~ ♥ Sluierverhalen 3. ♥ ~

~♥ Waar bomen luisteren ♥ ~

Het was nog vroeg in de morgen en een klein meisje werd wakker in haar bedje.

Ze had die nacht gedroomd over Engelen.

Ze was rustig wakker geworden en overdacht in haar bedje wat ze die nacht allemaal had gedroomd.

Het was een prachtige droom.

Ze stapte zeer sereen uit haar bedje en deed de pantoffels aan die ze elke avond voordat ze in haar bedje stapte onder haar bedje schoof.

Ze stond op en ging naar beneden.

Haar moeder had de ontbijttafel al gedekt en ze kon zo aan- schuiven.

Ze gaf haar moeder een goedemorgen kus en ging aan tafel zitten.

Het was mooi weer vandaag, want de zon scheen door de ramen naar binnen.

‘Heb je fijn geslapen mijn kind?’ vroeg moeder aan haar kind.

Het meisje keek naar haar moeder en knikte van ja.

‘Het was een fijne nacht mama, ik heb zo fijn gedroomd.’

Moeder glimlachte. ‘Dat is fijn kind, daar ben ik blij om.’ 

Het meisje pakte een broodje en besmeerde deze met honing.

Dat vond ze het allerlekkerst op haar brood.

Ze hapte rustig in haar broodje en ging in haar gedachten terug naar de droom die zo mooi geweest was.

 

Haar moeder glimlachte weer, ze kende haar dochter goed genoeg om te weten dat deze nacht bijzonder voor haar dochter is geweest.

Ze ging naast het meisje zitten met een kop koffie, ook zij ging terug naar afgelopen nacht.

‘Moeder?’ vroeg het meisje opeens.

‘Ja, mijn kind wat is er?’

‘Mag ik vandaag naar buiten?’

‘Ja hoor,’ zei moeder, ‘geniet maar van het mooie weer vandaag.

Ik ben vandaag gewoon thuis, dus als je mij zoekt ben ik hier.’

Het meisje knikte en gaf haar moeder een zoen.

Toen ze klaar was met eten ging ze van tafel.

Na het aankleden ging ze naar de keuken, pakte nog een appel van de fruitschaal en liep de deur uit.

Ze was van plan om vandaag naar het bos te gaan.

Het bos was een plek waar zij graag kwam en waar het altijd heerlijk rustig was.

 

Na een tijdje kwam ze aan bij de rand van het bos en keek naar alle grote bomen die vooraan stonden.

‘Wat zien jullie er vandaag goed uit’, zei ze tegen de bomen.

‘Zo mooi groen en zo vol liefde.’

De bomen begonnen met hun bladeren te ritselen en zeiden allemaal in koor:

‘Wij zijn inderdaad blij, wij zijn blij dat wij jou weer zien mijn kind.

Jij bent ons zonnestraaltje en wij kijken er altijd naar uit als jij weer langs komt.’

Het meisje kreeg een glimlach op haar gezichtje.

Deze bomen waren de beste vrienden die ze hier had.

De bomen luisterden naar haar als ze haar verhaal kwijt wilde en de oudste boom gaf haar dan antwoord terug. Dat was de wijze oude eik.

‘Ik heb weer een verhaal’, zei het meisje.

‘Dit keer is het een verhaal over wat ik deze nacht heb gedroomd.’

De oude eik begon met zijn bladeren te ritselen en het meisje begreep wat deze boom tegen haar zei.

Het meisje begon te lachen. ‘Ja, het was een heel mooie droom.’

 

Ze ging op de stronk zitten van een boom die over was gegaan naar een andere wereld.

Het meisje begon te praten over wat ze allemaal had beleefd in de nacht van haar droom.

De bomen luisterden allemaal en begonnen met hun bladeren te ritselen toen het meisje haar verhaal had verteld.

De grote eik bleef door ritselen en vertelde het meisje wat deze droom betekende.

‘De Engelen in jouw droom zijn er voor jou, om jou te beschermen, want jij bent een bijzonder meisje.

Ze zijn altijd bij jou.’

Het meisje was blij met wat de oude eik haar vertelde.

Ze was eenzaam in dit leven.

Ze had nog geen vrienden gemaakt in het dorp waar ze was geboren.

Waar dat aan lag, wist het meisje ook niet. Ze deed genoeg haar best.

Het leek wel of ze haar vreemd vonden.

 

‘Maak je geen zorgen’, zei de eik, die haar gedachten had gehoord, ‘op een dag zal je de juiste vrienden krijgen die jou begrijpen en van jou zullen houden, maar je moet geduld hebben en vertrouwen in de Engelen die om jou heen zijn.

Vergeet nooit dat zij jouw echte vrienden zijn.

Zij zullen jou nooit, maar dan ook nooit in de steek laten. En ook wij zijn jouw vrienden.

Jij komt bij ons, omdat je bij ons liefde en rust vindt.

Dus vertrouw hierop.’

Het meisje droogde de tranen die ze had laten lopen, om de mooie woorden van de oude eik.

‘Ik hou van jullie, zo veel!’

‘En wij houden van jou mijn kind, heel veel!’

Ze omhelsde de oude eik en bedankte hem voor zijn wijze woorden.

Ze zwaaide naar de andere bomen die met ritselend geluid afscheid van haar namen. 

Thuis was haar moeder.

Ze gaf haar een kus en vertelde haar wat de oude eik haar had verteld.

Moeder kreeg tranen in haar ogen.

Het was heerlijk om te horen dat haar dochter de mooie woorden die de oude eik had verteld begreep, want ook moeder wist dat de oude eik een wijze boom was.

Hij had ook haar vaak geholpen.

~ ♥ Het Tranenmeer ♥ ~

Heel lang geleden woonde er in een heel mooi land een kleine Eenhoorn.

Dit kleine Eenhoorntje was heel erg brutaal.

Hij wilde nooit luisteren naar zijn vader en moeder en ging altijd zijn eigen weg.

Hij woonde in het Elfen-rijk en in het Elfen-rijk was geen gevaar, dus wat kon hem gebeuren.

Op een dag was hij weer brutaal.

Hij luisterde weer niet naar zijn ouders en liep verder het Elfen-rijk in.

Hij wilde dit keer verder lopen dan al die keren daarvoor, en hij ging wat sneller lopen.

Hij zag de bergen die hij gisteren ook zag en ja, daar bij die waterval was hij ook al geweest.

Steeds verder en verder liep het Eenhoorntje, totdat hij op een plek aankwam waar hij nog nooit was geweest.

 

Hij was aan de rand van het Elfen-rijk aangekomen.

Alles was er dor en minder groen.

Nergens zag hij meer die glinsterende gloed waar het Elfen-rijk zo bekend omstond.

Nergens waren bloemen, hij hoorde geen vogels, geen krekels.

En de vlinders, die hem altijd vergezelden fladderden ook niet om hem heen.

Het was één kale en dorre vlakte.

Er hing een grijze waas voor de zon en het begon te regenen.

In het Elfen-rijk regende het alleen ‘s nachts, als iedereen sliep.

Dan was ‘smorgens alles weer heerlijk fris.

Maar dit had het Eenhoorntje nog nooit gezien,

Als hij goed keek zag hij in de verte een groot bos.

Zo eigenwijs als het Eenhoorntje was, wilde hij naar het bos.

Hij zette het op het rennen en vloog over de vlakte.

Totdat hij met zijn beentjes in het zand vast kwam te zitten.

Hij wilde loskomen maar het lukte niet.

Hij worstelde en schreeuwde, hij probeerde ergens houvast te krijgen, maar hoeveel meer hij bewoog, hoe vaster hij kwam te zitten.

Daar zat hij dan, vast in het zand en hij zag dat het al donker begon te worden.

Het Eenhoorntje was bang.

Hij ook altijd met zijn grote mond.

Waarom luisterde hij nooit naar zijn vader en moeder?

Waarom moest hij altijd zijn eigen ding doen?

Het Eenhoorntje had spijt.

Hij had er zo’n spijt van dat hij ongehoorzaam was geweest.

 

Het werd nacht. De sterren en de mooie maan zag hij hier niet.

Het Eenhoorntje begon te huilen.

Dikke tranen liepen over zijn snuitje en vielen op het zand.

Het zand werd nat en begon van al die tranen een meer te vormen.

Het eenhoorntje had dat niet in de gaten, hij was alleen maar verdrietig.

Hij jammerde steeds dat hij zo’n spijt had en dat hij het nooit meer zou doen.

En hij huilde maar door, de hele nacht.

Toen het ochtend begon te worden zag de eenhoorn wat hij met zijn tranen had gecreëerd.

Een grote plas water zo groot als het IJsselmeer.

Aan de kant zag hij prachtige rietkragen groeien.

Het water glinsterde in de opgaande zon.

Prachtige waterlelies groeiden in het zuivere water en watervogels die hij nog nooit eerder had gezien, zwommen hem voorbij.

Het Eenhoorntje probeerde zijn benen los te krijgen, gelukkig zaten zijn benen niet meer vast.

Hij zwom naar de kant en keek onderweg zijn ogen uit.

 

Toen hij de kant bereikt had, stonden daar zijn vader en moeder.

Een oude Elf zat op vaders rug.

Ze zeiden niets, hielpen hem uit het water en keken naar wat het kleine Eenhoorntje had gecreëerd.

“Papa, mama, het spijt me zo dat ik niet naar jullie heb geluisterd.

Ik was zo bang vannacht en ik zat vast in het mulle zand.

Toen moest ik heel erg huilen en toen de zon opkwam, zat ik midden in mijn eigen gecreëerde tranenmeer.”

De oude Elf stapte af en liep naar het kleine Eenhoorntje toe.

“Kom, wij brengen je weer naar huis terug.”

Langzaam liepen ze met zijn vieren terug naar het Elfen-rijk.

Maar wat het Eenhoorntje niet wist, is dat hij het land aan de andere kant van de werkelijkheid een klein stukje mooier en liefelijker had gemaakt.

~ ♥ De Fluistering uit de Diepte ♥ ~

Hoor je dat ook?’ vroeg moeder aan haar dochter.

Heel in de verte had moeder een plons in het water gehoord.

‘Ga jij eens kijken of je iets ziet?’ vroeg moeder weer.

Het meisje kroop uit de zandbak, veegde haar handjes en haar knietjes schoon en liep naar het meer.

Het meer was groot en lag tussen een paar grote bergen in.

In de zomer waren hier veel vakantiegangers.

Ze kwamen hier dan plezier maken.

Maar nu was het herfst en was alles stil.

De bewoners hadden dan het dorp en het meer weer voor henzelf.

 

Het meisje liep langs het meer.

Ze keek over het meer of ze iets zag of hoorde, maar alles was stil.

Af en toe vloog er een vogel over, maar verder was het rustig.

Het meisje wilde net weer naar haar moeder teruglopen, toen ze een plons in het meer hoorde.

Ze keek snel in de richting van waar het geluid vandaan kwam, maar zag niets.

Ze besloot wat dichterbij te kijken en ze liep richting een grote groep rotsen die aan de oever van het meer opgestapeld lagen.

Voorzichtig sprong ze van steen naar steen.

Toen ze bij de laatste steen was aangekomen, was ze al een eindje van de waterkant verwijderd.

 

Het was langs de kanten erg diep.

Dat kon ze zien aan de kleur van het water. Dat was donker.

Opeens hoorde het meisje heel dichtbij een plons, maar ze zag geen opspattend water.

Ze ging op een rots zitten en wachtte af, totdat ze weer een plons hoorde, maar het opspattende water bleef weer weg.

Het was inmiddels al laat geworden.

Ze moest nu echt naar huis.

Het meisje probeerde voorzichtig op te staan, maar de rotsen waren glad geworden.

Ze wilde naar een steen terugspringen, maar ze viel.

Met een plons kwam ze in het koude water terecht.

Ze hapte naar adem en ze sloeg met haar handen en benen wild om zich heen.

Ze probeerde nog een rots vast te grijpen, maar de rots was te glad en ze gleed zachtjes naar de donkere diepte van het meer.

 

Plots waren daar twee handen die haar bij de heupen vastpakten en haar terug op de rots zetten.

Het was prachtig weer en de zon scheen volop.

Het was zomer, maar er waren geen bootjes en vakantiegangers.

Ze zag alleen maar helder water, veel schoner dan ze altijd gewend was.

Ze voelde de warme zonnestralen op haar huid en ze genoot van deze heerlijke plek.

Opeens besefte ze dat er iets vreemds was gebeurd.

Ze was naar de diepte van het meer gezakt en toen had ze handen om haar heupen gevoeld.

‘Maar wie heeft mij nu terug op die rots gezet?’

Het meisje keek in het rond en zag rimpels op het water en die rimpels kwamen haar kant op.

Opeens stak er een hoofd boven het water uit.

Een vrouw van moeders leeftijd begon tegen haar te lachen. ‘Welkom mijn kind!

Jij hebt onze wereld bereikt, omdat jij zo zuiver en lief bent.

Jij hebt de weg tussen twee werelden gevonden.

Wat fijn om je nu eindelijk te ontmoeten.’

 

Het meisje keek verbaasd. ‘Kent u mij?’

‘O ja, ik ken je al vanaf toen je een baby was en je moeder je meenam naar de waterkant.

Ik kon je zien spelen en ik heb je gezien als je ging vissen.

Je hebt heel veel liefde in je en daarom heb ik je toegelaten in onze wereld.

Deze wereld is hetzelfde als waar jij vandaan komt.

Alleen hier leeft iedereen heel vredig naast elkaar.

Hier is geen haat, angst en geen oorlog.

Hier is het schoon en iedereen is liefdevol naar elkaar toe.

Wij kunnen van deze wereld naar de andere werelden zwemmen en soms doen wij dat ook.

Wij doen dit, omdat we willen dat jullie weten dat wij ook nog bestaan.

Wij zijn nooit weggeweest.’

 

Tijdens het vertellen van de vrouw kwamen er nog meer hoofden boven water en allemaal keken ze het meisje aan. ‘Kom, ik zal je weer terugbrengen.

Je moeder zoekt je,’ en ze wees naar de rand van het meer.

In een schim zag het meisje haar moeder.

Het leek net alsof er een muur van mist tussen de twee werelden zat.

Zo af en toe zag ze een vlaag van haar moeder die langs het meer liep, op zoek naar haar dochter.

‘Kom, spring in het water. Ik zal je terug brengen’, zei de vrouw.

Het meisje sprong terug in het water.

De vrouw pakte haar weer vast bij de heupen en langzaam gingen ze dieper en dieper, de diepten van het meer binnen, totdat de vrouw het meisje weer terug op de rots zette.

De vrouw deed haar vinger voor haar mond en wilde daarmee zeggen dat ze stil moest zijn.

‘Luister’, fluisterde ze zachtjes, ‘als de eerste zomerdag is aangebroken, zal ik je op komen halen.

Sta dan hier klaar, hier op deze rots.

Dan zal ik je meenemen naar mijn wereld en ik zal je ook weer thuis brengen.’

Het meisje knikte.

‘De eerste zomerdag onthoudt dit goed’, zei de vrouw nogmaals.

Het meisje knikte van ja en ze omarmde de vrouw in het water.

Met een glimlach op haar gezicht verdween de vrouw terug de diepte in.

Langzaam en heel voorzichtig liep ze terug naar de rand van het meer, waar haar moeder op haar wachtte.

Moeder wist het al. Haar dochter had haar zuster ontmoet.

Haar zuster vanuit een andere wereld. En ze glimlachte tevreden.

~ ♥ Een Vlucht vol Wijsheid ♥ ~

Opeens stond ze daar, kijkend omhoog naar een vogel die haar zojuist had afgezet.

Het was voor haar de eerste keer dat ze op de rug van deze vogel mee mocht vliegen.

Ze wilde het al zo lang, maar het was er nog nooit van gekomen.

En nu juist op het moment dat ze er niet aan dacht, had de vogel haar bij haar trui vastgegrepen en met zijn snavel zo achter op haar rug geworpen.

Het was een enge ervaring en ze was nog steeds niet helemaal van de schrik bekomen.

Ze moest heel snel handelen, anders gleed ze zo weer van zijn warme verenpak af naar beneden.

 

Ze was op de vlucht geslagen, want ze werd achterna gezeten door een buidelrat.

Ze had hem al een tijdje zitten plagen en daar werd hij boos om.

Hij had zich niet bedacht en was opeens op haar af komen stormen.

Ze moest heel hard rennen en was bijna ingehaald door hem, toen plotseling een vogel naar beneden zoefde en haar redde van deze boze buidelrat.

Ze ging op een steen zitten en dacht weer terug aan de vlucht die ze maakte op de rug van de vogel.

Hij had haar op zijn rug geworpen en haar toe geschreeuwd, dat ze zich heel goed vast moest houden.

Dat had ze ook gedaan.

Ze vlogen hoger en hoger en de vogel liet haar een wereld zien, die ze nog nooit had gezien. De wereld van bovenaf.

Hij liet haar eerst zien, waar zij vandaan kwam.

Een klein dorpje, met heel veel kleine Elfjes.

Toen vloog hij richting het huisje van de buidelrat.

‘Wees niet bang, ik wil je alleen laten zien hoe hij leeft en wat voor lief dier het eigenlijk is.’

 

Ze vlogen over het huisje en ze zag dat er nog een mama-buidelrat was, met wel zeven kindjes.

‘De vader, die door jou zo geplaagd werd, moet er elke dag voor zorgen dat deze kleintjes genoeg te eten hebben.

Jij hebt hem gestoord in zijn zoektocht naar eten en nu hebben de kleintjes honger.

Kijk maar, ze rillen van de kou en smeken om eten.’

Het Elfje dat op de rug van de vogel zat, keek naar het tafereel dat door haar veroorzaakt was.

‘Wat erg, ik wist dat niet…’

‘Misschien kun je straks je excuses aanbieden’, zei de vogel.

‘Ja, dat is dan wel het minste wat ik zou kunnen doen’, zei het Elfje.’

Kom, ik zal je nog iets laten zien’. En de vogel vloog nog hoger.

 

‘Kijk, dat is de grote mensen wereld.’

Het Elfje keek over de sluiers van haar wereld en zag een grijze, grauwe en onvriendelijke wereld.

‘Ooit waren deze bewoners net als wij.

Ze hadden lol en genoten van iedere bloem, bij, of vlinder die ze zagen.

Ze hadden geen haast en wilden geen baas zijn over elkaar.

Iedereen leefde zij aan zij, naast elkaar.’

‘Maar waarom doen ze dat nu niet meer?’ vroeg het Elfje.

‘Ik denk dat ze het vergeten zijn’, zei de vogel.

Doordat ze geen mooie dingen meer konden zien, is er een sluier ontstaan tussen onze wereld en die van de grote mensen.

‘Dus ze kunnen onze meerminnen en mij ook niet zien?’

De vogel schudde met zijn kop van nee.

 

Het Elfje dacht er even over na.

‘Maar hoe komt het dan dat jij er wel naartoe kunt?’ Kunnen ze jou wel zien?’

De vogel begon te lachen. ‘Ja, mij kunnen ze wel zien.

Wij zijn de boodschappers, wij proberen de grote mensen te laten zien dat er nog meer is dan macht en hebzucht, jaloezie en haat.

Allemaal woorden die jij niet kent.’

Wij zijn er, met de hoop dat de grote mensen naar ons kijken en ook willen zweven op de stroming van de lucht.

Dat ze ook willen spelen op de golven van de wind en dat ze in gaan zien dat er geen grenzen zijn, maar vrijheid.

Maar ze hebben het niet begrepen, ze keken naar ons en nu hebben ze ons nagebouwd om van hier naar daar te vliegen.

Het is een trieste zaak,’ zei de vogel, ‘maar misschien is er nog hoop. We wachten het maar af.

 

Er zijn een aantal grote mensen die het wel hebben begrepen.

Die proberen wij nu vanuit deze wereld te vertellen wat er moet veranderen, maar dat kunnen ze niet alleen, daar is hulp voor nodig.

Uiteindelijk zullen ook de grote mensen het grote geheel zien, precies zoals wij het zien.

Zo’, zei de vogel, ‘ik denk dat wij genoeg hebben gezien.

Ik ga je terugbrengen naar je dorp. En denk erom, geen buidelratjes meer plagen hè.’

Het Elfje glimlachte en dacht nog even na over wat de vogel haar had verteld.

Er was nog een wereld naast die van hen.

Een hele enge wereld. Hopelijk zal dat snel veranderen.

‘Zo, we zijn er!’ en de vogel landde op zijn pootjes.

 

Het Elfje liet zich van het verenpak afglijden en bedankte de vogel.

‘Denk eraan, voor je het weet pik ik je weer op om een ander deel van deze wereld te laten zien,

dus hou je ogen open.’

Lachend vloog de vogel weg.

 

Het Elfje keek beduusd naar de vogel die haar zojuist had afgezet.

Opeens bedacht zij zich, rende naar huis, haalde daar wat eten van de plank en stopte het in een mandje.

Ze rende het huisje weer uit, richting het huisje van de buidelrat.

Hijgend klopte ze aan.

De buidelrat deed open en wilde al op haar toe springen, maar ze zei snel: ‘Ik kom u eten brengen.

Ik zag dat uw kindjes het zo koud hadden van de honger.

Hier, neem dit van mij aan. Ik kan voor nog veel meer zorgen.’

De buidelrat keek verlegen naar de grote hoeveelheid eten dat het Elfje had meegebracht.

Snel liep hij ermee naar zijn kindjes en ze aten alsof hun leven ervan af hing.

‘Wat fijn’, zei moeder buidelrat, ‘ik ben je zo dankbaar.’

Het Elfje bleef nog een tijdje bij hen en toen ze terug in haar dorpje was, vroeg ze iedereen of ze wat eten wilden doneren voor de familie buidelrat.

Zo kwam het dat de Elfjes zorgden voor alle dieren, die het moeilijk vonden om voedsel te vinden in de winter.

En tijdens de langste nacht van het jaar kwamen ze allemaal tezamen en zongen en dansten van plezier.

Het Elfje keek dankbaar naar het feest.

Zonder de vogel was dit nooit tot stand gekomen. En in de verte hoorde ze hem krijsen. De buizerd!

En de kleine Elf glimlachte.

~ ♥ Johannes de Boskabouter ♥ ~

Het was koud en een klein mannetje stond in zijn huisje te bibberen van de kou.

Al zijn hout was op en hij had geen nieuwe voorraad aangemaakt, om deze koude winter door te komen.

Het was best moeilijk zo alleen te wonen in het grote bos.

Hij was weggevlucht uit zijn dorp.

Hij kon daar niet meer wonen.

Hij voelde zich beschaamd.

Alle andere kabouters lachten hem uit en hij merkte wel dat ze achter zijn rug om over hem spraken.

Hij voelde dat.

Alsof ze met kleine naalden in zijn rug zaten te prikken.

Op een dag kon hij er niet meer tegen, pakte zijn spullen, deed deze op zijn kruiwagentje en reed er mee het dorp uit.

Alle andere kabouters kwamen uit hun huisjes, om te kijken wat deze kabouter aan het doen was.

Er waren nog enkelen die hem volgden, maar na een dag was hij helemaal alleen.

 

Eindelijk rust…… Maar nu was het winter en het hout wat hij bij elkaar had gesprokkeld, was niet genoeg.

Hij had eerst zijn huisje moeten bouwen en een tuintje moeten aanleggen en bewerken.

Al zijn tijd was daar in komen te zitten.

Het mannetje keek weer naar buiten. Het had gesneeuwd.

Met dit weer was het nog moeilijker om houtjes te sprokkelen.

Hij liep naar de kapstok en deed zijn jas en warme bontlaarsjes aan.

Hij pakte zijn rood fluwelen mutsje en zette deze op zijn hoofd.

Hij opende de deur en liep naar buiten.

Met zijn zaag zaagde hij oude takken van kleine boompjes en sprokkelde de dennenappels bij elkaar die hij onder de sneeuw had gevonden.

Zo vulde hij zijn kruiwagentje.

Hij had plezier in dit werkje en hij floot een aardig deuntje.

Dit deuntje had hij ooit eens op school geleerd.

 

Opeens schrok hij en draaide zich met een ruk om.

Hij keek in een paar grote blauwe ogen en een prachtig kaboutervrouwtje keek hem lachend aan.

‘Wie ben je?’ vroeg het vrouwtje aan hem.

Het mannetje was verbaasd, begon wat te stotteren en zei; ‘ik ben Johannes, Johannes de boskabouter.’ 

‘Dag Johannes,’ zei het vrouwtje. ‘Wat ben je aan het doen?’

Johannes keek naar zijn kruiwagentje en zei: ‘Ik ben hier net komen wonen.

Ik heb nog geen tijd gehad om houtjes bij elkaar te sprokkelen. Maar wie ben jij?’

‘Ik ben Marietje, ik woon even verder in het dorp.

Wat doe jij alleen hier in dit bos?

Waarom woon je niet bij de andere kabouters in het dorp?’ vroeg het kaboutervrouwtje aan Johannes. 

 

Johannes keek droevig. ‘Ik was verliefd op een meisje en dat wist ze.

Ze pestte mij daarmee. Op een dag wist het hele dorp het.

Dat meisje had iedereen opgestookt en ze lachten mij uit en joelden mij na en toen heb ik mijn spulletjes opgepakt en ben ik met mijn kruiwagentje weg gegaan.’

Het vrouwtje was ontroerd en pakte even zijn hand vast.

Er ging een schok door deze twee lieve kaboutertjes.

Ze keken elkaar aan en hun wangetjes kleurden zo rood als appeltjes.

Op slag werden ze verliefd op elkaar.

Zonder nog iets te zeggen liep het vrouwtje mee om takjes te sprokkelen.

De dagen daarna ging ze elke dag bij hem op bezoek.

Telkens een paar uurtjes langer, totdat ze niet meer weg ging.

En elke dag liepen ze gezamenlijk het bos in om houtjes te sprokkelen.

 

Een grote uil boven in de boom had alles gade geslagen en keek met een tevreden blik naar beneden.

Er was nieuw geluk geboren.

Heb je een vraag naar aanleiding van deze verhalen? Of wil je graag een reactie plaatsen, dan kan dat ik mijn gastenboek. De vragen zal ik zo liefdevol beantwoorden hier op deze website bij Vraag & Antwoord.

~ ♥ Gastenboek ♥ ~

Commentaren: 0