~ ♥ Sluierverhalen 4. ♥ ~

~ ♥ Boomreizen ♥ ~

Een klein Elfenmeisje zat op een tak van een boom in een heel groot toverbos.

Ze was verdwaald.
Ze was gaan spelen met haar grootste vriend, de nachtvlinder, en al spelend had ze haar wereld verlaten.
Nu zat ze op die tak van die hele grote boom en huilde zachtjes en haar traantjes vielen naar beneden.
Een klein veldmuisje schrok wakker, “regende het nu?”
Hij kroop uit zijn bedje en deed de deur open.
Hij keek naar buiten, maar hij zag geen regen.
Hij sloot zijn deurtje weer en wilde terug in zijn bedje kruipen toen hij weer druppels op zijn dakje hoorde vallen.
Snel rende hij naar buiten, hij wilde zien waar dat geluid vandaan kwam.
Hij keek omhoog en zag een klein Elfenmeisje hoog in de oude boom zitten.


“Die is ver van huis”, zei de veldmuis, “het kan niet anders dan dat ze is verdwaald.”
De veldmuis deed zijn deurtje op slot en kroop tegen de boomstam omhoog.
Toen hij bij de tak was aan gekomen keek hij naar het verdrietige Elfenmeisje.
“Piep – Piep, mag ik jou storen?” vroeg de veldmuis.
Het Elfenmeisje keek om naar de veldmuis en knikte verdrietig.
“Wat kom jij hier doen in dit grote toverbos? Ben je soms verdwaald?”
Het meisje knikte en keek weer verdrietig om haar heen.
“Misschien kan ik je helpen”, vroeg de veldmuis weer.
Het Elfenmeisje keek de veldmuis weer aan.
“Ik denk dat ik te ver ben afgedwaald, zo ver dat u mij niet meer kunt helpen.”

 

Een grote uil die een paar takken hoger zat, vloog naar de tak waar de veldmuis en het Elfenmeisje op zat.
Beiden keken verbaast, want een uil vloog niet snel van zijn tak af als het niet belangrijk was.
“Ik weet een weg”, zei de uil, wij gaan het aan deze oude eik vragen.
Zij is de oudste van dit grote toverbos en zij weet overal een antwoord op.
De uil vloog van zijn tak, fladderde voor de grote oude eik, en vroeg haar om hulp.

De oude eik opende haar ogen, schudde eens met haar takken net zolang dat haar bladeren gingen zingen.
Het Elfenmeisje en de veldmuis hielden zich stevig vast aan haar bladeren.
“Waarom heb je mij waker gemaakt uil?

Het moet vast belangrijk zijn, anders kom jij je tak niet af.”
De uil knikte en deed zijn verhaal.


De oude eik keek eens naar het Elfenmeisje en ze keek eens naar de veldmuis.

“H..mmm, als de uil en de veldmuis samen werken, moet het wel heel erg belangrijk zijn.”

“Oké”,  zij de oude eik tegen het Elfenmeisje.

“Doe je ogen dicht en denk aan de oudste en grootste boom in jullie Elfenbos, tel dan tot tien en doe dan je ogen weer open, je zal dan weer thuis zijn.”
Het Elfenmeisje begreep er niets van.
“Maar dat kan toch niet, dat is toveren!”
De eik begon te lachen, haar takken schudden door elkaar.
En weer moesten de veldmuis en het meisje zich vast houden aan haar bladeren om niet naar beneden te vallen.
Toen de oude eik uit gelachen was, zei ze: “Maar lieverd, dit is het toverbos waarin jij in verdwaald bent.
Hier kan alles, ik tover je gewoon terug naar huis”.


Het Elfenmeisje was verrast, in haar Elfenwereld konden ze ook veel, maar van boom naar boom reizen had ze nog nooit iets over gehoord.
“Alle oude bomen, de oudste van het bos zijn toverbomen.
Zij zullen helpen waar ze kunnen, wij zorgen voor balans in onze bossen.
Ga nu goed zitten op mijn tak en stuit je ogen en tel met mij tot tien, je zal dan thuis komen.”
Voor dat het Elfenmeisje begon te tellen nam ze afscheid van de uil en de veldmuis en ze omhelsde de oude eik.
Ze voelde de liefde door haar heen stromen en bedacht hoe bijzonder en lief deze oude boom was.
Ze ging goed zitten en sloot haar ogen, en samen met de eik telde ze tot tien.


Langzaam deed ze haar ogen open en zat op de tak van de oudste boom van haar wereld.
“Heb je een fijne reis gehad?” vroeg de oude spar.
Het Elfenmeisje knikte: “Het was er prachtig!

Ik heb in die tien tellen meer gezien en geleerd dan ik in mijn hele leven gezien en geleerd heb.
Het was zo mooi!”
“Zal ik jouw eens een geheimpje vertellen?” vroeg de oude spar.

Het Elfenmeisje keek de oude spar nu nieuwsgierig aan.

 

“De nachtvlinder heeft jouw expres mee genomen naar het toverbos.
Hij en wij wilden jouw graag voorbereiden op jouw nieuwe taak.
Ooit komen de Elven bij jou voor raad en jij zal ze dan gaan helpen.
Jij mag zo vaak reizen als je zelf wilt.
Reis en geniet van wat je ziet, leer van wat jou liefde geeft.
Moeder Aarde geeft jouw alle wijsheid en ze laat jouw alles zien, en als je later groot bent, zal je de wijste Elf zijn uit het Elfenbos, net zo als jouw moeder en jouw oma dat zijn.

Want ook zij hebben ons gevonden en hebben veel gereisd”.
Het Elfenmeisje was verbaast.
Haar moeder en haar oma waren de wijste vrouwen van het rijk.
Dus dat was hun geheim, boomreizen.
Het Elfenmeisje sprong van haar tak en omhelsde de oude spar.
De liefde die ze toen voelde was overweldigend.
“Tot snel”, zei de oude spar en knipoogde.
De oude spar wist heel goed dat ze de volgende dag aan haar taak zou beginnen.
Nog één keer draaide het Elfenmeisje zich om en zwaaide naar de oude spar.
Later als ze groot was, zal ze haar oma en moeder opvolgen, de wijste vrouwen van het Elfenrijk, en een traan van dankbaarheid gleed over haar wang naar beneden.

~ ♥ De Droom van de Oude Muis ♥ ~

Als de zon wat hoger aan de hemel staat en de eerste vlinders fladderen van bloem naar bloem, komt er een heel lief oud kabouter mannetje naar buiten zijn huisje uitgelopen. Hij woont daar samen met een oude grijze muis in een holletje onder de stam van een dikke eik.

Het oude kabouter mannetje staat voor zijn huisje en kijkt eens naar de lucht.

Het beloofd een bijzondere dag te worden.

Achter zich hoorde hij wat geritsel en de oude kabouter keek achterom.

Hij zag de oude grijze muis wat slaperig naar buiten komen.

‘Heb je goed geslapen?’ vroeg de kabouter aan de oude muis.

De oude muis keek op naar de kabouter en glimlachte.

‘Jij bent ook vroeg op vandaag?’ vroeg de muis aan de kabouter.

‘Ja, ik heb goed geslapen. Ik heb heerlijk gedroomd’, en de oude grijze muis keek de kabouter glimlachend aan.

De kabouter die nu nieuwsgierig was geworden zei: ‘Waar ging je droom dan over?’

De oude muis ging naast de kabouter staan en keek naar de vlinders die heen en weer fladderden.

‘Ik heb gedroomd dat ik zeer binnenkort deze wereld verruil voor een andere wereld.’

De kabouter schrok. ‘Maar je bent helemaal nog niet zo oud, waarom nu al?!’

Maar de oude grijze muis glimlachte weer.

‘Niet oud?, ik ben hier al veel langer geweest dan ieder andere muis.

Ik heb alles mogen zien, ik heb alles mee gemaakt wat ik maar mee mocht maken, het is tijd.

Maar mijn droom was nog niet afgelopen.

Jij ging met mij mee.’

Nu schrok de kabouter weer. ‘Maar dat kan niet!’ schreeuwde hij het bijna uit.

Maar de grijze oude muis bleef de kabouter glimlachend aankijken.

‘Maar toch is het zo’, zei de muis zacht.

 

De kabouter keek de muis met betraande oogjes aan.

‘Maar ik wil nog zoveel zien en doen in deze wereld, ik wil nog niet naar die andere wereld!’

De muis schudde zijn kopje.

‘Je hoeft ook niet weg. Kijk’, zei hij liefdevol.

De kabouter keek in de richting waar de muis naar toe wees.

De zon stond nu wat hoger aan de hemel en langzaam veranderde het landschap.

Alles was serener, liefdevoller en bedenkt met een dun laagje goudstof.

‘Wat is dit?’ vroeg de kabouter verbaast.

‘Dit is dé andere wereld, dit is het land van de Feeën.’

Verbaast keek de kabouter in het rond.

Alles sprankelde en de liefde was zo voelbaar.

Hij zag de kleine Bosnimfen van boom naar boom vliegen.

Ze verzorgden de struiken, planten en bloemen met een dun laagje van hun goudstof.

En de kabouter was zo verheugd en keek blij naar zijn oude vriend.

De oude muis lachte terug.

Een kleine Elf gleed van zijn paddenstoel, ze had een klein bosje met vergeet-me-nietjes in haar handjes, en ze vloog naar beide vrienden toe.

Voor hen bleef ze staan en zei: ‘Welkom in deze nieuwe wereld, de wereld van liefde.’

En ze overhandigde hun de bloemen en maakte een lichte buiging, en vanuit het struikgewas kwamen alle dieren, Elfen en Feeën tevoorschijn en ze zongen gezamenlijk een welkomstlied.

En de oude grijze muis en de kabouter wisten dan ze in één van de mooiste werelden terecht waren gekomen, een wereld met alleen maar liefde.

~ ♥ De Tuin achter de Sluiers ♥ ~

Wanneer een kleine Elf wakker wordt, kijkt hij door het raampje van zijn huisje naar buiten.

Zijn huisje hangt aan de hoogste tak van de hoogste boom in het woud.

De opkomende zon die door het raampje naar binnen schijnt, heeft hem met zijn lichtstralen wakker gekieteld.

De kleine Elf lacht. 

Er is een nieuwe dag aangebroken en hij is nieuwsgierig naar wat hij vandaag mee mag maken.

Hij stapt zijn huisje uit en vliegt naar de dichtstbijzijnde bron. 

Dan gaat hij op een kiezelsteentje staan en wast zich met het sprankelende water, dat heerlijk fris aanvoelt.

 

De kleine Elf is anders dan de rest.

Hij woont hoger en hij heeft meer overzicht over het woud dan de andere Elfjes.

Hij is ook vaak te vinden op plekken waar de andere Elfjes niet komen.

Zo kent hij alle dieren en de vogels die hoog in de lucht vliegen, en hij kent de kinderen die achter de sluiers wonen.

Zijn taak in het Elfenwereld is om de verbinding te maken met zijn wereld en de wereld achter de sluiers.

 

Vandaag was het zo’n dag dat hij weer terugging naar de kinderen. 

Hij kende er heel veel. 

En met deze kinderen die hem goed konden verstaan, had hij een liefdevolle band.

Eens in de maand bracht hij hun een bezoekje. 

Dan gaf hij raad en hielp hij waar hij helpen kon.

Vandaag wilde hij naar een klein meisje. 

Hij had haar tijdens zijn vorige reis ontmoet.

Ze zat in de tuin sip voor zich uit te kijken.

Hij zag dat de vlinders haar probeerden op te vrolijken, maar dit lukte niet.

Hij was naar haar toe gegaan, op haar knietje gaan zitten en had haar aangekeken.

Hij had haar gevraagd waarom ze zo verdrietig was.

Ze had hem gehoord en keek naar beneden.

Met een lieve glimlach streelde ze met haar vingertje over zijn gouden haar.

 

“Wie ben jij?” vroeg ze vriendelijk. “Ben jij een Elfje?”

Hij was op haar hand gekropen en het meisje bracht haar handje voor haar gezichtje.

Ze keek eens goed naar hem en zei: “Wil jij mijn vriendje zijn?”

Natuurlijk wilde hij dat en vroeg haar wat haar zo verdrietig had gemaakt.

“Ik heb geen vriendjes”, had ze geantwoord.

“Kinderen vinden mij anders en willen niet met mij spelen en daarom ben ik altijd alleen.

Ik weet niet wat ik moet doen om er toch bij te horen.”

“Oh meisje, je bent juist heel speciaal”, antwoordde het Elfje. 

“Het is leuk om ergens bij te horen.

Je doet samen leuke dingen, maar als je alleen bent kun je zelf bepalen wat je leuk lijkt en wat je wilt doen. 

Dan hoef je niet datgene te doen wat andere vriendjes bedenken.

Als je alleen bent, heb je de kans om de wereld anders te gaan zien.

Er is een andere weg die voor jou open ligt, en die weg mag jij bewandelen.

Kies jij ervoor om hier alleen verdrietig te zijn, of kies je voor de leuke momenten die voor je klaarliggen?

Kijk dat vlindertje… Ze probeert je de hele tijd aan het lachen te maken.

Ze wil met je spelen. En zie daar het tuinpad, laten we dat samen eens bewandelen.”

 

Hij vloog van haar hand. 

Het meisje stond op en liep achter de kleine Elf aan.

De tuin was groot en overal waar ze keken stonden prachtige geurende bloemen en hoge bomen.

Hij had haar bewust gemaakt van de bewoners van de tuin en ook van de oude eik die midden in de tuin stond.

Ze had nu ook zíjn stem gehoord.

 

De kleine Elf glimlachte nu hij aan haar terug dacht.

Hij was benieuwd hoe het met haar ging.

Hij was klaar voor zijn reis en hij vloog zo hoog als hij kon.

De zon deed zijn werk en tussen de stralen door, vond hij de sluiers naar de wereld van de kinderen.

De eerste keer dat hij hier kwam was hij geschrokken. 

Hij had nog nooit angst gevoeld, maar hier voelde hij het voor het eerst.

Nu hij de angst had gevoeld, begreep hij de kinderen veel beter.

 

De kleine Elf vloog naar de tuin van het meisje.

Ze sliep nog toen hij door het raam naar binnen vloog.

Hij ging naast haar op het kussen staan en fluisterde in haar oor: “Sanne, wordt eens wakker!?”

Het meisje deed haar oogjes open en een vrolijke lach kwam op haar snoetje.

Ze ging onmiddellijk rechtop zitten en liet de kleine Elf op haar hand staan.

“Ik wil graag weten hoe het met je gaat?” vroeg hij haar.

Het meisje keek blij. 

“Ik heb nu een vriendinnetje dat hetzelfde is als ik.

Zij was ook alleen en ziet net als ik, dat de wereld er heel anders uitziet, dan hoe andere mensen denken.

Wij zijn elke dag in de tuin en kijken naar hoe een sprinkhaan in het hoge gras zit.

We kijken naar de rups die zijn buikje vol eet en we zitten onder de oude eik.

We praten over dingen die wij belangrijk vinden en waar wij open voor staan.”

“En de andere kinderen? Wat vinden zij van jullie?” vroeg hij haar.

Het meisje haalde haar schouders op. 

“Weet ik eigenlijk niet. Ik ben vriendelijk tegen hen en zeg gedag, maar nu ik mijn eigen weg bewandel en de dingen doe waar ik plezier in heb, zijn ze niet meer zo belangrijk voor mij, net als ik dat niet voor hen ben.

Ik hoef mijzelf niet meer weg te geven, omdat ik ergens bij wilde horen. 

Nu ga ik mijn eigen weg.

Door de dingen te doen waar ik gelukkig van word, heeft het mij de kans gegeven een heel andere wereld te zien, waar ik eerst geen weet van had.

Het heeft mij vriendschap, geluk en liefde gegeven.”

 

Het meisje straalde.

De kleine Elf vloog naar haar toe en gaf haar een kusje op haar neus. 

“Hou dit gevoel vast mijn kind. 

Dit is jouw weg, de weg die jou gelukkig maakt.”

De kleine Elf maakte een buiging en vloog door het raam naar buiten.

Het zou een lange dag worden. 

Er waren hier zoveel kindertjes die verdrietig waren en geholpen moesten worden.

Heel even bleef hij stil in de lucht hangen en keek achterom.

Hij zwaaide en lachte naar het meisje dat hem vrolijk door het open raam nakeek.

~ ♥ Het Fluisteren van de Oude Boom ♥ ~

Een kleine Elf kijkt bedroeft voor haar uit.

“Wat is er toch mijn kind?” vraagt de oude eik.

“Waarom kijk je zo droevig, kan ik iets voor je betekenen?”

De kleine Elf vloog van de tak waar ze op zat af en ging voor de oude eik op de onderste tak staan.

Veegde met haar kleine handjes haar tranen van het gezichtje af en keek de eik verdrietig aan.

“Ik ben net terug uit de andere wereld”, zei ze wat verlegen.

“Maar kind”, zei de oude eik, “dat is toch helemaal geen wereld voor jou!

Die wereld is één van de moeilijkste werelden die wij kennen.

In die wereld mogen de mensen inzien wat dualiteit is.

Als je daar leeft, dan leef je in een wereld vol met conflict.

De mensen hebben conflict met anderen en met hun zelf en de kunst is, om in balans te komen op alle fronten.

Dit is een lang en moeilijk proces, want niet iedereen is even ver in dit stuk van zelfliefde. De één vecht nog tegen zichzelf en de wereld, terwijl de ander vrede heeft en begrijpt waarom de ander nog vecht.

De mensen proberen op deze manier iedere emotie uit en ondergaan de consequenties die daarop volgen.

Vaak zijn ze daar niet bewust van, omdat ze afgescheiden zijn van de Bron waar iedereen vandaan komt.

De mensen zijn zoekende, lopen als geblinddoekte mensen overal tegen aan en dolen wat in het rond.

Het is een proces, het is goed en ook uiteindelijk zal ook die wereld net zo mooi zijn als de onze.”

“Maar hoe kunnen wij ze dan helpen?” vroeg het Elfje.

De oude eik zuchtte. “Wij kunnen alleen maar hele kleine bewustzijnslesjes geven.

Een verhaal of een gedicht, een klein stukje tekst waar inzichten in verscholen zitten.

In die wereld zijn zoveel mensen geweest die de mensen net dat ene stukje verder heeft weten te brengen.

Ze helpen elkaar net als wij hen helpen.

Kom, mijn kind, laten we hun alle liefde sturen die wij hebben, misschien is er dan één iemand die dit verhaal leest en onze liefde in zijn of haar hart voelt gloeien.”

De kleine Elf ging tegen de oude eik aan zitten en samen stuurden ze zoveel liefde, dat deze wereld wel moet veranderen.

~ ♥ Gouden Regenboogkinderen ♥ ~

Wanneer de zon op is gekomen, loopt Job het kaboutermannetje in zijn hemdje naar buiten.

Hij kijkt naar de lucht en glimlacht, omdat hij zag dat de zon scheen.

Dan loopt hij weer naar binnen om zich om te kleden en gaat voor zijn kledingkast staan.

Kijkend naar zijn gekleurde jasjes, besluit hij dat het vandaag de dag is om het gele jasje aan te doen.

Hij doet het jasje aan, zet zijn groene vilten hoed op en bekijkt zichzelf in de spiegel.

Hij strijkt met twee vingers zijn snor en baard glad en tevreden draait hij nog eens rond voor de spiegel.

Het is vandaag een prachtige dag om regenbogen te gaan maken en pakt zijn zilveren gietertje, opent het deurtje van zijn huisje en loopt naar buiten.

 

Hij woont in een heel oud bos onder een hele dikke oude eik.

Het huisje waar hij in woont, heeft hij van een oude kabouter gekregen, die hem alles over regenbogen maken heeft geleerd.

Job de kabouter moest opeens aan hem terug denken.

De mijn die dicht bij het huisje lag, was bij toeval door hem gevonden.

Hij had gegraven en gegraven, totdat hij een goudader vond zo breed als de breedste rivier.

Hij had wat goud mee naar zijn huisje gebracht, maar hij kon er niets anders mee, dan het alleen maar te bewonderen.

Zijn huisje lag er vol mee en hij gaf aan iedereen een beetje om het te bewonderen.

 

Al zijn vrienden hadden nu genoeg, maar hij had nog zoveel goud om weg te geven.

Op een avond zat de oude kabouter buiten voor zijn huisje en keek wat verdrietig om zich heen.

“Nu heb ik zoveel goud om weg te geven, maar iedereen is al voorzien.

Wat kan ik doen om ieder kind in deze wereld hiervan te laten genieten?”

Hij had de vraag in zichzelf gesteld, en een Fee die net langs kwam lopen had deze vraag opgevangen.

“Dag oude kabouter”, had ze gezegd. “Dat goud is heel speciaal, wist je dat?”

De kabouter had geknikt.

“Je kunt daar inderdaad kinderen blij mee maken, maar het is nu nog in zijn puurste vorm.

Maal het goud tot stof en ga dan naar de diepste bron en haal daar het zuiverste water uit.

Vermeng het en je hebt water in goud veranderd.

“Alsjeblieft”, zei de Fee en overhandigde hem een zilveren gietertje.

Het gietertje was versierd met edelstenen zoals robijnen en kristallen.

“Vul dit gietertje met goudwater en maak regenbogen voor de kinderen die het zo moeilijk hebben.

Ga de wereld in en laat de kinderen weer lachen.

Tover met jouw gietertje een lach op hun gezicht, dan zal het gouden water regenbogen maken.”

 

De Fee liep op hem af en legde haar handen op zijn hoofd.

Ze haalde wat zilverstof uit haar tas en strooide dit over hem heen.

“Vanaf nu mag je alle werelden bezoeken.”

De oude kabouter bedankte de Fee en ging op zoek naar de diepste bron met het zuiverste water.

Het toeval wilde, dat deze bron in dezelfde mijn lag als het goud.

Hij vulde zijn gietertje en eenmaal thuis vermaalde hij het goud tot goudstof, en strooide het in het gietertje.

Dan roerde hij het een aantal keren rond en hij had goudwater.

Hij was zelf ook nieuwsgierig naar wat dit goudwater zou gaan doen en daarom sprenkelde hij wat van dit water over zichzelf heen.

Hij kon zijn ogen niet geloven, want wat hij zag waren gouden regenbogen!

Het was er geen één, maar het waren er wel tien en allemaal even mooi.

 

Opeens hoorde hij de stem van de Fee in zijn hoofdje die zei: “Ga alle kinderen gelukkig maken.”

De volgende morgen stond hij al vroeg op.

Hij vulde zijn gieter met goudwater en stapte de wereld binnen.

Hij wilde een andere wereld bezoeken, een wereld waar veel kindertjes waren die wel wat geluk konden gebruiken.

En zo liep hij tussen de sluiers van de werelden door, maar hij schrok.

Hij had niet verwacht dat er zoveel verdrietige kindertjes waren.

Hij zag zoveel verdriet en werd er zelf ook verdrietig van.

Telkens wanneer hij het gietertje wilde gebruiken, moest hij eerst zichzelf  besprenkelen om weer gelukkig te zijn.

Zo moest hij elke keer weer terug om het gietertje te vullen, want op het moment dat hij weer in die wereld aankwam, werd hij zo overvallen door het verdriet, waardoor hij het goudwater alleen voor zichzelf kon gebruiken en niet waar het voor bedoeld was.  

 

Hij kon dit verdriet niet aanzien, maar als hij geen vreugde had, kon hij hen ook niet helpen.

Verdrietig ging hij naar zijn huisje terug en daalde af de mijn in.

Hij haalde wat goud en wat van het zuivere water en besprenkelde zichzelf hiermee.

Het verdriet verdween en voelde hij zich veel beter, maar hij had nog geen kindje kunnen helpen.

Opnieuw zat hij voor zijn huisje te mijmeren, over hoe hij dit probleem op zou kunnen lossen.

Opeens stond de Fee weer voor hem.

“Dag lieve kabouter. Ik zie dat je het goudwater hebt gebruikt, maar ook dat de kindertjes nog steeds verdrietig zijn. Mag ik vragen wat er is gebeurd?”

De oude kabouter vertelde haar dat hij verslagen was door het verdriet wat hij zag en voelde, en dat hij niets anders kon doen dan eerst zichzelf te besprenkelen.

Ook dat zijn gietertje steeds leeg was, voordat hij een kindje blij had kunnen maken.

“Ik was een keer zo verdrietig, dat ik de weg naar huis bijna was vergeten”, vertelde hij.

 

De Fee keek naar de oude kabouter.

“Ik wil zo graag iets doen voor die kindertjes, maar ik kan niet verder op deze manier.

Heeft u misschien een grotere gieter voor mij die ik mee kan nemen, zodat ik in die andere wereld niet alleen mijzelf, maar ook een kindje mag besprenkelen met goudwater?”

De Fee dacht eens goed na en zei opeens: “Wacht, ik zal je hierin helpen.

Ga naar de bron en strooi dit zakje leeg.

Dit zorgt ervoor dat jouw gietertje altijd gevuld blijft.

Je hoeft alleen maar een zakje met goudstof mee te brengen om het zo nu en dan met het water te vermengen.”

Nadat de Fee dit had gezegd overhandigde ze hem een klein zilveren zakje.

De oude kabouter bedankte de Fee en holde naar de bron, daalde af en strooide het zilverstof in het water.

Er ging een zware trilling door het water heen en de kabouter wist, dat deze bron nooit op zou raken.

Hij zou tot aan zijn dood kindertjes blij mogen maken en hij vulde zijn gietertje en kapte een grote klomp met goud af.

Thuis maalde hij het goud en deed dit in een goudkleurig zakje.

 

De volgende ochtend, was hij al vroeg wakker.

Hij had zijn blauwe jasje aangedaan, zijn gietertje gepakt en was naar de andere wereld afgereisd.

Het eerste wat hij deed, was zichzelf besprenkelen en daarna een klein meisje met vlechtjes in haar haar.

Het meisje had hem niet gezien, maar nadat hij zijn gietertje over haar leeg gegoten had, was ze blij en keek ze verwonderd om zich heen.

Ze was niet meer verdrietig en niet meer bang, maar ze was nu gelukkig!

Het ontroerde de kabouter.

Snel besprenkelde hij zichzelf en liep naar een jongetje.

Ook hij had verdriet en ook bij dit jongetje sprenkelde hij wat goudwater over hem heen.

Net als bij het meisje werd hij blij en gelukkig en keek hij verwonderd om zich heen.

 

Na een lange dag keerde de kabouter terug naar huis.

Hij was dankbaar om wat hij vandaag voor deze kinderen had mogen doen.

Elke avond maalde hij zijn goud en poetste hij zijn gietertje schoon.

Dag na dag, maand na maand en jaar na jaar, ging hij naar de kinderen en mocht hij hun stralende gezichtjes zien.

Totdat hij oud en moe begon te worden.

Hij merkte dat zijn laatste tijd was ingegaan en hij vroeg op een avond aan de Fee: “Ik zou zo graag door willen gaan, maar ik ben te oud geworden.

Weet u toevallig iemand die mijn mooie werk over kan nemen?”

De Fee had even nagedacht en geknikt.

“Niet ver hier vandaan woont een kabouter alleen.

Hij is wat anders dan de rest, omdat hij graag met de dieren praat en alleen wilt zijn.

Hij heeft de juiste energie om jouw werk over te kunnen nemen.

Ik zal hem morgenavond naar je toe sturen.”

De oude kabouter had haar bedankt en was in zijn bedje gaan liggen.

Hij was moe, heel erg moe.

 

De volgende avond had Job de oude kabouter opgezocht.

De Fee was de avond ervoor bij hem langs geweest om hem te vertellen van de oude kabouter.

Hij was dankbaar, omdat de Fee hem had uitgekozen.

De hele dag had hij zitten wachten en eindelijk toen het avond was, was hij naar de oude kabouter toe gegaan.

De oude kabouter had hem alles geleerd en alles laten zien, totdat op een avond de Feeën voor zijn deurtje stonden.

“Het is tijd mijn jongen. Je zult het nu alleen moeten doen", had de oude kabouter tegen hem gezegd.  

De oude kabouter had langzaam zijn oogjes gesloten, waarna hij door de Feeën met bloemen werd bedekt en naar de Hemel was gebracht. 

 

Eerst vond Job het nog best eng, maar al snel goot hij met zijn gietertje in het rond.

Hij maakte de mooiste regenbogen met de meest prachtige kleuren.

Hij maakte ieder kind en dier weer vrolijk en hij was zo dankbaar voor de taak die hij had mogen krijgen.

Want wat is er nu mooier dan een kindje dat straalt van plezier, wat kan kijken in een wereld van gouden regenbogen?

Daar kan geen ander geluk tegenop.

Dag na dag, maand na maand en jaar na jaar, laat hij de kindertjes stralen als goudwater, zodat de volwassen mensen ze kunnen zien als regenboogkinderen, zo puur, zo zuiver en met zoveel liefde.

Heb je een vraag naar aanleiding van deze verhalen? Of wil je graag een reactie plaatsen, dan kan dat ik mijn gastenboek. De vragen zal ik zo liefdevol beantwoorden hier op deze website bij Vraag & Antwoord

~ ♥ Gastenboek ♥ ~

Commentaren: 0