Wanneer de eerste zonnestralen haar kamer binnen komen wordt een kleine Elf wakker.
Ze veegt haar oogjes uit en kijkt door het raam naar buiten.
Het belooft een stralende dag te worden.
Ze stapt haar bedje uit en wast zich bij de kraan.
Dan trekt ze haar mooiste jurkje aan en bekijkt zichzelf in een mooie ronde spiegel die aan de muur hangt.
Ze herkent zichzelf als een lief klein Elfje, maar de Elfjes in het dorp vinden haar niet zo leuk.
Ze heeft hier veel verdriet van en ze doet er alles aan om zich maar geliefd te voelen.
Vandaag is het een speciale dag.
Een Elf in het dorp geeft een heel groot feest en iedereen is uitgenodigd, behalve dit kleine Elfje.
De kleine Elf ging voor haar huisje op een bankje zitten, en keek toe, hoe iedereen in feeststemming richting de grote oude eik liep.
Daar zal vandaag het feest zijn.
Ze hadden slingers opgehangen en overal hingen lantarens in de bomen en zodra het avond werd, zouden deze aangestoken worden.
De kleine Elf keek naar de feestgangers en er was er niet één die zei: “Hé, kleine Elf, ga je met ons mee feestvieren?”
Nee, iedereen liep haar straal voorbij.
De kleine Elf had geen idee waarom de andere Elfjes haar niet leuk vonden.
Ze was toch net als zij, er was niets anders aan haar te zien.
Misschien omdat ze anders was met haar ideeën, misschien dat het daardoor kwam, maar zeker weten deed ze het ook niet.
Nadat de feestgangers voorbij waren getrokken, zat de kleine Elf alleen op het bankje en keek verdrietig voor zich uit.
Ze hoorde de muziek die door het bos heen galmde en ze hoorde iedereen zingen.
Ze rook de zoete geuren van de lekkernijen en ze keek zo nu en dan in de richting van de oude eik.
Daar zag ze de Elfjes dansen en plezier maken.
Kleine glinsterende traantjes gleden over haar wangetjes en ze veegde ze met haar hand van haar gezichtje af.
Ze had er alles aan gedaan om bij deze Elfengroep te kunnen horen, maar telkens als ze dat deed, merkte ze op, dat hoeveel meer ze haar best deed, hoe gemener de andere Elfjes werden.
Ze wist wel dat ze zichzelf had weggegeven, maar wat kon ze anders?
Moest ze dan altijd maar alleen blijven?
De kleine Elf stond op en keek nog voor de laatste maal naar de oude eik met al zijn feestgangers en liep bij haar huisje vandaan het dichte woud binnen.
Ze wilde hier niet meer wonen, daarom had ze deze ochtend besloten om hier weg te gaan.
Ze had een kleine rugzak gepakt, met daarin een appel en een kannetje water voor onderweg en een schoon jurkje, meer had ze niet nodig.
Ze had hun nog een laatste kans gegeven om haar uit te nodigen, maar ze wist wel dat dit niet zou gebeuren.
Met lede ogen had ze de feestgangers naar het feest zien gaan en nu liep ze richting het donkere woud, waar zij en de andere Elfjes nog nooit waren geweest.
De reden was dat het daar zó donker moest zijn, maar dat waren verhalen van horen zeggen.
Nu bewandelde ze door het woud en keek om zich heen.
Langzaam werd het stil in het woud en de feestmuziek ebde langzaam weg.
De kleine Elf liep over het bospad en genoot van deze rust.
Ze merkte dat ze zelf ook rustig werd en begon een lief klein wijsje te neuriën.
Ze zag dat de bomen hier veel ouder waren en dat het pad waarop ze liep langzaam vervaagde en ze nu zelf een weg moest zoeken.
Ze klom door struiken en bossen en ze schramde haar kleine lijfje, maar de kleine Elf had het zo naar haar zin.
Ze was op ontdekkingstocht en ze kwam in een volledig andere wereld terecht.
Ze merkte op, dat ze op deze manier heel veel oud verdriet los kon laten en niet meer met zich mee hoefde te dragen.
Ze wandelde niet meer op het pad dat iedereen liep. Nee, ze creëerde haar eigen weg.
Het werd bijna donker. De kleine Elf had bijna de hele dag gewandeld.
Ze ging onder een oude dikke eik op het zachte groen mos liggen.
Liggend op haar rug keek ze naar de grote dikke takken boven zich en vroeg: “Lieve eik, mag ik onder jouw takken en bladeren schuilen vannacht?”
De oude eik ritselde wat met zijn bladeren en de kleine Elf viel langzaam in slaap.
De volgende ochtend werd ze wakker gemaakt door de stralen van de zon.
Ze deed haar oogjes open en keek om zich heen.
Het kleine Elfje zag een grote Fee voor zich staan, die haar nieuwsgierig aankeek.
“Ben jij niet een beetje verdwaald kleine Elf?” vroeg de Fee en het kleine Elfje schudde haar hoofdje.
“Waarom ben je dan door het donkere en diepe woud heen gegaan?” vroeg de Fee nu.
De kleine Elf glimlachte en antwoordde: “Waar ik eerst woonde voelde ik mij niet thuis.
Ik probeerde aansluiting te vinden bij de andere Elfjes, maar wat ik ook deed, het lukte me niet.
Ik probeerde hun weg te lopen, maar ik merkte op dat dat niet mijn weg was.
Daarom ben ik daar weggegaan en heb ik mijn eigen weg uitgekozen.
Deze weg was om dwars door dit diepe en donkere woud heen te gaan.”
“Ah, nu begrijp ik waarom je deze wereld binnen bent gewandeld.
Mag ik je vragen om met mij mee te gaan?”
De kleine Elf knikte en stond op.
Ze keek naar de oude eik en zei: “Dank je wel eik.
Fijn dat ik vannacht onder uw takken en bladeren mocht slapen. Ik voel me heerlijk uitgerust.”
Weer ritselden de bladeren en de kleine Elf liep naast de Fee mee door het woud.
Eerst moesten ze zich nog een weg dwars door de struiken heen banen, maar al snel kwam de kleine Elf samen met de Fee bij een gouden pad uit.
“Kijk”, zei de Fee. “Dit is jouw nieuwe weg, jouw ware weg.
Blijf deze volgen en je zal niet alleen jezelf terugvinden, maar ook de plek waar je thuis hoort. Ik wens je een hele mooie reis toe!”
De Fee boog zijn hoofd en vertrok.
De kleine Elf keek naar haar weg en de zon deed haar weg nog mooier lijken.
Ze stapte op haar weg en meteen voelde ze een gevoel van thuiskomen door zich heen stromen.
Ze voelde een liefde, waar ze in het Elfendorp zo naar had verlangd en niet had kunnen vinden.
Ze zag dat naast haar pad perkjes met Lelietjes van Dalen groeiden en struiken met geurende kamperfoelie.
De geur van bloemen was overal en ze zag dat de bomen hier nog ouder en dikker waren.
Dit was het oude bos, waar ze weleens verhalen over had gehoord, maar waar nog niemand naartoe had durven gaan.
Nu was zij hier en ze keek haar ogen uit.
Ze keek eens naar links en dan naar rechts en ze besloot om recht het pad te volgen.
Mooie grote vlinders fladderden om haar heen en de zon bestraalde haar pad.
De kleine Elf was overgelukkig.
Opeens kwam ze aan op een open plek midden in het woud en ze keek naar de oude bomen die rondom de open plek stonden.
Overal hingen slingers en lantarens in de bomen.
De kleine gekleurde huisjes dansten door de wind een beetje heen en weer.
Bij de dikste oude eik zag ze Elfjes dansen en feestvieren.
Heel even dacht de kleine Elf dat ze terug was in haar oude Elfendorp, maar ze besefte meteen dat dit niet zo was.
Dit Elfendorp was veel kleurrijker, gezelliger en liefdevoller.
Er kwam direct een oude man op haar af gelopen. Hij zag er bijzonder uit.
Hij had een lange baard en een mantel vol sterren aan.
Hij had een mooie punthoed op zijn hoofd.
Nu boog hij zich naar de kleine Elf.
“Welkom kleine Elf, ik had je al verwacht.
Je bent net op tijd voor het grote feest dat we ter ere van jou hebben georganiseerd.
Gewoon om je welkom te heten.
Ga je met mij mee?” vroeg de oude man terwijl hij zijn hand uitstak.
De kleine Elf ging op zijn hand zitten en samen liepen ze naar de oude eik waar het feest was.
Iedereen week opzij en keek opgewonden naar hun nieuwe bewoonster.
“Wij hebben onder de oude eik al een huisje voor je ingericht en wij vinden het allemaal zó fijn dat jij je bij ons aansluit.
Wij zijn allemaal net als jij, en ieder van ons heeft deze weg gevonden naar deze wereld van liefde.
Welkom kleine Elf!” Alle Elfjes begonnen te juichen en verwelkomden de kleine Elf.
Nu nog steeds woont de kleine Elf in haar nieuwe wereld en elke dag zoekt ze samen met de andere Elfen een nieuwe weg diep in zichzelf, en in de wereld waar ze nu leeft. Want elke dag is er wel iets nieuws te ontdekken.
Elke dag is er wel iets nieuws te leren, en samen zijn ze op weg naar de weg van onvoorwaardelijke liefde.
Een kleine jongen in een mooi blauw matrozenpakje, staat aan het roer van een hele mooie droomboot.
Hij stuurt zijn vliegende boot door de nacht, en haalt één voor één de slapende kindertjes op.
In de boot zitten de kindertjes keurig naast elkaar en kijken hun ogen uit.
Ze vliegen tussen de slapende wolken door, en zien de sterren glinsterend naar hun lachen.
Zo nu en dan zien ze een ster die zich achterover laat vallen, en een sliert van goudstof achterlaat.
Snel draait het jongetje zijn roer om, en vliegt met zijn bootje dwars door deze gouden stof heen.
Lachend kijkt hij achterom en ziet dat de kindertjes onder het gouden sterrenstof zitten.
“We moeten nog één kindje ophalen!” roept hij en hij draait opnieuw aan het roer van zijn droomboot.
Ze dalen met een hoge snelheid dwars door de slapende wolken heen naar de bewoonde wereld, en komen aan bij het huis van een lief klein meisje.
Vlak voor haar slaapkamerraam komt de boot tot stilstand en de loopplank word uitgelegd.
De jongen loopt er overheen en klopt heel voorzichtig op het slaapkamerraam van het meisje.
Ze slaapt en droomt van de droomboot waar alleen maar kindertjes op zitten, en er komt een glimlach op haar slapende gezichtje tevoorschijn.
Opeens ziet ze in haar droom dat de jongen op de loopplank staat en tegen haar raam aan tikt.
In haar droom klimt ze uit haar bedje en loopt naar het raam toe.
Met beide handjes doet ze het raam open en lacht vrolijk.
“Ga je met mij mee mijn vriendinnetje? Kijk mijn boot wacht op jou…”
Het meisje keek en zag daar de kindertjes blij en vrolijk naar haar kijken.
Met het sterrenstof op hun gezichtjes zagen ze er zo mooi en stralend uit.
“Ga je met ons mee?” zei de jongen, terwijl hij zijn hand uitstak.
Het meisje keek naar de jongen en pakte voorzichtig zijn handje vast.
Samen liepen ze over de loopplank en stapten in de boot.
“Ga hier maar naast mij zitten”, zei hij trots. “Dan kun je alles goed zien.”
Het meisje nam plaats op het stoeltje naast de jongen die nu weer aan het roer stond.
“Ben je er klaar voor?” vroeg hij lachend.
Het meisje knikte blij en keek verwonderd om zich heen.
Alle kindertjes keken toe, terwijl het grote zeil gehesen werd.
Een enorme regenboog met vallende sterren was erop getekend en zag er prachtig uit.
Langzaam kwam de magische droomboot weer in beweging en alle kinderen keken naar de huizen onder hen.
De maan was vol deze nacht, en ze scheen haar heldere licht over de slapende wereld.
“Hou je goed vast”, zei hij tegen het meisje.
“We gaan nu echt vliegen”, en met een stralende glimlach riep de jongen:
“Up, Up, Up and fly Dreamboat!”
De boot schoot naar voren en vloog hoger en hoger.
Alle kinderen begonnen te klappen en riepen in koor:
“Up, Up, Up and fly Dreamboat!!”
Steeds hoger zeilde de droomboot door het heelal heen, en voer langs sterren en planeten.
Ze zeilden naar de andere kant van de aarde, en begroetten daar de zon die vlamde van geluk, en op zijn zonnestralen zeilden ze weer terug naar de donkere nachtelijke hemel.
Ze vlogen steeds verder het heelal in, en zeilden van de ene vriendelijke wolk met sterrenstof na de andere.
De kinderen waren nu gouden sterrenstof kindertjes geworden en ze lachten en zongen van plezier.
Vanuit het niets stond er opeens een Gouden-Engel in de boot.
Hij maakte een buiging naar de kinderen en de kinderen klapten in hun handen van ontroering en blijdschap.
“We zijn er bijna!” riep de jongen blij.
“Nog heel even en dan zijn we in Zomerland.
Laten we nog één keer de magische woorden roepen!”, riep hij, “dan zal de deur naar Zomerland voor ons open gaan.”
Hij ging naast het meisje zitten en riep samen met alle andere kinderen in koor: “Up, Up, Up Dreamboat and fly us to Summerland!”
De Gouden-Engel die nu aan het roer stond keek de kinderen lachend aan en riep:
“Zijn jullie er klaar voor!!” waarop alle kinderen in koor juichten.
Recht voor hen uit kwam een groot gouden licht tevoorschijn.
Alle kinderen keken vol verwondering naar dit mooie licht.
Heel voorzichtig voer de Gouden-Engel de tunnel van licht binnen.
Het was een lange tunnel en alle kinderen hielden hun adem in.
Het was zo spannend, dat iedereen nu muisstil was.
Aan het einde van de tunnel hoorden ze de vogels zingen, ze hoorden kinderen lachen, en in de verte hoorden ze een draaiorgel die het liedje over de droomboot speelde. Langzaam verminderde de droomboot vaart en kwam tot stilstand.
Het zeil van de boot verdween en de loopplank werd uitgevouwen.
Aan het einde van de loopplank stonden de jongen en de Gouden-Engel.
Met een buiging en een stralende lach zeiden ze: “Welkom in Zomerland, de enige Hemelse sfeer waar droomkinderen weer echt kind mogen zijn.
Eén voor één liepen de kinderen via de loopplank Zomerland binnen en speelden en lachten zonder zorgen.
Ook voor jou, het kindje dat nu straks slapen gaat, is de deur naar Zomerland altijd geopend.
Dus slaap zacht en ga mee op reis vannacht met de droomboot.
Wie weet zien we elkaar daar.
Het is nog vroeg en de zon komt langzaam op.
Een klein Elfen meisje doet de deur van haar huisje open en kijkt vanaf de berg het dal in. Iedereen slaapt nog en ze glimlacht.
Ze gaat op een grote steen staan die aan de rand van de berg staat.
Kijkt nog eens naar deze stille wereld onder haar, en zingt dan haar eerste noot.
Zuiver als de mooiste nachtegaal, zingt ze de andere Elfjes in het dal wakker.
Zelfs de vogels worden wakker en rekken hun vleugels uit.
Het belooft een mooie dag te worden, en wanneer iedereen wakker is geworden, stapt het kleine Elfen meisje van haar steen af, en loopt richting haar huisje.
Naast haar huisje staan een paar bomen die hoog de lucht in reiken.
In één van de bomen woont de wijze uil.
Elke morgen en elke avond zegt het kleine Elfen meisje: ‘Goedemorgen uil’ en ‘Goedenavond uil’.
Hij is de enige die voor haar wakker is en na haar gaat slapen.
Het kleine Elfen meisje had hier over nagedacht en was tot de conclusie gekomen, dat dit wel een hele wijze uil moest zijn.
Deze morgen nadat ze haar ochtendlied had gezongen, liep ze naar de boom toe en keek omhoog.
‘Goedemorgen uil, heb je lekker geslapen?’
De uil keek naar beneden en zag daar het kleine Elfen meisje staan.
Vloog van zijn tak af en daalde voor haar voeten neer.
‘Dag lief Elfen meisje, fijn dat je mij opmerkte.
Ik heb al een tijdje jou gadegeslagen en ik ben blij dat je nu naar me toe bent gekomen.
Je vraagt je zeker af, waarom ik voor jouw wakker ben en pas na jou ga slapen?’
De kleine Elf knikte met haar hoofdje.
‘Ja lieve uil. Het was me inderdaad opgevallen dat jij eerder wakker was.
Dan ben je zeker een hele wijze uil.’
De uil glimlachte naar het meisje, maar keek daarna weer zorgelijk.
‘Wat is er uil?’ vroeg het Elfen meisje.
De uil keek het meisje met tranen in zijn ogen aan.
‘Ach lief kind. Ik heb zo’n groot probleem, maar ik weet er geen raad mee.
Ik heb al van alles geprobeerd, maar ik dring niet door in hun gedachtewereld.’
Het Elfen meisje liep naar de uil toe en sloeg haar armpje om hem heen.
‘Vertel me nu eens wat er aan de hand is, misschien kan ik je helpen.’
De uil keek haar met zijn grote betraande uilenogen aan.
‘Ik hoop het mijn kind, echt ik hoop het.
Ik zie geen oplossingen meer, misschien dat jij met andere ogen naar mijn probleem kunt kijken’, en de uil veegde met één van zijn vleugels de tranen uit zijn ogen.
‘Het zit namelijk zo. Wij vogels kennen geen grenzen. Wij vliegen vanuit deze wereld zo een andere wereld binnen.
Nu ben ik een tijdje geleden een wereld binnen gevlogen en ik ben daar heel erg van geschrokken.
Ik ben gelijk weer naar deze wereld toe gevlogen, en heb ik alle uilen die ik ken bij elkaar geroepen.
Wij zijn met zijn allen teruggevlogen en wisten niet wat we zagen.
We zijn verder de wereld in getrokken en overal waar we keken was ruzie, oorlog, voedsel en waterschaarste.
De aarde trilt van angst en ze wordt misbruikt.
Ze roven haar leeg en toen we verder keken zagen we dat de bewoners van deze wereld niet vanuit dezelfde liefde leven zoals wij.
Ze hebben wel liefde, maar die liefde is niet echt.
Ze hebben liefde voor geld en macht. Ze willen altijd beter zijn dan de ander en ze gaan hierin zover, dat ze elkaar heel veel pijn aandoen.
Wij als uilen hebben van alles geprobeerd, maar ik weet me geen raad meer.
Wat moet er toch van deze wereld worden?’
De kleine Elf keek met betraande oogjes naar de uil.
‘Wat verschrikkelijk lieve uil. Ik weet over welke wereld jij nu praat.
Ik ben er eens lang geleden geweest, toen was het nog een prachtige wereld.
Er was geen angst, de liefde was voelbaar en de mensen die er woonden waren als Goden.
De sluiers tussen onze werelden waren toen nog open en we konden elkaars werelden bezoeken.
Daarna is het bewustzijn gedaald en is de angst in de mens gekropen en zijn de sluiers gaan verdichten.
Daarna ben ik nooit meer naar die wereld terug geweest.
Maar dat het nu zo erg was, had ik niet verwacht.’
De uil knikte. ‘Ja, het is heel erg.
Ze hebben grote fabrieken en lozen het vuile water in de rivieren die weer uitmonden in de zee.
Ze boren naar olie en steenkool en halen gas uit onze lieve Moeder Gaia.
Ze huilt, ze huilt zo hard, maar ze horen haar niet meer, omdat de mensen niet meer in contact staan met de natuur.
Ze begrijpen maar niet, dat Moeder Gaia hun het leven biedt en de mogelijkheid geeft om op haar te leren over hun zelf en de wereld waarin ze leven.’
‘Wat kan ik doen lieve uil’, vroeg het kleine Elfje zacht.
‘Ik ben bang dat ik niets voor hen kan betekenen, ik sta er ook maar alleen voor net als jullie uilen.
Misschien als we met zijn allen in deze wereld proberen de mensen in te laten zien, en dan hopen dat ze langzaam wakker worden.
Ik zal eens rond gaan vragen. Laten we morgen na zonsopgang weer hier afspreken, dan hoop ik dat we dan een oplossing hebben.’
De uil bedankte de kleine Elf en vloog weer terug naar zijn tak hoog in de boom.
Er mocht geen minuut verloren gaan en het kleine Elfen meisje pakte haar tasje met goudstof en vloog de berg af.
Ze vloog door het dal en zag overal de Elfjes en kaboutertjes plezier maken.
Ze waren zo één met de natuur en leefden in onvoorwaardelijke liefde.
Het Elfen meisje vloog over bossen en rivieren, ze zag het meer met haar watervallen en de duizend regenbogen.
Het was een wonderlijke wereld waar ze in woonde.
Ze zag dat de draken plezier maakten en ze doken via de zonnestralen de regenbogen door.
In de verte zag het Elfen meisje het paleis van de Feeën al staan.
Ze woonden midden in deze wereld, hoog op de hoogste berg.
Een smal pad liep kringelend langs de rotswand omhoog.
Het Elfje vloog hoger en hoger en kwam aan bij het paleis van de Feeën.
Een oude Fee zat buiten op een boomstronk en speelde met een Bosnimfje die maar bleef strooien met haar goudstof.
De oude Fee schaterde van het lachen en de Nimf bleef maar strooien.
Ze was in de leer bij deze oude leraar, en al spelenderwijs leerde hij haar alles.
Het kleine Elfen meisje daalde voor de oude Fee neer en boog haar hoofdje.
‘Dag kleine Elf, ik zag je van veraf aankomen. Wat kan ik voor je doen?’
Het kleine Elfen meisje vertelde het verhaal wat de uil haar verteld had en de Fee haalde een aantal keren zijn wenkbrauwen op.
Keek weer zorgelijk en luisterde verder.
Nadat de kleine Elf klaar was met haar verhaal, keek ze nieuwsgierig naar de oude Fee.
‘Zorgelijk, zeer zorgelijk’, zei de oude Fee.
‘Hier moet echt wat aan gedaan worden.
Dit kan niet langer wachten. Hou jij die kleine Nimf even bezig, ik ben zo terug.’
De Fee stond op en liep naar binnen.
Het Elfje ging op de boomstronk zitten en speelde met het kleine Nimfje.
Ze zong een klein liedje voor haar, en het Nimfje bleef maar uit plezier met haar goudstof strooien.
Na een tijdje kwam de oude Fee naar buiten gelopen met achter zich aan de andere Feeën.
Ze kwamen rond het kleine Elfje staan en de oude Fee zei: ‘We hebben een oplossing gevonden.
Wij hebben met de Hoogste Engelen gesproken vanuit de Hemel en we hebben besloten om morgenavond rond middennacht de sluiers tussen deze twee wereld open te maken.
Wij vanuit deze wereld, en de Engelen vanuit de Hemelse sferen gaan dan samen naar die wereld toe.
Wij bestrooien ieder met wat goudstof en kunnen dan zien wie er klaar voor is om wakker te worden.
Alleen diegene die wakker kunnen worden, zullen de wereld gaan redden van zijn ondergang van angst.’
‘Wat kan ik doen?’ vroeg het Elfje aan de oude Fee.
‘Jij gaat straks terug naar je huisje, mijn lief kind.
Het is nog geen avond, maar de Elfjes moeten naar bed. Morgen is een belangrijke dag en we kunnen morgennacht iedere hulp gebruiken.
Ga naar huis en zing je avondlied, ook al is het nog maar middag.
Vertel de uil dat we iedereen nodig hebben die nacht.
Hij zal er dan voor zorgen dan iedereen mee doet.’
De kleine Elfje knikte en bedankte de Feeën en kietelde het kleine Nimfje onder haar kin.
‘Ga morgenavond met de oude Fee mee, ik denk dat je dan heel veel kunt leren.’
De kleine Nimf glunderde en vloog naar de oude Fee terug en ging op zijn schouders zitten.
De kleine Elf keek nog eenmaal achterom en vloog richting haar eigen huisje.
Nadat ze was aangekomen liep ze gelijk naar de steen waar ze elke morgen en avond op stond.
De uil die in de boom zat keek toe wat het kleine Elfje aan het doen was.
Hij zag dat ze op de steen ging staan en zachtjes begon te zingen.
Gelijk gingen de Elfjes in het dal hun huisjes binnen en vielen in slaap.
Ook de kabouters, de draken en de Nimfen legden hun werk neer of stopten met spelen en gingen slapen.
Nadat de kleine Elf haar lied gezongen had, liep ze naar de boom die naast haar huisje stonden.
De uil vloog zijn tak af en vroeg aan het kleine Elfje: ‘Je bent bij de Feeën geweest, mag ik vragen wat ze jou verteld hebben?’
De Elf keek de uil verdrietig aan.
‘Ik heb in opdracht van de Feeën en de Engelen iedereen in slaap gezongen.
Morgen zal een lange dag worden en we kunnen ieders hulp goed gebruiken.
Ze hebben mij gevraagd of jij samen met de andere uilen iedereen wil voorbereiden op een nachtelijk avontuur.
Wij en de Engelen gaan morgennacht de sluiers openen en dan gaan we iedereen met goudstof besprenkelen.
Iedereen die klaar is om wakker te worden zal dan wakker worden.
Ze zullen in gaan zien dat er veranderingen moeten komen in hun wereld, en dat hun wereld word geregeerd vanuit angst en niet vanuit liefde.
Zij zullen de voorlopers, de lichtdragers worden.
Zij zullen ook weer anderen wakker maken, en zo zal langzaam iedereen één voor één wakker worden.’
De uil had met aandacht geluisterd en vond het een prachtig plan.
‘Ga slapen lieve uil, morgen zal het een lange dag worden.
Ik zal iedereen wat langer laten slapen, als jij morgen samen met je vrienden iedereen op de hoogte stelt, dan moet ons plan lukken.’
De uil knikte en bedankte de kleine Elf en hij vloog weer terug naar zijn tak.
Het kleine Elfen meisje keek naar de zon die hoog in de lucht stond en ze voelde de stilte die zo liefdevol was.
Met een glimlach sloot ze haar deurtje en viel in haar bedje in slaap.
De volgende dag nadat het Elfen meisje iedereen wakker had gezongen, was het druk in het dal.
De uil had iedereen voorbereid op de komende nacht en ook de draken waren druk en vlogen van berg naar berg.
De nacht viel in en iedereen werd een beetje zenuwachtig.
Dit zou een histories avontuur worden, waar ze eeuwen later nog over zouden praten.
Iedereen was klaar en de Engelen die hoog in de lucht zweefden, vlogen naar de sluiers tussen de twee werelden.
Met één gebaar waren de sluiers weg en was de weg naar de andere wereld open.
Iedereen vloog of rende die wereld in.
Elk mens werd besprenkeld met zuiver goudstof.
Degene die wakker werden zagen Elfjes vliegen, zagen de draken goudstof over hun wereld heen spugen.
Weer andere mensen werden wakker gemaakt door kleine schattige kabouters en weer anderen zagen de Engelen hun zegeningen uitspreken.
De mensen die wakker werden keken hun ogen uit en wisten niet wat ze zagen.
De liefde was zo voelbaar, een heel andere liefde dan waarvan zij dachten dat het liefde was.
De sereniteit, de vrijheid, dat zielengeluk was overweldigend.
Tegen de morgen was ieder mens aangeraakt, en ging ieder lichtwezen weer terug naar zijn eigen wereld.
De Engelen lieten de sluiers weer langzaam terugkomen, maar lieten er drie open.
Zo konden de mensen als ze echt goed keken, een kabouter of een Elfje zien.
Een aantal weken later, en nadat het Elfen meisje haar ochtend lied had gezongen, liep ze naar de bomen toe die om haar huisje stonden.
De uil was teruggekomen van zijn lange reis en het meisje zei: ‘Goedemorgen uil, heb je nog nieuws vanuit de andere wereld?’
De uil vloog van zijn tak af en daalde neer voor het Elfen meisje.
‘Ik ben net weer terug en ik kan je vertellen dat er al heel veel veranderd is.
Mensen vertellen elkaar over de Engelen, en de draken komen in vele sprookjes voor.
Het is alleen jammer dat ze niet goed gezien hebben dat ze goudstof spuugden, want ze vertellen elkaar nu dat ze vuurspugen, maar dat wordt in dit verhaal wel weer recht gezet.
Ik zag dat mensen echt wakkerder zijn geworden, en het worden er steeds meer.
Overal waar ik kijk zie ik wel ergen zelfgemaakte Elfjes, Engeltjes en kaboutertjes.
Ik zie boeken vol verhalen over ons. Boeken met een Levensboomverhaal met een levensles.
De wereld zelf is nog hart en nog vervuild, en moeder Gaia huilt nog steeds, maar ze krijgt nu wel iets meer liefde van de mensen die wakker aan het worden zijn.
Het gaat langzaam, maar er komt een tijd, dat ook de machtigste mensen in gaan zien, dat ze niet goed bezig zijn.
Zodra dat gebeurt, zal hun wereld naar een hoger plan getild worden.
Uiteindelijk zal de sluiers tussen onze werelden weer opgetrokken worden en kunnen we weer samen zijn,
in één wereld van liefde.’
De kleine Elf en de wijze uil, liepen naar de rand van de berg en keken het dal in.
In de verte zagen ze de draken vliegen, het paleis van de Feeën lag te stralen in de zon en de kleine Elfjes beneden hen waren vrolijk.
Daarna keken ze naar de sluiers die tussen beide werelden zat, en de kleine Elf draaide zich om, en keek naar de lezer van dit verhaal.
Heel zachtjes begint ze liefdevol te zingen, in de hoop dat ook jij wakker zal worden.
r was op een dag dat de wind met de donkere wolken speelde.
Ze waren onafscheidelijk.
Ze waren één, en waar de donkere wolken heen gingen, daar was de wind ook.
Tot op een dag de wind zag dat de zon scheen en zij even stilviel.
“Wij ben jij?” vroeg de wind en keek de zon nieuwsgierig aan.
“Ik ben liefde”, lieve wind.
“Wat is liefde?” vroeg de wind weer.
“Liefde is gewoon liefde, voel maar.”
En de zon streelde met zijn warme zonnestralen over de wind heen.
De wind zuchtte eens diep en voelde zich heerlijk.
“Wat voel je nu?” vroeg de zon.
De wind dacht even na.
“Ik weet het niet, ik kan niet denken als jij mij zo beschijnt.”
De zon glimlachte en de wind kreeg langzaam zijn gedachten weer terug.
Ze zag opeens dat zij niet hetzelfde was als de donkere wolken waar ze altijd samen mee speelde.
Zij voelde, dat ze tussen de zon en de donkere wolken in was komen te staan.
“Wat raar?” dacht de wind.
Als ik de zon voel, voel ik liefde voor alles en als ik met de donkere wolken samen ben, voel ik overal conflict.
We waaiden en we donderden en bliksemen en laten zien dat we boos zijn, maar ben ik eigenlijk wel echt boos?
Zij de wind wilde helemaal niet boos zijn, zij wilde vrij zijn!
En de wind begon zich af te scheiden van deze donkere wolken en ze begon zachtjes te blazen.
Steeds weer blies zij een donkere wolk weg.
En langzaam kwam het licht van de zon tevoorschijn en hij streelde met zijn warme stralen de vleugels van de wind.
Ze had voor de liefde gekozen.
Wanneer een grote uil vanaf zijn tak naar beneden kijkt, ziet hij een klein jongetje over het zandpad onder zich lopen.
De uil weet dat dit jongetje verdwaald is, omdat er in dit deel van het bos nooit kinderen komen.
“Hm, vreemd, hoe is dit jongetje hier verzeild geraakt?” vroeg de uil zichzelf af.
De uil spreidde zijn vleugels en vloog naar een andere boom.
Daar klemde hij zich met zijn klauwen op een dikke tak vast.
Vanaf deze plek had hij een veel betere zicht op hem, en zo zag hij, dat op het vuile gezichtje van het jongetje dikke strepen liepen, van de tranen die hij had gehuild.
De uil zag ook dat de jongen het koud had, doordat hij met zijn armpjes over elkaar heen geslagen deze probeerde warm te wrijven.
Het begon al donker te worden en de uil had het met hem te doen.
Hij hoorde hier niet en het was gewoon te gevaarlijk om als kindje in dit diepe woud alleen te lopen. De uil dacht eens na.
Wat kon hij doen om dit jongetje te helpen, zonder dat hij in de gaten had dat de uil hem hielp.
Het jongetje kon namelijk van hem schrikken en dat was het laatste wat de uil wilde.
Opeens wist hij het. Niet ver hier bij hem vandaan, was een onzichtbare weg naar het licht.
Niet iedereen wist van deze weg af, maar de uil had de weg lang geleden per ongeluk ontdekt.
Hij vloog toen door het donkere bos en volgde de wegen van het woud.
Totdat hij opeens vanuit het donkere bos een andere wereld binnen vloog.
Hij was enorm geschrokken en nadat hij achterom had gekeken, was het bos verdwenen.
Hij was een tijdje in deze mooie wereld gebleven en had daar rondgevlogen en de sferen van het licht onderzocht.
Overal waar hij kwam was zoveel liefde en rust.
Overal waar hij keek, was daar een sereniteit die zijn hart verwarmde.
Totdat na enige tijd er een Engel op hem af kwam gelopen die zei: “Dag lieve uil.”
Hij die eerst boven in een boom had gezeten en daar alles vanaf een afstandje bekeek, kwam toen naar de laagste tak gevlogen en antwoordde: “Dag lieve Engel”, terwijl hij voor de Engel een lichte buiging maakte.
“Heb je alles kunnen bekijken uil?” vroeg de Engel.
“Oh ja, ik heb de sferen van licht bezocht en heb daar zoveel mooie en liefdevolle Engelen gezien.
Ik heb de Dierenwereld opgezocht, waar de dieren vredig naast elkaar leven.
Ik ben in Zomerland geweest, de wereld waar alle kinderen naartoe gaan als ze slapen en ik heb zelfs de Waterwereld gezien.
Alles is even prachtig!”
“Dan is het nu weer tijd om naar je eigen wereld terug te gaan lieve uil.
Ik wil je graag een belangrijke taak geven.
Die taak houdt in, dat je goed op iedereen die in jouw wereld verdwaald is moet letten”, zei de Engel.
De uil keek de Engel verbaasd aan.
“Ik heb nog nooit iemand gezien die in onze wereld verdwaald is, omdat daar waar ik woon, het woud te dicht en donker is.”
De Engel glimlachte en keek de uil liefdevol aan.
“Dat weet ik lieve uil, maar de seizoenen zijn veranderd en er komen steeds meer kinderen bij die verdwalen.
Ze zijn zichzelf niet meer, omdat ze moeten leven, zoals alle andere mensen dat willen.
Ze mogen niet meer rennen als ze willen rennen.
Ze mogen niet meer spelen als ze willen spelen.
Ze mogen geen kind meer zijn, omdat ze aan de toekomst moeten denken.
Ze moeten zich gedragen en netjes zijn.
De kinderen raken steeds sneller de vrijheid van kind zijn kwijt.
Ze mogen steeds minder en moeten steeds meer.
Daarom wil ik je vragen om naar deze kinderen uit te kijken als ze het donkere en diepe woud binnen lopen.
Jij weet nu de weg naar het licht en ik wil je vragen om deze kinderen naar ons te begeleiden.
Dan zorgen wij dat ze weer kind mogen en kunnen zijn.
Wil je met ons samenwerken?”
De uil hoefde hier niet over na te denken en stemde hier gelijk mee in.
En zo zat hij elke dag vanuit zijn hoge plek in de boom naar beneden te turen om te zien of er ergens een verdwaald kindje was.
Vele jaren gingen er voorbij waarbij geen enkel kind zich in dit diepe woud durfde te begeven. Tot vandaag!
Voor de uil was dit een schok en zo onverwachts, en hij was daardoor de weg naar het pad van het licht bijna vergeten.
Daarom moest hij nu heel goed nadenken over hoe hij dit jongetje het beste kon helpen.
Het jongetje liep onder zijn boom door en liep steeds verder het diepe bos in.
De vuurvliegjes kwam nu tevoorschijn en verlichtten enigszins het pad van de jongen.
Vermoeid ging hij op een grote steen die langs het pad lag zitten en begon opnieuw te huilen.
Wel zag hij door zijn tranen de vuurvliegjes, maar hij kon er niet blij om worden.
Hij zag ook de gele ogen van de nachtvogels die op hem neerkeken.
“Ik ben zo bang”, huilde het jongetje en hij sloeg zijn handjes voor zijn ogen.
Hij durfde niet meer te kijken.
De uil had nu geen keus meer.
Hij moest nu naar het verdwaalde jongetje toe vliegen, zodat hij hem zo snel mogelijk kon helpen om uit dit bos te komen.
“Oké uil”, zei hij tegen zichzelf. “De opdracht die de Engel mij heeft gegeven mag nu beginnen.
Hopelijk is de poort naar de wereld van liefde nog open…” En hij vloog naar de jongen toe en ging voor hem op de grond zitten.
“Hm”, zei de uil en hij keek omhoog naar de jongen.
“Dag jongetje. Ik zie dat je verdwaald en bang bent.
Vind je het misschien fijn als ik je help?”
Het jongetje haalde heel voorzichtig zijn handjes voor zijn gezicht weg.
Hij keek naar beneden, waar hij een grote uil voor zich op de grond zag zitten.
Heel even schrok het jongetje, want hij had nog nooit zo’n grote uil gezien.
“Niet bang zijn lief kind, ik zal je helpen. Loop maar achter mij aan.”
De uil vloog op en keek even achter zich, om te zien of het jongetje hem wel volgde.
De jongen was van zijn steen afgeklommen en liep achter de uil aan.
De vuurvliegjes vlogen aan weerskanten van het pad naar het licht, om deze goed te kunnen verlichten.
De jongen was nu niet meer bang en probeerde de uil bij te houden.
Opeens zag hij dat de vuurvliegjes niet meer langs het pad vlogen, en hij zag dat de uil in het niets verdween.
Onmiddellijk bleef het jongetje staan en keek verward om zich heen.
“Waar moet ik naartoe uil? Waar ben je?” vroeg hij met een wat bibberend stemmetje.
Een nachtvlinder kwam naar hem toe gefladderd en ging op zijn schouder zitten.
“Ik zal je helpen. Kom, loop maar even een stukje verder over dit pad, dan ga ik met je mee naar die mooiere wereld waar je niet bang hoeft te zijn.”
Het jongetje knikte en zette heel voorzichtig een stapje verder en nog één en langzaam liep hij verder het donkere bospad op, totdat hij een stapje zette en zo een andere wereld binnenstapte.
Opeens was het niet meer donker, maar was alles licht van kleur.
Hij had het niet meer koud, want alles voelde zo warm en sereen aan.
De nachtvlinder die eerst op de schouder van het jongetje had gezeten, was nu een mooie grote vlinder die hem blij aankeek.
“Weet mijn kind dat je altijd een keuze hebt.
Jij bent zelf de baas over wat jij wilt in het leven.
Vind je iets niet leuk, verander dan je keuze, totdat je iets kunt gaan doen wat je wel leuk vindt.
Dat is waar het leven om draait, datgene doen wat jij leuk vindt.
Geniet van Zomerland en leer weer te spelen als een kind.
Door weer kind te zijn en te spelen als een kind, ben je het dichtst bij wie je echt wilt zijn.
Geniet van je kind zijn!” zei de vlinder, waarna hij weg fladderde en plaatsnam op een geurende bloem.
De uil die in deze wereld op hem wachtte maakte een buiging en zei: “Welkom in Zomerland.
Zomerland is de wereld waar ieder kind weer kind mag zijn. Ga je mee?”
Het jongetje keek blij om zich heen en zag het grote gouden hek van Zomerland in de verte staan.
Met grote letter stond er ‘Zomerland’ op geschreven.
De jongen keek zijn ogen uit.
De grote rode robijnen en kristallen, waarmee het hek versierd was, glinsterden in de zon.
De Gouden Engel die bij het hek de wacht hield, opende de poort en het jongetje liep naar binnen.
De uil vloog voor hem uit.
“Welkom mijn kind”, zei de Gouden Engel. “Loop maar rechtdoor, daar zal jouw Engel op je wachten.”
De jongen liep Zomerland binnen en hij keek zijn ogen uit.
Overal zag hij spelende kinderen die allemaal hun Engel bij zich hadden.
Hij zag een attractiepark en een waterpark met glijbanen waar joelende kinderen vanaf gleden.
Hij had nog nooit zoveel kinderen bij elkaar gezien die zo blij waren. Want dat waren ze, zo blij.
“Dag Tom, welkom in Zomerland.
Ik ben jouw Engel en ik laat je Zomerland zien.
Elke avond, wanneer je naar bed gaat, zal je hier naartoe gehaald worden.
Je mag hier dan in je dromen spelen, net zolang tot je weer onbezorgd kunt spelen als een kind.
Dat kan alleen maar als je jezelf op de eerste plaats zet, en die dingen doet waar jij blij van wordt.
Het leven is namelijk één groot avontuur en jij mag zelf beslissen, hoe jouw avontuur eruit komt te zien.
Vind je iets niet leuk, dan stop je ermee en doe je wat je wel leuk vindt.
Blijf op die weg van je ware zelf lopen en vraag jezelf telkens af: Is dit nog steeds de mooiste weg die ik voor mijzelf gecreëerd heb?
Als je dat doet, verdwaal je nooit meer en zal je leven één groot avontuur worden.
Alleen jij hebt die keuze om te veranderen.
Ik zal vanaf nu altijd bij je zijn, maar jij bepaalt de weg.”
De jongen had goed naar de Engel geluisterd en keek vol opwinding naar het reuzenrad dat midden in het attractiepark stond.
“Mag ik nu spelen?” vroeg hij opgewonden.
“Maar natuurlijk Tom, ik ga met je mee! Maar eerst bedanken we de uil.
Hij heeft je namelijk naar hier naartoe gebracht.”
De jongen knikte. Hij ging voor de uil staan en zei: “Dank je wel dat je mij geholpen hebt!
Ik zal je altijd dankbaar zijn, maar mocht ik mijn weg vergeten en verdwalen, zou je mij dan weer terug naar Zomerland willen brengen?”
De uil pinkte een traan uit zijn ogen weg en keek de jongen liefdevol aan.
“Altijd mijn kind. Ik zal er dan voor zorgen dat je weer terug kunt naar het licht, want daar hoor je thuis.
Ga nu op zoek naar je eigen kinderlijke onschuld en leer de dingen die jou verder helpen.
Geniet en je zal de liefde vanuit jezelf uitdragen, door jezelf te zijn. Een kind van liefde."
Opeens was de uil weg en de jongen keek verschrikt naar de Engel.
“De uil is terug naar het woud.
Mocht er nog eens een kindje zijn kant op komen, dan zal hij dit kindje naar Zomerland begeleiden, net zoals hij dat bij jou heeft gedaan.
Maar zullen we nu gaan spelen?”
De jongen knikte en samen renden ze naar de reuzenrad, over de weg naar altijd kind te zijn.
