~ ♥ Sluierverhalen 6. ♥ ~

~ ♥ Volle Maan ♥ ~

Als de zon aan de horizon verschijnt, en de eerste zonnestralen het land beschijnen, zingt een kleine Elf die hoog boven op een berg woont, haar ochtendlied.

De vogels worden wakker en zingen vrolijk met haar mee.

Sanne, een klein meisje die aan de waterkant ligt te slapen word wakker.

Ze glimlacht.

Het is heerlijk om elke morgen wakker gezongen te worden door de kleine Elf.

Dan kijkt het meisje naar het water. De Water-Engelen die nog hand in hand op het wateroppervlak liggen, worden langzaam wakker.

De Water-Engelen lijken op een meermin, alleen zijn ze veel kleiner en hebben ze vleugels. Ze behoren tot de groep Engelen die in de Hemelen wonen.

Alleen wonen zij in een waterwereld, dat vlak bij de waterwereld in de Hemel ligt.

Als het volle maan is, gaan ze plat op hun rug liggen en houden ze elkaars handjes vast. Hun lange witte haren waaierden dan over het kabbelde water heen, en zodra de zon onder gaat gaan ze heel zachtjes hummen.

“Hmmmmmm, Hmmmmmm, Hmmmmmm.”

 

Sanne had dit al eens eerder meegemaakt. Ze mocht met de Water-Engelen mee op reis.

Ze was via de rivier samen met hen de zee in gezwommen.

Daar had ze haar beste vriend Alba de Albatros leren kennen en hij reisde met hen mee.

De Water-Engelen zwommen in formatie samen met de dolfijnen en de walvissen richting de helende wateren. Eenmaal daar aangekomen, mochten ze onderwaterreizen maken en zag ze hoe het paringsritueel hoog in de lucht gehouden werd. Prachtig vond Sanne dit.

Ze had zoveel vrienden gemaakt waar ze ook weer afscheid van moest nemen. De reis ging namelijk verder.

Zo zwommen ze de kanalen binnen om zo midden tussen de hoge bergen het meer in te zwemmen.

 

Sanne die aan de waterkant zat, dacht terug aan die fantastische reis.

Ze had een beetje heimwee. Het mooiste vond ze toch de Hemelse reizen midden in de nacht.

Ze mocht dan samen met de Water-Engelen mee naar de Hemelse sferen wanneer het volle maan was.

Dan humde ze met de Water-Engelen mee, en aan de andere kant van de sluiers stond de Gouden-Engel die haar opwachtte.

Hij heeft haar de Hemel laten zien.

Er is zelfs een boek over haar en Alba en de Water-Engelen geschreven, want Jolanda de schrijfster van het boek, reisde in het verhaal gewoon met hen mee.

Ja, heel bijzonder was het allemaal.

Nu zat Sanne aan de waterkant. Ze wilde nog eens een maanritueel meemaken en vanavond is het volle maan.

Ze keek naar de Water-Engelen die nu allemaal wakker waren geworden en begonnen te spelen en plezier te maken met de kleine Water-Engel Baby’tjes.

Vertederd keek Sanne naar dat kleine grut.

 

Dan draait ze haar hoofdje naar jou als lezer en vraagt: “Ga je vanavond met mij mee?

Je hoeft bij het naar bed gaan, alleen maar in jezelf te gaan hummen.

Je zal dan opgehaald en meegenomen worden naar de werelden van het licht.

Je zal de Hemelen van liefde binnen treden, en je zal aangeraakt worden.

Laat je meevoeren naar dat zuiverste licht dat dan op je schijnt, en laat het je thuisbrengen.

Want de werelden van licht, zijn dichter bij je dan je denkt.

Neem je mijn uitnodiging aan? Ga je met mij mee?”

~ ♥ De Kleine Zonderelf ♥ ~

Er was eens een kleine Elf.

Ze woonde op een zolder, vanwaar ze elke ochtend vanuit het raam naar buiten keek. 

Ze zat dan op een houten kist en in haar handen hield ze stevig een gouden sleutel vast.

Ze verlangde ernaar om naar buiten te gaan, maar ze durfde niet.

Bang voor de andere Elfen, en om dan de inhoud van haar kist te moeten laten zien.

De kleine Elf huilde en drukte de gouden sleutel dicht tegen haar hartje aan.

Zo gingen er weken, maanden en jaren voorbij dat de kleine Elf uit het raam naar buiten keek.

Elke dag verlangde ze ernaar om naar buiten te gaan, maar ook elke dag kwam er meer angst bij, om de inhoud van haar kist aan anderen te verliezen.

 

Op een dag kwam er een wijze uil langs gevlogen.

Hij kwam net thuis van zijn avondje uit.

Het was hem al vaker opgevallen dat de kleine Elf elke morgen naar buiten zat te staren, en nu hij langs het raam vloog zat ze er weer.

De uil werd nieuwsgierig. Hij vloog door het open raam naar binnen en ging voor de kleine Elf op de grond zitten.

“Waarom ben je zo verdrietig?” vroeg de uil.

De kleine Elf keek op en zei: “Dag uil. Ik wil zo graag naar buiten, maar durf dat niet. Ik ben bang dat, zodra ik naar buiten ga, ik dan de inhoud van mijn kist moet delen met anderen.”

 

De wijze uil keek naar buiten.

“Daarbuiten is een hele mooie wereld.

Het is zó groot, en ik als vogel kan door de sluiers heen vliegen.

Zo vlieg ik van de ene mooie wereld naar de andere.

Daarbuiten ontmoet je de mooiste en liefste vrienden.

Daarbuiten kun je zoveel leren en er is zoveel liefde”, vertelde de uil en sloeg even met zijn vleugels tegen zijn hart.

“Misschien hou jij jezelf wel gevangen hier op deze zolder en moet je juist kijken naar je schatten die je in die kist bewaart.

Zullen we samen de kist eens open maken?”

 

De kleine Elf huilde nu zachtjes, maar ze gleed toch van haar kist af en stond nu naast de wijze uil.

Ze knikte. Ze wilde niet meer bang zijn, en ze wilde de wereld in, maar haar angst hield haar tegen.

De uil keek haar aan en zei: “Je moet het wel zelf doen.

Ik mag je daarbij niet helpen, maar ik ben wel bij je.”

De kleine Elf zette een stap naar voren en deed de gouden sleutel in het slot. Dan draaide ze de sleutel om en opende de kist.

Heel voorzichtig haalde ze een oude teddybeer uit de kist en drukte deze dicht tegen zich aan.

“Deze heb ik van mijn vader gekregen, maar hij leeft niet meer.

Ik ben bang om haar te verliezen.”

“Je kunt ook de buitenwereld in gaan en aan iedereen vertellen hoe speciaal deze teddybeer voor jou is, en je verhaal over je vader met anderen delen.

Ik weet zeker dat er veel meer Elfjes zijn die net als jij een vader hebben, die niet meer leeft. Dan kunnen jullie elkaars verhalen delen.

Wat zit er nog meer in de kist?” vroeg de uil nieuwsgierig.

 

De kleine Elf pakte er een boekje uit en bladerde er doorheen.

Ze had daar vroeger kleine verhaaltjes en gedichtjes in geschreven.

Deze gingen over haar eigen verdriet en pijn, maar ook over haar liefde en geluk.

“Wat is dat voor een boekje?” vroeg de uil.

“Hierin heb ik mijn emoties verwoord, zodat ik ze voor altijd bij me kan houden.”

“Zou het misschien fijn zijn, om deze te delen met anderen?

Ik weet zeker dat er meer Elfjes zijn, die net als jij, hetzelfde hebben meegemaakt. Door jouw verhaaltjes en gedichtjes kunnen ze zichzelf hierin herkennen en kunnen ze, net zoals wat jij nu doet, kijken naar hun eigen verdriet en angst. Zo help je de ander.”

“Is dat werkelijk waar uil? Kunnen mijn verhalen en gedichten een ander helpen?”

De uil lachte. “Ja mijn lieve Elf, dat kunnen ze zeker.

 

Wat heb je nog meer in de kist liggen?”

De kleine Elf bukte zich en haalde een ketting met een rood hartje eraan uit de kist.

“Deze ketting heb ik ooit eens van een andere Elf gekregen.

Ik vond dit zó lief, dat ik hem niet om durfde te doen.

Omdat ik bang was hem te verliezen.”

De uil keek het kleine Elfje met enig ongeloof aan.

“Oh wat erg! Je krijgt zoveel liefde en je verstopt het?

Ben je dan zo bang om de liefde te verliezen?

Wat als je die ketting nu eens omdoet? Dan heb je hem altijd bij je.

Dan kan niet alleen jij, maar kunnen ook andere Elfjes de schoonheid ervan zien!”

De uil pakte de ketting uit haar handen en deed de ketting bij haar om.

Het rode hartje straalde en met haar kleine vingertjes raakte de kleine Elf het hartje even aan.

“Je hebt gelijk lieve uil. Zoiets moois mag ik niet verstoppen.”

 

De uil keek in de kist en zag dat deze nu leeg was.

Hij deed de deksel dicht en keek de kleine Elf aandachtig aan.

“Deze gouden sleutel is er niet voor, om alles wat je bezit op te sluiten.

Deze sleutel is er juist voor, om de kist te openen en de inhoud te delen met de wereld.”

De kleine Elf lachte blij en bedankte de wijze uil.

 

Vanaf die dag ging ze elke dag naar buiten en ontmoette ze gelijkgestemden. Schreef ze de mooiste gedichten en verhalen en deelde deze met anderen.

En iedereen zag haar mooie ketting met het rode hartje stralen.

Elke dag zag ze een beetje meer van de wereld die voor haar voeten lag.

Een wereld van vrijheid, van bewustwording en van onvoorwaardelijke liefde.

Want er is maar één sleutel tot het hart, en deze moet je open maken en niet gesloten houden.

En elke dag keek de wijze uil toe vanaf zijn tak, naar hoe de kleine Elf mooier. straalde en liefdevoller werd. 

~ ♥ Een nieuwe Weg ♥ ~

Wanneer de eerste zonnestralen haar kamer binnen komen wordt een kleine Elf wakker. Ze veegt haar oogjes uit en kijkt door het raam naar buiten.

Het belooft een stralende dag te worden.

Ze stapt haar bedje uit en wast zich bij de kraan.

Dan trekt ze haar mooiste jurkje aan en bekijkt zichzelf in een mooie ronde spiegel die aan de muur hangt.

Ze herkent zichzelf als een lief klein Elfje, maar de Elfjes in het dorp vinden haar niet zo leuk. Ze heeft hier veel verdriet van en ze doet er alles aan om zich maar geliefd te voelen.

Vandaag is het een speciale dag.

Een Elf in het dorp geeft een heel groot feest en iedereen is uitgenodigd, behalve dit kleine Elfje.

De kleine Elf ging voor haar huisje op een bankje zitten, en keek toe, hoe iedereen in feeststemming richting de grote oude eik liep.

Daar zal vandaag het feest zijn.

Ze hadden slingers opgehangen en overal hingen lantarens in de bomen en zodra het avond werd, zouden deze aangestoken worden.

De kleine Elf keek naar de feestgangers en er was er niet één die zei: “Hé, kleine Elf, ga je met ons mee feestvieren?”

Nee, iedereen liep haar straal voorbij.

De kleine Elf had geen idee waarom de andere Elfjes haar niet leuk vonden.

Ze was toch net als zij, er was niets anders aan haar te zien.

Misschien omdat ze anders was met haar ideeën, misschien dat het daardoor kwam, maar zeker weten deed ze het ook niet.

 

Nadat de feestgangers voorbij waren getrokken, zat de kleine Elf alleen op het bankje en keek verdrietig voor zich uit.

Ze hoorde de muziek die door het bos heen galmde en ze hoorde iedereen zingen.

Ze rook de zoete geuren van de lekkernijen en ze keek zo nu en dan in de richting van de oude eik.

Daar zag ze de Elfjes dansen en plezier maken.

Kleine glinsterende traantjes gleden over haar wangetjes en ze veegde ze met haar hand van haar gezichtje af.

Ze had er alles aan gedaan om bij deze Elfengroep te kunnen horen, maar telkens als ze dat deed, merkte ze op, dat hoeveel meer ze haar best deed, hoe gemener de andere Elfjes werden. Ze wist wel dat ze zichzelf had weggegeven, maar wat kon ze anders?

Moest ze dan altijd maar alleen blijven?

De kleine Elf stond op en keek nog voor de laatste maal naar de oude eik met al zijn feestgangers en liep bij haar huisje vandaan het dichte woud binnen.

 

Ze wilde hier niet meer wonen, daarom had ze deze ochtend besloten om hier weg te gaan.

Ze had een kleine rugzak gepakt, met daarin een appel en een kannetje water voor onderweg en een schoon jurkje, meer had ze niet nodig.

Ze had hun nog een laatste kans gegeven om haar uit te nodigen, maar ze wist wel dat dit niet zou gebeuren.

Met lede ogen had ze de feestgangers naar het feest zien gaan en nu liep ze richting het donkere woud, waar zij en de andere Elfjes nog nooit waren geweest.

De reden was dat het daar zó donker moest zijn, maar dat waren verhalen van horen zeggen.

Nu bewandelde ze door het woud en keek om zich heen.

Langzaam werd het stil in het woud en de feestmuziek ebde langzaam weg.

De kleine Elf liep over het bospad en genoot van deze rust.

Ze merkte dat ze zelf ook rustig werd en begon een lief klein wijsje te neuriën.

Ze zag dat de bomen hier veel ouder waren en dat het pad waarop ze liep langzaam vervaagde en ze nu zelf een weg moest zoeken.

Ze klom door struiken en bossen en ze schramde haar kleine lijfje, maar de kleine Elf had het zo naar haar zin.

Ze was op ontdekkingstocht en ze kwam in een volledig andere wereld terecht.

Ze merkte op, dat ze op deze manier heel veel oud verdriet los kon laten en niet meer met zich mee hoefde te dragen.

Ze wandelde niet meer op het pad dat iedereen liep. Nee, ze creëerde haar eigen weg.

 

Het werd bijna donker. De kleine Elf had bijna de hele dag gewandeld.

Ze ging onder een oude dikke eik op het zachte groen mos liggen.

Liggend op haar rug keek ze naar de grote dikke takken boven zich en vroeg: “Lieve eik, mag ik onder jouw takken en bladeren schuilen vannacht?”

De oude eik ritselde wat met zijn bladeren en de kleine Elf viel langzaam in slaap.

De volgende ochtend werd ze wakker gemaakt door de stralen van de zon.

Ze deed haar oogjes open en keek om zich heen.

Het kleine Elfje zag een grote Fee voor zich staan, die haar nieuwsgierig aankeek.

“Ben jij niet een beetje verdwaald kleine Elf?” vroeg de Fee en het kleine Elfje schudde haar hoofdje.

“Waarom ben je dan door het donkere en diepe woud heen gegaan?” vroeg de Fee nu.

De kleine Elf glimlachte en antwoordde: “Waar ik eerst woonde voelde ik mij niet thuis.

Ik probeerde aansluiting te vinden bij de andere Elfjes, maar wat ik ook deed, het lukte me niet.

Ik probeerde hun weg te lopen, maar ik merkte op dat dat niet mijn weg was.

Daarom ben ik daar weggegaan en heb ik mijn eigen weg uitgekozen.

Deze weg was om dwars door dit diepe en donkere woud heen te gaan.”

 

“Ah, nu begrijp ik waarom je deze wereld binnen bent gewandeld.

Mag ik je vragen om met mij mee te gaan?”

De kleine Elf knikte en stond op.

Ze keek naar de oude eik en zei: “Dank je wel eik.

Fijn dat ik vannacht onder uw takken en bladeren mocht slapen. Ik voel me heerlijk uitgerust.”

Weer ritselden de bladeren en de kleine Elf liep naast de Fee mee door het woud.

Eerst moesten ze zich nog een weg dwars door de struiken heen banen, maar al snel kwam de kleine Elf samen met de Fee bij een gouden pad uit.

“Kijk”, zei de Fee. “Dit is jouw nieuwe weg, jouw ware weg.

Blijf deze volgen en je zal niet alleen jezelf terugvinden, maar ook de plek waar je thuis hoort. Ik wens je een hele mooie reis toe!”

De Fee boog zijn hoofd en vertrok.

 

De kleine Elf keek naar haar weg en de zon deed haar weg nog mooier lijken.

Ze stapte op haar weg en meteen voelde ze een gevoel van thuiskomen door zich heen stromen.

Ze voelde een liefde, waar ze in het Elfendorp zo naar had verlangd en niet had kunnen vinden.

Ze zag dat naast haar pad perkjes met Lelietjes van Dalen groeiden en struiken met geurende kamperfoelie.

De geur van bloemen was overal en ze zag dat de bomen hier nog ouder en dikker waren.

Dit was het oude bos, waar ze weleens verhalen over had gehoord, maar waar nog niemand naartoe had durven gaan.

Nu was zij hier en ze keek haar ogen uit.

Ze keek eens naar links en dan naar rechts en ze besloot om recht het pad te volgen.

 

Mooie grote vlinders fladderden om haar heen en de zon bestraalde haar pad.

De kleine Elf was overgelukkig.

Opeens kwam ze aan op een open plek midden in het woud en ze keek naar de oude bomen die rondom de open plek stonden.

Overal hingen slingers en lantarens in de bomen.

De kleine gekleurde huisjes dansten door de wind een beetje heen en weer.

Bij de dikste oude eik zag ze Elfjes dansen en feestvieren.

Heel even dacht de kleine Elf dat ze terug was in haar oude Elfendorp, maar ze besefte meteen dat dit niet zo was.

Dit Elfendorp was veel kleurrijker, gezelliger en liefdevoller.

Er kwam direct een oude man op haar af gelopen. Hij zag er bijzonder uit.

Hij had een lange baard en een mantel vol sterren aan.

Hij had een mooie punthoed op zijn hoofd.

Nu boog hij zich naar de kleine Elf.

“Welkom kleine Elf, ik had je al verwacht. Je bent net op tijd voor het grote feest dat we ter ere van jou hebben georganiseerd.

Gewoon om je welkom te heten.

Ga je met mij mee?” vroeg de oude man terwijl hij zijn hand uitstak.

De kleine Elf ging op zijn hand zitten en samen liepen ze naar de oude eik waar het feest was.

Iedereen week opzij en keek opgewonden naar hun nieuwe bewoonster.

“Wij hebben onder de oude eik al een huisje voor je ingericht en wij vinden het allemaal zó fijn dat jij je bij ons aansluit.

Wij zijn allemaal net als jij, en ieder van ons heeft deze weg gevonden naar deze wereld van liefde.

Welkom kleine Elf!” Alle Elfjes begonnen te juichen en verwelkomden de kleine Elf.

Nu nog steeds woont de kleine Elf in haar nieuwe wereld en elke dag zoekt ze samen met de andere Elfen een nieuwe weg diep in zichzelf, en in de wereld waar ze nu leeft.

Want elke dag is er wel iets nieuws te ontdekken.

Elke dag is er wel iets nieuws te leren, en samen zijn ze op weg naar de weg van onvoorwaardelijke liefde.

~ ♥ Gouden Hartliefde ♥ ~

Wanner een kleine jongen buiten is, kijkt hij vrolijk om zich heen.

Hij ziet de zon door de bladeren van de bomen heen schijnen en er komt een lach op zijn gezicht.

De vogels in de bomen geven een fluitconcert en de ene vogel zingt nog mooier dan de andere.

Dan kijkt hij naar zijn huisje waar hij samen met zijn ouders woont.

 

Vader komt naar buiten en gaat naast zijn zoon staan. Hij kijkt, net als de jongen, naar de eerste zonnestralen.

“Wat ga jij vandaag doen mijn zoon?” vraag hij nieuwsgierig.

De jongen kijkt zijn vader aan en haalt zijn schouders op.

“Ik weet het niet vader. Ik denk dat ik maar een leuke hut ga bouwen hier in het bos, maar van de andere kant, waarom zou ik dat gaan doen?

Ik heb geen vriendjes waar ik mee kan spelen.”

 

Vader aaide de jongen door zijn haar.

“Ik weet het mijn kind, ik kan er ook niets aan doen dat wij zo ver van de stad af wonen. Maar het is wel zo, dat jij heel speciale vriendjes hebt.

Hoor de vogels zingen en zie daar de reeën lopen. Dat is toch ook prachtig?”

 

De jongen knikte. Hij voelde zich vaak alleen. Hij ging niet naar school en hij had geen vriendjes.

Zijn ouders waren de enige mensen die hij zag.

“Waarom wonen wij zover weg?” vroeg de jongen nu.

Vader keek zijn zoon weer aan en zei: “Mijn werk bestaat uit het verzamelen van dennenappelen, die ik zodra ik hier veel van heb, naar de stad toe breng. Ik vind dit fijn werk.”

 

De jongen was nog nooit in de stad geweest en de andere dorpen lagen te ver weg.

Een roodborstje kwam aangevlogen en ging voor de jongen op de grond zitten.

Hij tjilpte en keek de jongen met zijn kleine kraaloogjes nieuwsgierig aan.

De jongen verkruimelde een klein stukje brood, wat hij in zijn broekzak had bewaard en stak zijn hand naar voren.

Het vogeltje kwam onmiddellijk op zijn hand zitten en pikte de broodkruimels voorzichtig van zijn hand.

 

“Je mag vandaag wel met mij mee naar stad”, zei vader onverwacht.

“Ik moet er vandaag toevallig toch heen.”

De jongen keek zijn vader met enig ongeloof aan en vloog hem om zijn hals.

“Echt papa, mag dat echt?”

“Pak je jas, dan vertrekken we gelijk.”

 

Moeder had al wat boterhammen klaargemaakt voor onderweg en toen ze alles hadden, pakte vader zijn kruiwagen die vol zat met dennenappels.

 

Samen liepen ze door het bos.

Het was best ver vond de jongen.

Hij was nog nooit zo ver van huis geweest.

Ze liepen over de paden van het grote boos waarin hij met zijn ouders woonde.

Het was stil en de jongen en zijn vader hadden ieder zo hun eigen gedachten.

De jongen zag onderweg heel veel dieren die even bleven staan om naar de voorbijgangers te kijken. 

 

Na een aantal uren lopen hoorde hij in de verte lawaai.

Hij hoorde getoeter en bellen rinkelen.

“Wat is dat voor lawaai papa?” vroeg hij geschrokken.

“Dat zijn de auto’s en de trams.”

De jongen had nog nooit auto’s en trams gezien en het lawaai kwam als een muur op hem af.

 

Het bos werd dunner en ze zagen de eerste huizen met hun zwembaden.

De jongen keek zijn ogen uit, want hij kwam uit zo’n andere wereld.

Hij hoorde het geluid van grasmaaiers en van spelende en joelende kinderen en hij keek nieuwsgierig om zich heen.

Het bos had nu plaats gemaakt voor huizen, straten en fabrieken.

Het lawaai van de auto’s, bussen en trams kwam vanuit alle straten en verwonderd keek de jongen om zich heen.

 

Vader bleef opeens staan. “Wacht”, zei hij. Vader tilde de jongen op en liet hem boven op de dennenappels zitten. “Het is druk in de stad. Straks ben ik je nog kwijt in deze menigte.”

“Waar gaan we precies naartoe vader?” vroeg de jongen.

“Het is niet zover meer. Nog een paar straten en dan zijn we er”, antwoordde vader.

 

Vader liep de ene straat in en weer uit, totdat ze bij een heel klein winkeltje kwamen dat midden tussen de grote warenhuizen in stond.

Vader deed de deur open en een klein oud vrouwtje, dat achter de toonbank stond, keek vriendelijk hun richting op.

“Fijn dat u er al bent. Ik was bijna door mijn voorraad heen.”

Vader tilde zijn zoon van de hoge stapel dennenappels af en zette hem op de grond neer.

 

De oude dame keek naar de kruiwagen.

“Breng het maar naar achteren”, zei ze vriendelijk.

De jongen keek om zich heen en zag in de vitrines prachtige sieraden liggen.

Gouden kettingen, armbanden en schitterende oorbellen. Hij keek er nieuwsgierig naar. De oude dame kwam naast hem staan.

“Deze maak ik allemaal zelf samen met mijn dochter. Er is veel vraag naar.”

“Maar wat moet u dan met de dennenappels?” vroeg de jongen en keek de oude dame vragend aan.

 

“Kom”, zei ze en ze nam de jongen bij de hand.

Samen liepen ze naar achteren en een grote werkplek opende zich voor hem.

Hij zag zijn vader die met een oude man stond te praten.

“Ik zal je het werk wat je vader doet laten zien.” De oude vrouw pakte een dennenappel en spoelde deze af in een emmer met water.

Ze spoelde de klei ervan af en de jongen zag dat de ene dennenappel na de andere in een mooie gouden hart veranderde.

 

“Jouw vader vindt dit goud, het ligt gewoon los in de grond.

Hij wil niet dat iedereen naar het bos toekomt om alle grond om te spitten en het bos kapot te maken. Daarom verpakt hij ze in klei en maakt hij er een dennenappel van.

Want wie wil er nu een dennenappel?” zei de oude vrouw terwijl ze de jongen lachend aankeek.

“Hier smelten we het goud en maken er mooie sierraden van, zodat iedereen van dit mooie goud mag genieten.

Op deze manier, komt het mooie goud bij degene die het graag wil ontvangen terecht.”

 

De jongen keek zijn ogen uit.

Hij wist dit niet en was nu heel trots op zijn vader.

Zijn vader die goud bracht naar de stad, zodat iedereen van dit goud kon genieten.

Vader gaf de oude man een hand en liep in de richting van zijn zoon en de oude vrouw.

Hij keek zijn zoon aan en zei: “Het is tijd om terug te gaan, het is nog een lang eind lopen”, zei vader en keek de oude dame aan.

“Kom maar mee”, zei ze.

 

Samen liepen ze naar de achterdeur.

Daar stond een andere kruiwagen gevuld met allerlei spullen.

Er zat meel en boter in, maar ook van die lekkere snoepjes.

Vader bedankte de oude dame en samen met zijn zoon liep hij naar buiten.

 

Zwijgzaam liepen ze naast elkaar door de straten de stad uit.

Nadat ze de laatste huizen achter zich hadden gelaten bleef vader stil staan.

“Jongen, dit werk is van vader op zoon overgegaan.

Wij hebben generaties lang naar goud gezocht, daar waar het gevonden wilde worden.

Nu wil ik graag dat ook jij dit vak gaat leren.

Met dit goud zul je mensen aanraken.

Ze zullen in zichzelf een liefde gaan voelen, die ze nog nooit eerder hebben gevoeld.

Dit goud is pure liefde.

Alleen met pure liefde kan het hart geopend worden.

Dan zal er in elke kabouterlijn geen angst en geen verdriet meer zijn, maar zal er altijd innerlijke vrede zijn.”

~ ♥ Zon Meditatie ♥ ~

Een vrouw staat voor het raam en ze kijkt naar buiten.

Ze kijkt naar de eerste zonnestralen die op het grasveld achter het huis schijnen. 

Er ligt een dun laagje dauw op het gras, en ze ziet de minuscule dauwdruppels aan de grassprieten hangen.

De zon schijnt met zijn stralen door de dauwdruppels heen en als de vrouw goed kijkt, ziet ze dat er hierdoor een soort lichtshow is ontstaan. 

De vrouw is moe, maar ze trekt toch haar jas aan en loopt naar buiten.

Op het gras staan een paar oude stoelen die te oud zijn om nog te gebruiken voor gasten, maar nog te goed zijn om weg te gooien. 

Ze gaat op één van de stoelen zitten en kijkt naar de zon. Ze glimlacht. 

De zon beschijnt haar gezicht en haar lichaam en ze voelt dat de warmte van de zon door haar lichaam heen dringt. 

Heerlijk is dit en ze zucht een aantal keren diep in en uit.

Dan doet dan haar ogen dicht en met haar derde oog, die net even boven, maar precies op de plek tussen haar wenkbrauwen zit, maakt ze contact met de zon.  

Eerst is het nog even lastig om van binnenuit haar derde oog te vinden, maar met haar vinger wrijft ze even op haar voorhoofd.

Nu voelt ze de plek waar ze zich op moet concentreren en dat maakt het net even makkelijker. 

Ze voelt de zon door haar derde oog heen stralen. 

Het licht en de warmte vullen haar hoofd. 

De energie doet zijn werk als ze merkt dat haar lippen beginnen te tintelen en ze drukt met haar tong tegen haar gehemelte aan.

De liefdevolle energie van de zon stroomt via haar derde oog nu door haar keel richting haar hart. 

Deze zachte helende energie gaf haar een liefde die ze op deze aarde niet echt kon vinden. 

Haar hart vulde zich met de energie van de zon en ook hier voelde ze dat de druk hoger en hoger werd. Nu concentreerde ze zich op haar buik en net op het moment dat ze daar met haar gedachten naartoe ging, stroomde de energie door naar beneden. 

Het vulde nu haar hele lichaam en langzaam liet ze de energiestroom via haar benen de aarde in stromen. 

 

Ze was nu één met de zon. Hij gaf haar zoveel energie en liefde. 

Haar hele lichaam tintelde van ontspanning en langzaam werd ze meegenomen uit haar lichaam.

Ze voelde dat ze zweefde, maar haar gedachten waren gestopt. 

Ze gaf zichzelf volledig over aan de stralen van de zon. 

Ze voelde zich gedragen en geliefd. 

Ze voelde zich voor het eerst in haar leven verbonden met alles. 

Via haar derde oog zag ze beelden van mensen die haar lachend aankeken. 

Ze zag wateren die over prachtige planeten heen stroomden.

Ze zag de zon vanuit verschillende kanten naar haar toe schijnen, en ze keek om zich heen. Er was nu niet één zon die haar droeg, maar het waren er zeven.

Hun stralen kwamen samen en vormden in haar hart een energiebol die groter en groter werd. 

Deze energie kwam nu buiten haar lichaam en de vrouw lag nu in haar eigen hartlicht. Ze zweefde door de sterrenpoort en ontmoette met haar hart de centrale zon. Een deur ging open en ze zweefde naar binnen.

Een lichtwereld lag verscholen in de centrale zon. 

Een lichtwereld waarop ieder levend wezen, die deze hartliefde in zichzelf kon oproepen, was aangesloten.

De Meesters en Engelen applaudisseerden voor haar nadat ze binnen was gekomen.

Ze zag Feeën, Elfen en prachtige gouden wezens waar ze zoveel liefde voor voelde.

Ze was met ieder van hen verbonden en ze voelde zich voor het eerst niet alleen en eenzaam. Hier was ze volmaakt gelukkig. 

De onvoorwaardelijke liefde was hier te vinden.

 

De vrouw stond om haar heen te kijken. 

Ze zag zilveren bomen die op palmbomen leken. 

Ze zag de mooiste bloemen in de schoonste kleuren en de vrouw keek hier vol verwondering naar. 

Ze werd op haar schouder getikt en ze draaide zich om. 

Achter haar stond een Gouden Engel en hij straalde in het licht.

“Wat fijn dat je naar de centrale zon bent gekomen, dit is de deur naar andere liefdevolle werelden. Vanuit hier kun je andere werelden ontdekken, vanaf hier gaat de reis verder. Weet dat deze wereld hier in jezelf is. 

Ga er zo vaak mogelijk naar terug. Maak telkens weer deze verbinding. 

Hoe vaker je de verbinding maakt, hoeveel meer je mag ontdekken.” 

“Kom, ik breng je terug”, zei de Gouden Engel en hij legde zijn hand op haar hoofd.

 

Plots was ze terug in haar lichaam en terug in de tuin. 

Ze opende haar ogen.

Ze voelde de energie van de zon en ze bedankte hem.

De volgende dag zou ze hem weer ontmoeten en zou ze reizen op zijn stralen, een innerlijke wereld tegemoet.

Heb je een vraag naar aanleiding van dit verhaal? Of wil je graag een reactie plaatsen, dan kan dat ik mijn gastenboek. De vragen zal ik zo liefdevol beantwoorden hier op deze website bij Vraag & Antwoord.

~ ♥ Gastenboek ♥ ~

Commentaren: 0