waar de Hoogste Engelen wonen en daar gaan we nu naartoe.’
Ze trokken hun jas aan en gingen samen op pad.
‘Is het nog ver?’ vroeg de jongen na een tijdje.
‘Wij zijn er bijna, alleen deze trap omhoog en dan zijn we bij de Engelen.’
Moeder en zoon beklommen samen de trap.
Een trap die in het begin heel breed was.
Maar hoe verder je naar boven liep, hoe smaller de trap werd.
Helemaal bovenaan was de trap zo smal geworden, dat je nog maar één voet op een tree kon zetten.
Boven aan de trap was een groot plein.
Als je naar boven keek zag je een enorm groot gebouw.
Dit gebouw was van wit marmer en had heel veel ramen.
En je kon de bovenkant niet zien, die was verstopt in de wolken.
Moeder pakte haar zoon bij de hand en zei: ‘Dicht bij mama blijven hoor.’
En samen staken ze het plein over totdat ze bij het gebouw aankwamen.
Voor de deur stond een Gouden Engel.
Deze Engel had een zwaard in zijn hand.
Hij hield moeder en zoon staande en vroeg aan moeder wat ze kwamen doen.
Moeder die niet bang was zei: ‘Ik kom voor de Hogere Engelen.’
De Gouden Engel die op wacht stond liep naar de deur en deed hem open.
Moeder pakte haar zoon weer bij de hand en snel liepen ze naar binnen.
Binnen was alles wit met een enorme zaal waar geen eind aan leek te komen.
Pilaren die zo hoog reikten, waardoor je het einde er niet van kon zien.
Overal liepen Engelen heen en weer.
Het jongetje kon ze nu ook zien en hij keek zijn ogen uit.
Maar ze moesten verder.
Moeder nam haar zoon weer bij de hand en ze gingen naar een lift.
Voor de lift stond een prachtige witte Engel en hij vroeg aan moeder: ‘Waar wilt u naar toe?
Moeder zei: ‘Ik kom voor de Hogere Engelen.’
En de Engel opende de lift, liet moeder en zoon instappen en drukte op wat knoppen.
Er gebeurde niets. Geen raar gevoel van omhoog of omlaag, helemaal niets.
De Engel had op een paar knoppen gedrukt en de deur ging daarna gelijk weer open.
‘Bestemming bereikt’, zei de Engel.
Moeder pakte haar zoon weer bij de hand en samen liepen ze een stille witte gang door.
Aan het einde van de gang zat een deur.
Dit keer stond er geen Engel voor en moeder klopte aan.
De deur ging open en moeder en zoon stapten naar binnen.
In een grote kamer zonder muren stond een grote ronde tafel.
Aan die tafel zaten twaalf Hoge Engelen.
Moeder liep naar de tafel waar de Engelen zaten.
De Engelen keken moeder en zoon aan en begonnen te lachen.
‘Welkom terug’, zeiden allen tegelijk.
‘Jouw reis heeft lang geduurd! Wat zijn wij blij dat je weer terug bent!’
Moeder was ook blij.
Ze omhelsde de Hoge Engelen en keek toen naar haar zoon.
‘Dit zijn mijn vrienden. Zij hebben altijd voor mij klaar gestaan en lieten mij leren wat ik wilde leren.
Maar nu ben ik thuis en mijn kind, jij bent ook thuis.
Jij mag spelen met de andere Engelen en ervan genieten om zelf een Engel te zijn.’
Moeder en zoon waren blij en genoten van alle liefde en aandacht die ze van iedereen kregen.
Het jongetje kreeg een zoen van zijn moeder en een lieve zilveren Engel bracht hem terug naar beneden waar allemaal andere Engelkindertjes waren.
Ze kregen les en mochten mee op schoolreis.
Ze werden opgeleid tot Beschermengel, zodat ze als ze groot zijn, jou kunnen beschermen en lief zullen hebben.
Een oude vrouw keek uit het raam.
Ze was de laatste tijd niet zo lekker geweest.
Ze had pijn en ze moest vaak huilen.
Vaak keek ze naar buiten en dan kwamen alle oude herinneringen voorbij.
Soms waren dat leuke herinneringen, maar vaak waren ze minder leuk.
Ze vond het moeilijk om al die verdrietige dingen weer te zien nu ze zo ziek was.
Liever had ze deze allemaal in een doosje gedaan en onder in de kast gelegd.
Maar helaas kon dat niet.
De oude vrouw keek weer door het raam naar buiten.
Ze zag de vogels die op zoek waren naar voedsel in het gras.
De oude vrouw kreeg het koud en sloeg een warme deken over haar schoot.
De kachel brandde zachtjes op de achtergrond en langzaam viel de oude vrouw in slaap.
Opeens schrok ze wakker.
Naast haar stond een vrouw, een mooie jonge vrouw.
Ze had lang rood haar dat tot haar heupen reikte.
Ze had een groene jurk aan, gemaakt van een stof die ze nog nooit had gezien.
‘Ga je mee?’ vroeg de jonge vrouw en ze reikte de oude vrouw de hand.
De oude vrouw stond op van haar stoel en pakte haar hand vast.
Wat was deze vrouw prachtig ze keek haar ogen uit.
‘Luister’, zei de jonge vrouw, ‘wij gaan op reis, ga je mee?
Laat mij het werk doen en kijk goed om je heen.’
De oude vrouw knikte weer en wachtte op wat komen zou.
Langzaam gingen ze naar beneden.
Het leek net of alles wat er was opzij schoof.
Ze gingen door de vloer van haar huis, zo de grond in.
De oude vrouw kon alles goed zien.
Het was net of er overal lampen hingen.
Zo licht was het onder de grond, maar er hingen geen lampen.
Langzaam gingen ze door verschillende lagen zand.
‘Prachtig om te zien hoeveel lagen Moeder Aarde heeft, vind je niet?’ vroeg de jonge vrouw.
De oude vrouw was onder de indruk van wat er met haar gebeurde.
Ze voelde de energie van al die lagen.
Deze lagen van eeuwen en eeuwen geleden.
‘Ja, onze Moeder is al heel oud, maar nog jong vergeleken bij de andere planeten’, legde de jonge vrouw uit.
Langzaam gingen ze verder.
Het vuur was nu in zicht.
Grote lavastromen gingen ze voorbij en langzaam gingen ze verder.
Opeens hoorde de oude vrouw kinderstemmetjes.
De oude vrouw keek de mooie vrouw van schrik aan, maar zij op haar beurt begon te lachen.
‘Welkom in de binnenwereld’ en ze lachte vrolijk, ‘we zijn er!’
Een deur ging open en een prachtig groen landschap kwam tevoorschijn.
Er kwamen meteen kinderen aangerend.
‘Wil jij met ons spelen?’ vroegen ze de oude vrouw.
De oude vrouw schudde haar hoofd van nee.
‘Ach ik zou zo graag willen spelen, maar ik ben oud en ziek, het zal niet gaan.’
De kinderen begonnen allemaal hard te lachen.
‘Nee hoor! Je bent niet ziek en oud al helemaal niet.’
‘Kom’, zei de jonge vrouw en de oude vrouw volgde haar.
Toen ze bij de waterkant aankwamen bukten ze beiden en keken in het heldere water.
De oude vrouw was weer kind en de jonge vrouw was nu oud.
‘Ik draag nu jouw zieke oude lichaam, zodat je nog heel even kind kunt zijn. Ga!
Ren en speel, geniet van het kind zijn en heb plezier.’
Het meisje rende naar de andere kinderen en de oude vrouw ging zitten op een bankje.
Ze had een glimlach op haar gezicht toen ze naar haar spelende kind keek.
Binnenkort gaat ze haar weer halen, maar dan voorgoed en mag ze altijd spelen en kind zijn.
De oude vrouw sloot haar ogen en met een schok werd ze wakker.
De vogels vlogen weg.
De kachel was uitgegaan en de deken lag op de grond, maar ze wist dat ze vrij was, vrij om naar huis te gaan.
Het meisje stond op, deed haar kleren aan en liep naar de deur.
Het was de deur naar de andere kant van de wereld.
Een wereld waar ze heel lang geleden had gewoond.
Ze had toen de sluiers tussen beide werelden ontdekt en haar nieuwsgierigheid had het gewonnen van de liefde.
Ze had geen keus meer.
Ze moest de wereld van tijd en dualiteit ingaan.
Nu, na vele levens had het meisje de deur naar deze wereld terug gevonden.
En in haar verhalen verkende ze deze wereld.
Langzaam deed ze de deur open.
De geur van frisse bloemen kwam haar tegemoet.
Snel sloot ze de deur weer achter zich en stapte deze prachtige wereld binnen.
Ze wilde de oude man die aan de rand van deze wereld woonde bezoeken.
Ze had hem al meerdere keren ontmoet en vandaag hoopte ze erop dat ze deze wereld helemaal mocht zien.
Ze wilde net haar pas versnellen toen ze haar vriend aan zag komen lopen.
Het was de jongen die haar de vorige keer ook had opgehaald.
Deze jongen was speciaal.
Hij was half mens en half paard en hij was altijd vrolijk.
‘Hoi, ik kom je weer ophalen!’ riep hij haar toe. En hij zwaaide druk met zijn armen.
Het meisje zwaaide terug en toen ze bij elkaar aankwamen begroetten ze elkaar hartelijk.
‘Kom, spring maar snel op mijn rug, de oude man zit al vol ongeduld te wachten.’
Het meisje klom op de rug van de jongen en in een sneltreinvaart vlogen ze over de heuvels.
Toen ze bij het huisje van de oude man waren aangekomen kwam hij hun al tegemoet.
Hij was blij en hij omhelsde het meisje liefdevol.
‘We gaan vandaag de wereld verkennen en ik wil je zoveel mogelijk laten zien.
Ik heb een tas met eten en drinken klaargemaakt voor onderweg, dus we zullen niet verhongeren’, en hij lachte blij naar haar.
‘Kom, we moeten gaan.’
Het meisje nam afscheid van de jongen en liep daarna weer naar de oude man terug.
Samen liepen ze naar de veranda, waar de trap naar het dal begon.
Gezamenlijk liepen ze de trap af.
De trap was breed genoeg om naast elkaar te kunnen lopen.
En de reis begon gelijk al prachtig.
Omdat het nog heel erg vroeg was, hoorden ze in de verte een prachtig lied.
‘Is dat een nachtegaal?’ vroeg het meisje.
De oude man schudde zijn hoofd.
‘Nee dat is het kleine Elfenmeisje.
Ze zingt iedereen nu wakker.’ En hij wees naar het huisje dat boven op een berg stond.
Het meisje kende het verhaal.
Ze had het zelf geschreven, maar ze had het nog nooit in het echt gezien of gehoord en ze bleef staan om naar dit prachtige lied te luisteren.
Toen het lied afgelopen was zuchtte ze zacht: ‘Dit was zo mooi,’ en ze veegde met haar hand een traan van haar wang.
Een traan die stilletjes naar beneden was gegleden.
‘Kom, we gaan verder’, zei de oude man.
Zonder iets tegen elkaar te zeggen liepen ze verwonderd naast elkaar verder.
De trap daalde nog steeds en maakte een lichte buiging naar rechts.
Het meisje zag een groot bos en de trap ging daar dwars doorheen.
Nadat ze bij het bos waren aangekomen, begonnen alle bomen met hun bladeren te ritselen.
De oude man bleef staan en luisterde naar wat de bomen te zeggen hadden.
Het meisje was ook blijven staan en luisterde ook naar het verhaal wat de bomen vertelden.
Het meisje werd opeens heel erg blij.
‘Maar dit zijn de bomen uit mijn verhaal! En dat moet dat de oude eik zijn!?’
En ze wees met haar vinger naar een oude eik midden in het bos.
Ze had meerdere verhalen geschreven over het bos en al deze verhalen kwamen hier dus vandaan.
Wat een heerlijke plek was dit toch.
En opeens kwamen alle dieren waarover ze geschreven had naar haar toe.
Ze gingen om haar heen staan en ze waren blij.
De vlinders fladderden om haar hoofd, de mussen en de koolmezen zaten op haar schouders.
De hertjes leunden liefelijk tegen haar aan en zelfs de wolven en de beren wilden een aai over hun kop.
‘Wat is het hier mooi.’
En ze keek de oude man met betraande ogen aan.
Zoveel dierenliefde heb ik nog nooit in één keer meegemaakt.
En ze aaide de bevers en de muisjes. De wijze uil kwam op haar toe gevlogen.
Hij landde op de grond voor haar.
Alle dieren die om haar heen stonden weken nu opzij.
De uil deed nog een paar stapjes naar voren en begon te praten.
‘Zo, je hebt ons bos ontdekt?’ Het meisje knikte verlegen van ja.
‘Dan word het tijd dat jij voor altijd hier mag komen.
Je hoeft ons niet meer in een verhaal op te zoeken en ook niet meer in je dromen.
Nee, je mag hier altijd komen.’
En de uil haalde uit de tas die hij om zijn vleugels droeg een sleutel.
Hij hield de sleutel omhoog en draaide zich een aantal keren om, zodat iedereen de sleutel goed kon zien.
‘Met deze sleutel zal dit meisje hier altijd binnen mogen komen.
Dit is de sleutel van het hart. Het hart van Moeder Aarde.’
En hij overhandigde de sleutel aan het meisje.
Opeens begon iedereen te juichen en ze feliciteerden het meisje met dit prachtige cadeau.
De oude man keek trots naar het meisje en heel even troffen hun ogen elkaar en ze lachten blij.
Het meisje deed de sleutel om haar nek.
De sleutel hing nu precies op haar hartje.
Een warm en liefdevol gevoel ging er door haar heen.
Ze bleven nog heel even bij de lieve dieren, totdat de oude man zei: ‘Kom, we moeten verder’ en alle dieren weken opzij.
Door een haag van dieren liepen ze verder de trap af en het bos weer uit.
Het meisje draaide zich nog één keer om en zwaaide naar haar nieuwe vriendjes.
De oude man was blij en liep vrolijk de trap af. ‘Wat een heerlijke wereld is dit toch’, zei hij lachend.
Het meisje was het met hem eens en ook zij was in een vrolijke stemming.
Samen daalden ze de trap verder af.
De trap ging nu met een flauwe bocht naar links.
In de verte zag het meisje een heel groot meer.
‘Is dat het Tranenmeer?’ vroeg ze verbaasd aan de oude man.
De oude man begon te lachen. ‘Nee dat is niet het Tranenmeer.
Die ligt aan de rand van deze wereld.
Dit meer is het meer van de Watergodin en de meerminnen.
Het meisje keek verbaasd naar het grote meer.
Ze zag heel in de verte een aantal meerminnen, die hoog het water uit sprongen om vervolgens weer terug het water in te duiken.
Ze hadden het meisje en de oude man al gezien en ze zwaaiden naar hen.
‘Dit zijn heel bijzondere wezens’, zei de oude man.
Ze hebben zoveel liefde en ze staan zo in contact met onze Moeder Aarde.
Kom, laten we ze snel een bezoekje brengen.’ En ze liepen snel de trap af naar het meer.
Iedereen was blij met het bezoekje van het meisje en de oude man.
‘Mag ik ook het water in?’ vroeg ze aan de oude man.
De man keek één van de meerminnen aan en ze lachten tegelijk.
‘Ja hoor, je mag ook het water in.’
Het meisje deed haar trui en broek uit en haar schoenen vlogen door de lucht, voordat ze in het meer sprong.
Het water was heerlijk verfrissend en de geur van het water was Hemels.
Het water rook naar bloemen.
Een meermin kwam naar haar toe gezwommen.
Ze keek het meisje strak in haar oogjes aan.
Het meisje hoorde een stem in haar hoofdje en ze wist meteen dat de meermin in gedachten met haar praatte. Wat bijzonder was dit.
Ze had nog nooit meegemaakt dat iemand in gedachten tegen haar sprak.
‘Vanaf deze hoogte zal niemand meer tegen je praten zoals jij gewend bent.
Ze zullen vanaf nu alleen nog maar in gedachten met jou praten.’
Het meisje begreep het en lachte blij naar de meermin.
‘Kom’, zei ze, ‘ik wil je iets laten zien.’ En ze dook naar de bodem van het meer.
Het meisje wist niet dat zodra ze in dit water kwam, zij net zo diep en lang onder water kon blijven als de meerminnen.
Eén van de meerminnen pakte haar bij de hand en zei dat ze geen angst hoefde te hebben.
Het meisje werd rustiger en liet alles maar gewoon gebeuren.
Toen ze op de bodem van het meer terecht waren gekomen, zag het meisje een heel groot kasteel.
De deur van het kasteel ging open en het meisje en een aantal meerminnen zwommen naar binnen.
Op een troon in een grote zaal zat een oude dame.
Ze had een kroon op haar hoofd en ze keek met een liefdevolle blik naar haar bezoek.
Eén van de meerminnen nam het woord en boog haar hoofd.
‘Madam, wij hebben bezoek meegebracht.’ En ze gingen allemaal opzij.
Het meisje stond nu midden in de grote zaal en keek verlegen naar de oude vrouw op haar troon.
De oude vrouw zwom naar het meisje toe en bleef voor haar staan.
‘Zo, zo, kijk eens wie we hier hebben. Dat is dus het meisje wat verhalen over ons schrijft.
Het meisje dat de wereld opnieuw leert kennen via haar dromen en verhalen.
Het meisje dat schrijft over de vergeten werelden.’
En ze boog zich nu naar het meisje toe.
‘Welkom mijn kind in de wereld van de Water-Goden.’ De oude vrouw gaf haar een zoen op haar voorhoofd.
En het meisje voelde een schok van liefde door zich heen stromen.
Iedereen was blij en ze kwamen om het meisje heen gezwommen.
De oude vrouw kwam terug met een klein pakketje.
‘Maak het maar snel open’, zei ze zacht.
Het meisje keek verbaasd naar het kleine doosje.
Ze haalde de deksel ervan af en keek naar wat er in het doosje zat.
Ze zag een prachtige armband met de prachtigste stenen in verschillende kleuren.
De oude vrouw pakte het armbandje en deed deze bij het meisje om haar pols.
‘Met deze armband ben je voor altijd met het meer verbonden.
Je zult waar je ook bent, of het nu in deze wereld is, of in de wereld waar jij vandaan komt met mij kunnen praten.
Wij zullen elkaar altijd horen. Jij bent een kind van het meer. Je bent nu één van ons.’ En de oude vrouw omhelsde haar.
Het meisje was helemaal verbaasd. Ze had dit niet verwacht.
Alle meerminnen die met haar mee naar binnen waren gekomen feliciteerden haar met dit prachtige geschenk.
En het meisje bleef nog even, totdat de oude dame zei: ‘Ik hoor dat de reis verder gaat en dat je nog vele mooie momenten mee zal gaan maken.
Kom, ik breng je persoonlijk weer terug naar boven.’
De oude dame nam het meisje bij haar hand en samen zwommen ze naar het wateroppervlak.
Toen ze boven aankwamen was er een grote blijdschap.
De oude man en de meerminnen die achter waren gebleven, feliciteerden haar nu ook met haar geschenk van de Watergoden.
Het was tijd om afscheid te nemen.
Het meisje bedankte de oude dame en nam afscheid van de meerminnen.
Ze trok haar kleding en schoenen weer aan en ging samen met de oude man weer verder de trap af.
Ook nu keek ze nog één keer om en zwaaide naar haar nieuwe vriendinnen.
De oude man en het meisje liepen in gedachten verzonken naast elkaar op de trap.
En zo nu en dan glimlachten ze.
‘Wat een heerlijk volkje, vond je ook niet?’ vroeg de oude man aan het meisje.
Het meisje knikte blij van ja.
‘Ik vond ze zo ontzettend lief.’
De trap ging nog verder naar beneden en opeens kwamen ze bij een groot plateau aan. De trap eindigde hier.
Het meisje keek verschrikt om zich heen.
‘Hoe moeten we nu verder?’ vroeg ze de oude man.
De oude man glunderde. ‘Je zult het zo wel zien.’ En weer lachte hij geheimzinnig.
Opeens hoorde het meisje een harde krijs uit de lucht komen. ‘Kaaaa, kaaaa.’
Ze keek naar de lucht, waar het geluid vandaan kwam.
Een prachtige grote buizerd kwam recht op haar af gevlogen en landde op het plateau.
‘Wij gaan een stukje vliegen’, zei de oude man.
‘Kom, we mogen een stukje mee vliegen met deze lieve vogel.’
De vogel keek het meisje blij aan en zei heel vriendelijk: ‘Ik vond het zo fijn dat je over mij schreef.
Ik had het niet verwacht.’
Het meisje begreep meteen over welk verhaal de vogel het had en aaide hem over zijn prachtige verenpak. ‘Kom’, zei de oude man weer, ‘laten we opschieten.
Vanuit de lucht kunnen we meer zien dan wanneer we de trap volgen.’
De oude man en het meisje klommen op de rug van de vogel.
‘Hou mij maar stevig vast’, zei deze en fladderde met zijn vleugels.
Opeens waren ze aan het vliegen, steeds hoger en hoger.
Het was een wonderlijk gezicht om te zien hoe deze wereld was gemaakt.
De trap liep langs ieder verhaal waarover ze ooit eens had geschreven.
Ook de verhalen die ze kwijt was geraakt, waren hier nog steeds aanwezig.
‘Kijk daar! Daar is Johannes de boskabouter!’ riep het meisje en ze zwaaide naar hem en zijn lieve vrouwtje.
Ze hadden inmiddels kindjes gekregen er liepen wel vier koters rond het huisje.
Ze vlogen verder. Daar in de verte zag ze het toverbos.
En daar zag ze het huisje van het oude vrouwtje dat limonade en koekjes aan alle kinderen gaf.
Ooh, het huisje was nog mooier dan ze gedacht had.
Wat een heerlijke plek om hier te mogen komen.
De reis in de lucht was voorbij. Bij een ander plateau landde de vogel.
En ze bedankte de buizerd voor deze prachtige reis.
De vogel vloog weg en samen keken ze hem na, totdat hij aan de horizon verdween.
‘Kom’, zei de oude man, ‘ik wil je nog iets laten zien.
Jij hebt veel verhalen geschreven over de Hemel en over Zomerland.’
En hij deed een hek open. ‘Dit is de Hemel.’
En hij keek het meisje lachend aan.
De heuvels waren prachtig groen en de paden waren van gele stenen gemaakt.
Er bloeiden bloemen aan weerskanten en de geur was zo zoet.
De vogels en vlinders vlogen voor hen uit.
Totdat ze weer bij een hek aankwamen.
Op het hek stond met gouden letters “Zomerland”.
De oude man deed het hek open en een aantal kinderen kwamen op hen afgerend.
Ze waren blij en zo gelukkig.
Een Engel die hen aan had zien komen, liep op hen af.
‘Welkom in Zomerland’, zei hij lachend. En hij omarmde de oude man en het meisje.
‘Kom, er word op jou gewacht.’ En hij gebaarde dat ze moesten volgen.
Ze kwamen aan bij een plein en op het plein stond een paleis.
Voor de deur stond een Gouden Engel. Deze deed de deur voor hen open.
De Engel gebaarde dat ze er bijna waren.
Plotseling stond hij stil voor een deur. ‘Hier is het’, zei hij zacht.
‘Ik zal hier op jullie wachten en jullie daarna weer via Zomerland naar het Dierenrijk brengen.
Geniet van dit bezoek’, en hij knipoogde naar het meisje.
De deur ging open en twaalf Hemelse wezens in het wit kwamen op de oude man en het meisje afgelopen.
‘Wat heerlijk om jou eindelijk te ontmoeten’, zei de oudste.
Het meisje wist meteen wie deze wezens waren.
Ze had over hen geschreven in het verhaal van de jongen en het meisje die in de locomotief zaten.
Deze Hemelse Wezens lieten hun de toekomst zien.
Ook in andere verhalen over de Hemel kwamen ze geregeld voor.
‘Onze dank is groot! Jij hebt de lezer onze wereld laten zien.
Zomerland, het Dierenrijk, maar ook ons huis hier, waar wij nu zijn.
Je hebt prachtig omschreven, waar iemand die over het lijden heen is, naartoe gaat.
Jouw verhalen geven troost en er straalt een rust uit.
Daarom willen wij jou bedanken, door met ons op het scherm te gaan kijken naar jouw toekomst.’
Het meisje keek verschrikt op.
Ze kon zich nog herinneren dat het meisje in haar verhaal niet zo’n mooie toekomst tegemoet ging.
Het Hemelse Wezen pakte haar bij haar hand.
Een ware stroom van zachte liefde ging er door haar heen.
‘Kijk!’ en hij wees naar het scherm. Ze zag zichzelf wandelen met haar vriendin.
Haar vriendin die al over was gegaan.
‘Je gaat haar straks bezoeken in het Dierenrijk.’
Het meisje kreeg onmiddellijk tranen in haar ogen.
‘Mag ik Lobke Marie straks echt weer terug zien?’
Het Hemelse Wezen lachte vriendelijk naar haar.
‘Kom, kijk snel verder…’ En het meisje keek weer naar het grote scherm.
Ze zag prachtige dingen die ze zou gaan mee maken en die ze zou gaan zien.
Het was er heerlijk! Wat ze allemaal te zien kreeg kan ze nu niet laten lezen.
Dat is van haar en niet voor de nieuwsgierige lezers.
Toen het filmpje afgelopen was, rolden de tranen over haar wangen.
Het was mooier dan ze had verwacht.
Ze bedankte Het Hemelse Wezen en keek blij naar de oude man.
‘Zullen we weer gaan’, zei de oude man kijkend naar het meisje.
Het meisje was nog onder de indruk van wat ze allemaal had gezien, en knikte dat ze mee zou gaan.
Toen ze naar de deur liepen riep één van de Hemelse wezens haar na.
‘Wacht, wij hebben nog iets voor jou.’
Hij liep naar de kast en haalde daar een masker uit.
Hij overhandigde haar het masker. Het meisje keek naar het masker.
Het was prachtig. Hij was versierd met sierlijke stenen en ze zag dat de sterren en planeten erop geschilderd waren.
‘Je weet wat je hier mee kunt doen hè?’ vroeg het wezen aan haar.
Het meisje knikte, ze had er al vele verhalen over geschreven.
Maar dat ze nu een wereld voor zichzelf mocht maken, door alleen maar door dit masker heen te kijken, kwam voor haar als een verrassing.
Ze bedankte nogmaals de twaalf Hemelse Wezens en ze nam afscheid van hen.
De Engel die achter de deur stond te wachten, keek blij naar hen.
‘Kom, ik breng jullie naar het Dierenrijk.’
Het meisje wist dat ze nu haar lieve vriendin terug zou zien en voelde zich een beetje verdrietig.
Ze had zoveel van haar gehouden en haar dood was hartverscheurend geweest.
Samen volgden ze de Engel en gingen een hek door.
Het meisje keek om zich heen.
Ze zag zoveel verschillende honden en katten door elkaar lopen.
Wat een geweldige plek was dit.
Het meisje keek haar ogen uit.
Opeens voelde ze iets tegen haar been aan wrijven.
Ze keek naar beneden en zag een witte poes met een zwarte vlek op haar rug.
‘Maar dat is Sanne!’ Ze keek de oude man blij aan.
Ze aaide haar lieve vriendinnetje van lang geleden.
‘Dat je mij nog kent’, zei ze zacht tegen de poes.
Het poesje begon te spinnen, likte haar hand en liep toen weg van haar.
Ze keek nog één keer om.
Het meisje en de oude man liepen verder.
In de verte zagen ze twee honden aan komen rennen.
Het meisje kon haar ogen niet geloven.
Dat waren haar twee honden die over waren gegaan.
Ze kwamen op haar afgestormd en met een grote sprong, sprongen ze tegelijk tegen het meisje aan.
Het meisje viel om en de honden en het meisje waren zo blij om elkaar weer te zien.
Na een tijdje kwam Willemijn naar haar toe.
Zij ging voor het meisje zitten en gaf haar een poot.
‘Ik wil je bedanken, omdat je mij uit het asiel hebt gehaald en mij ook een thuis hebt gegeven.
Dat ik vrij rond mocht lopen tijdens onze wandelingen en dat je goed voor mij was, door mij zoveel liefde te geven. Ik ben jou heel erg dankbaar.’
En de hond boog haar kop voor het meisje.
Het meisje omhelsde haar trouwe vriendin en liep toen bij het meisje vandaan.
Ze keek nog één keer achterom. Nu kwam haar andere hond voor haar zitten.
Het meisje lachte blij. ‘Heb je het naar je zin hier in het Dierenrijk?’ vroeg ze Lobke Marie.
De hond was blij en legde haar kop op de schouder van het meisje.
‘Ik heb jullie zo gemist’, zei ze zacht, ‘maar ik heb hier nieuwe vrienden gemaakt en ik kan hier net zoveel spelen als ik zelf wil.
Heb je gemerkt dat ik weleens bij je langs kwam en jou dan troostte, als je zo’n verdriet had om mij?’
Het meisje knikte. Ja, ze had haar liefde gevoeld.
‘Dank je wel dat je mij in je hart hebt opgenomen’, zei de hond, ‘ik was zo moe en ik was zo bang. Je hebt mij een nieuw thuis gegeven.
Ik mocht slapen op de bank, liggen in de hete zon, mijn kluiven begraven in de natte klei.
Ik mocht weer genieten en hond zijn. Ik wil jou daarvoor bedanken.’
En ze legde haar voorhoofd tegen het voorhoofd van het meisje aan.
Een warme tinteling ging door hen beiden heen, ze waren nu voor altijd met elkaar verbonden.
De hond stond op en keerde zich om.
Nog een laatste maal keek ze achterom en zei: ‘Ik ben altijd met jou verbonden.
We hoeven elkaar niet te missen. We zijn altijd samen.’
Het meisje keek de hond na en de oude man kwam naast haar staan.
‘Ze zijn zo trouw deze huisdieren. Maar kom, ik wil je nog één ding laten zien.
We moeten dan wel de Hemel verlaten.’
Ze namen afscheid van de Engel en gingen naar het hek waar de trap weer begon.
Ze liepen zwijgend naast elkaar.
Het begon al bijna donker te worden en in de verte hoorden ze het kleine Elfenmeisje haar avondlied zingen.
Ze bleven even staan om te luisteren.
Het was weer prachtig!
‘Kom snel, anders halen we de boot niet.’
Het meisje en de oude man liepen nu wat sneller.
Op de rand van het Hemelrijk en de wereld waarin ze nu liepen was een rivier.
Aan het riviertje was een heel klein haventje.
Er lagen maar twee bootjes.
‘Stap snel in’, zei de oude man, ‘anders komen we te laat.’
Snel stapten de oude man en het meisje in en gingen zitten.
De boot kwam in beweging.
Ze hoefden zelf niets te doen.
Langzaam ging het lantaarntje wat aan de boot hing aan.
Ze konden nu alles goed zien.
Het bootje dreef over het stille water en opeens dook daar een rotspartij op.
De rotsen waren ontzettend hoog en ze keken dan ook samen naar de hoogte.
Langzaam voeren ze tussen twee rotswanden door.
Het licht van het lantaarntje scheen op de rotswand.
Ze zagen prachtige tekeningen op de wand en ze konden goed de voorstelling van het verhaal zien.
Langzaam ging het bootje verder de grot in. Het was er echt donker en de lantarentjes gingen wat feller branden.
Opeens waren ze bij een meer, midden in de grot.
Je hoorde water vallen, heel zacht, druppelsgewijs.
‘Wat zou dat zijn?’ vroeg het meisje zachtjes aan de oude man.
De oude man keek nog eens om zich heen. ‘Dat zijn druipsteengrotten. Kijk maar.’
En het meisje keek haar ogen uit.
Het bootje voer verder en ze kwamen nu in een andere grot.
Het was adembenemend. Het meisje keek verbaasd om zich heen.
In deze grot zag ze allemaal edelstenen in de muur zitten.
Door het licht van het lantaarntje, fonkelden de stenen prachtig.
Ze bleven even kijken en het bootje voer weer verder.
‘Waar gaan we eigenlijk naar toe?’ vroeg het meisje weer zachtjes.
‘Ik mocht het nog niet verklappen, maar ik kan het je nu wel zeggen.
We gaan naar de Binnenwereld.’
Het meisje had er ooit eens één verhaal over geschreven. Meer wist ze er niet over te vertellen.
De vrouw in het verhaal ging door vele lagen van de Aarde.
‘Maar waarom gaan wij met de boot en de vrouw in mijn verhaal door de lagen van de Aarde?’
De oude man begon te lachen.
Dat komt omdat wij uit een andere wereld zijn vertrokken.
Wij hoeven hier niet door die vele lagen.
We hoeven alleen maar het bootje te pakken en ons dan over te geven aan het water.
Zij zal ons daar naartoe brengen, waar we willen zijn. Kijk daar is de opening al.’
Het meisje keek en was verrast. Zoveel helder licht stroomde het grottenstelsel binnen.
Zoveel warmte en de liefde was van veraf al voelbaar.
‘Waarom is er nog een wereld binnenin Moeder Aarde?’ vroeg het meisje.
De oude man glimlachte weer.
‘Dat is haar huis, haar kern en die is nog hetzelfde als toen de oerknal begon.
Dit is de meest pure plek waar je je kunt bevinden in deze wereld.
Zij is de bron. De bron waar al het leven vandaan komt.
Hier liggen ook alle kronieken opgeslagen.
Iedereen die hier op Aarde komt, zal eerst langs de kronieken van de tijd gaan.
En bij het teruggaan naar de Hemelse werelden, zal op de terugweg alles wat diegene heeft meegemaakt in de kronieken opgeslagen worden.’
‘Ach, net als in een dagboek’, zei het meisje.
De oude man keek haar wat verschrikt aan.
‘Ja zoiets, maar dan uitgebreider. Alles staat erin.
Ook dat jij de kronieken een dagboek hebt genoemd, zal erin komen te staan.
Dus let op wat je zegt en denkt, alles zal genoteerd worden’ en de oude man gaf het meisje een knipoog.
De boot was een klein meer overgestoken en aan de waterkant was een wezen die het bootje vastmaakte aan een paal.
Het binnenland zag er bijna hetzelfde uit als de Aarde zelf.
Er hing een sfeer die het meisje bekend voor kwam.
‘Kom’, zei de oude man, ‘er word op ons gewacht.’
Langs een trap klommen ze naar boven.
Boven aan de trap stond een klein huisje.
Er kwamen kringetjes rook uit de schoorsteen.
De oude man klopte aan en de deur ging open.
Een oude vrouw keek het gezelschap lachend aan.
‘Welkom in mijn Binnenwereld,’ en ze liet haar gasten binnen.
‘Ga snel zitten, jullie zullen wel honger en dorst hebben.’
Ze namen plaats op de stoelen die bij een tafel stonden en ze roken de heerlijke geur van vers gebakken koekjes.
De vrouw kwam met twee glazen verse vruchtenlimonade en zette een schaal met koekjes voor hen neer.
Het meisje glimlachte, wat heerlijk dat ze de koekjes en limonade nu zelf kon proeven.
Net als in het verhaal dat ze ooit eens had geschreven.
De vrouw kwam bij hen zitten en keek het meisje lachend aan.
‘Wat heerlijk dat je mij hebt gevonden lief kind.
Wij zullen nog zoveel te bepraten hebben.’
Het meisje keek de vrouw nieuwsgierig aan.
‘Ja, je zult hier straks terugkomen, samen met de Water-Engelen, de dolfijnen en de walvissen.
Samen met je vriendje Alba maak je een prachtige reis door verschillende poorten.
Ook hierover zul jij jouw verhaal schrijven.’
Het meisje keek glunderend naar de vrouw.
‘Echt waar?’ De oude vrouw en man lachten nu vrolijk. ‘Ja echt waar.’
‘Maar nu ga je naar bed. Het was een lange reis en je moet uitrusten.
Je hebt nog een heel nieuw leven voor je, waar je de mooiste dingen mag beleven.
Dus er moet gerust worden. Kom, ik zal je naar je bedje brengen.’
Het meisje liep achter de vrouw aan naar een kamertje. Het was er prachtig.
Kleine edelsteentjes zaten aan de muur geplakt.
‘Deze zorgen ervoor dat je mogen goed bent uitgerust’, zei de oude vrouw.
Het meisje kleedde zich uit.
Ze kreeg van de oude vrouw een nachtjaponnetje aangereikt en trok deze aan.
Het zat als gegoten en het voelde zo zacht aan.
De oude vrouw sloeg de lakens open en het meisje ging tussen de zachte frisse lakens liggen.
De vrouw haalde een zelfgemaakte deken uit haar kast, dekte het meisje met de lakens en deken toe en zei: ‘Welkom mijn lieve kind, slaap lekker’ en ze gaf het meisje een zoen op haar voorhoofd.
Het meisje viel direct in een diepe slaap.
De vrouw aaide haar nog even over haar lange haar en liep de kamer uit.
Terwijl ze naar de huiskamer liep, veranderde ze van gedaante.
Ze was niet meer de oude vrouw van zojuist, maar een beeldschone dame met een glinsterende groene jurk.
Ze kwam de woonkamer binnen en ook de oude man was veranderd in een jonge man.
‘Liefste!’ en de jonge vrouw liep met beide armen vooruit gestoken op hem af.
Hij pakte haar beide handen vast en kuste deze.
‘Je hebt ons kind thuis gebracht,’ en ze omhelsde haar man.
Gearmd liepen ze samen naar hun kind die na vele levens eindelijk thuis gekomen was.
Thuis, in de wereld van iedereen.
Het was koud.
De kachel stond zachtjes te branden in de hoek van de kamer en verspreidde een zwakke warmte die nauwelijks de ruimte vulde.
Een oude man zat op zijn krukje voor het vuur.
Hij was die dag aan het werk geweest en had het verschrikkelijk koud gehad.
De kou was niet alleen in zijn lichaam gaan zitten, maar leek tot diep in zijn botten te zijn gekropen.
Hij dacht dat hij ziek ging worden… nee, hij wist het eigenlijk wel zeker.
Hij wreef nog eens stevig in zijn handen om ze warm te krijgen, maar het hielp niet.
“Ik ben niet erg lief geweest in mijn leven,” dacht de oude man.
“Ik ben helemaal niet aardig geweest… tegen niemand.”
Zijn ogen vulden zich met tranen.
Hij wist waarom hij zo geworden was, maar dat hield hij stilletjes verborgen in zichzelf. Hij was verbitterd… en toch wist hij dat het niet goed was om zo te zijn.
Hij wilde wel anders zijn. Hij wilde wel liefde voelen.
Maar de pijn was te groot.
De pijn die mensen hem hadden aangedaan.
De man stond langzaam op van zijn kruk, liep naar het raam en keek naar buiten. Terwijl hij daar stond, dacht hij terug aan de eerste keer dat hij verdriet had gevoeld.
Hij was nog maar een jongen van een jaar of tien geweest.
Hij had geen vriendjes om mee te spelen.
Niet omdat hij dat niet wilde… maar er waren geen kinderen in de buurt.
Hij woonde samen met zijn vader in een oud, vervallen huis aan de rand van het bos.
Hij had zo graag naar het dorp gewild, waar de andere kinderen woonden.
Maar zijn vader was net zo geweest als hij nu was… een verbitterde man die niet meer wist wat liefde was.
Opeens begreep hij dat hij hetzelfde leven had geleefd als zijn vader.
En dat wilde hij niet meer.
Hij wilde met liefde omringd worden… ja, dat wilde hij.
De oude man liep weg bij het raam en ging op de bank liggen, met zijn hoofd op het kussen in de hoek. Hij dacht nog even aan zijn vader… en sloot toen zijn ogen.
Langzaam gleed hij weg in een diepe slaap.
Toen hij sliep, hoorde hij opeens een stem.
“Ik breng je naar een plek waar jij lang geleden bent geweest.”
De oude man schrok en ging langzaam overeind zitten.
Hij keek om zich heen, maar zag niemand.
Toch wist hij zeker dat iemand tegen hem sprak.
Langzaam begon de kamer te veranderen.
Eerst heel zacht… toen sneller… en steeds sneller… totdat alles stilviel.
Hij stond op een open plek.
Overal speelden kinderen.
En daar… tussen hen… zag hij zichzelf lopen.
“Dat ben ik!” zei de oude man hardop.
“Ja,” zei de stem, “dat ben jij. Kun jij mij vertellen wat je hier doet?”
De oude man keek naar het spelende kind dat hij ooit was geweest.
Herinneringen kwamen langzaam terug.
Hij zag zichzelf rennen. Lachen. Spelen.
“Ik was vergeten dat ik had gespeeld…” fluisterde hij.
“Ik was wel gelukkig… Waar is het dan fout gegaan?”
De stem zweeg.
Het beeld veranderde opnieuw, dit keer sneller.
Hij stond op een andere plek.
Een plek die hij diep had weggestopt.
Het was de plek waar hij zijn eerste echte verdriet had gevoeld… het afscheid van zijn moeder. Hij had haar moeten achterlaten toen hij met zijn vader was meegegaan.
Een golf van gemis overspoelde hem.
Had hij hier maar kunnen blijven…
Maar vaders wil was wet geweest.
Tranen stroomden nu vrij over zijn gezicht.
De stem sprak weer:
“Denk na over deze tijd. Je hebt herinneringen gezien… en ik zal je helpen antwoorden te vinden.”
De oude man knikte. Hij begreep het.
Opnieuw veranderde het decor.
Hij zat op de rand van zijn eigen bed… en keek naar zichzelf terwijl hij sliep.
Hij zag het ineens helder.
Hij was niet degene geweest die hij dacht te zijn.
Hij had zijn leven bekeken door de bril van zijn eigen pijn.
“Ik heb mijn vader verdriet gedaan…” dacht hij.
“Ik heb altijd gedacht dat hij mijn leven had verpest door mij bij mijn moeder weg te halen… maar ik heb zelf dat beeld vastgehouden.”
Hij zag nu dat zijn jeugd niet alleen maar donker was geweest.
Er waren ook mooie momenten… zelfs veel mooie momenten.
Hij had alleen naar het negatieve gekeken.
En niet naar het positieve.
Wat had zijn leven anders kunnen zijn…
als hij dat wel had gedaan.
“Ik ben dankbaar dat ik dit heb mogen zien,” fluisterde hij.
Enkele uren later werd de oude man wakker.
Hij keek om zich heen.
Was het een droom geweest… of echt?
Maar de kou die hij eerder had gevoeld… was verdwenen.
Er was een rust in hem gekomen die hij nooit eerder had gekend.
Hij stond op, trok zijn warme jas en wanten aan en opende de deur.
Met opgeheven hoofd stapte hij door de sneeuw… het bos in.
Niet langer verbitterd. Maar verlicht.
Er was eens een klein zieltje dat klaar stond om voor het eerst een reis naar de aarde te maken.
Ze had samen met haar Engelen uitgekozen waar ze wilde leven, wie haar ouders, broertjes en zusjes zouden zijn, en ook een rugtas vol met levenslessen meekrijgen.
Het zou een heerlijke reis worden.
Tenminste, zo voelde dat in de liefdevolle sferen.
Haar Engel stond klaar en in zijn handen droeg hij het zieltje.
De Engel nam een sprong en hij zakte samen met het zieltje door de hemelse sferen.
Nadat hij de sterrenpoort had verlaten, zakte hij nog verder door de donkere ruimtes, door de lagen van tijd.
De Engel kwam aan bij de moeder.
Ze was net in verwachting van haar eerste kindje.
De Engel ging naast de vrouw staan en liet het zieltje heel voorzichtig los.
Het kroop over de buik van de vrouw heen en liet zich tenslotte zakken.
Onmiddellijk opende de moeder haar ogen en zei: “Ik denk dat ik ons kindje voel!”
De Engel keek toe en wachtte totdat het zieltje gewend was en zich verder ontwikkelde tot een liefdevolle baby.
Zo gingen er vele levens voorbij en het zieltje koos er telkens voor om terug te keren naar aarde.
Telkens koos het een lessenpakket uit, die ze in het aardse leven wilde ondergaan.
Het waren zware lessen en levens, maar op een gegeven moment merkte ze op, dat ze de diepte van de aardse lessen had bereikt, en dat ze alle levenslessen had meegemaakt.
Ze zat vol, er kon geen les meer bij, en ze werd zich ervan bewust dat ze naar zichzelf moest kijken, naar wat ze allemaal had meegemaakt en wat ze ervan had geleerd.
Ze keek en zag dat ze zich had weggegeven om er altijd bij te willen horen.
Ze zag in, dat er iets in haar leefde wat altijd gelijk wilde hebben.
Ze zag in, dat ze het luisteren naar een ander, nog best moeilijk vond.
Ze zag in, dat haar angst de baas was geworden over háár leven
Ze zag zoveel lessen, die ze nooit heeft aangekeken en ze begon te veranderen.
In een volgend leven maak ze als ziel in een sneltreinvaart de levenslessen nog eens mee.
Het leek wel een rollercoaster aan ervaringen.
De ene les was nog niet afgelopen of de ander was al in aantocht.
Dit ging net zolang door, totdat ze opnieuw vol zat en zich er bewust van was dat de lessen nog niet ingezien waren.
Opnieuw ging ze onderzoeken.
Het is leuk om jezelf te leren kennen.
De mooie en mindere mooie kanten in jezelf.
Het durven toegeven dat je fout bent geweest en je overgeeft aan wat er daarna gebeurt is spannend. Maar wat had het zieltje te verliezen?
Ze had immers de diepste lagen van zichzelf gezien en dieper kon ze niet gaan.
En zo leerde het zieltje dat ze alles wat ze niet was, los mocht laten en het zijn doel heeft gehad in het aardse leven.
Langzaam werd het zieltje lichter en lichter en na de laatste reis naar aarde, was ze klaar met het ervaren in een wereld van dualiteit.
Ze was klaar om naar huis terug te keren.
