~ ♥ Sluierverhalen 7. ♥ ~

~ ♥ Manu en het Drakenei ♥ ~

De zon stond hoog aan de hemel en een jongen zat aan de waterkant van Zomerland.
Hij was hier al een tijdje en keek om zich heen naar de spelende kinderen.
Ze hadden zoveel plezier met de dolfijnen in het water.
Hij moest om ze lachen.

Hij kon het zich nog goed herinneren, hoe hij na een ongeluk hiernaartoe was gebracht.
Hij was zomaar uit het leven op aarde weggerukt en plotseling was hij hier.
Heel even was hij de weg kwijt geweest en begreep hij niet waarom hij hier was, en niet meer bij zijn papa en mama.

Een lieve Engel, die hem begeleidde, had hem verteld dat een groep jongens hem van zijn nieuwe fiets had getrokken en hem had geschopt en geslagen.
Hij was zo trots geweest op de nieuwe fiets die hij voor zijn verjaardag had gekregen.
Ja, hij wist het nog goed.

Nu ging hij hier naar school en leerde hij wonderlijke dingen.
Hij ging vaak samen met de klas op pad om de sferen van de hemel te verkennen, want er was hier zoveel te zien.

Er was een wens die hij mocht doen nadat hij hier was aangekomen, maar die wens was nog steeds niet in vervulling gegaan.
Vaak dacht hij eraan en als hij de Engel vroeg waarom zijn wens nog niet was uitgekomen, zei de Engel:
“Nog even geduld, er wordt aan jouw wens gewerkt.”

 

Opeens keek Manu op.
Hij keek naar een bosje dat even verderop stond.

Vreemd… dit bosje herkende hij niet. Het had er nog nooit eerder gestaan.

Manu liep er voorzichtig naartoe en duwde met zijn handen de bebossing iets opzij.
In het midden van het bosje lag een nest, en in het nest lag één groot ei.

Manu keek verrast naar het ei en wist niet goed wat hij hiermee moest doen.
Hij keek om zich heen om te zien of er ergens een Engel was die hem kon vertellen wat dit nest hier deed en wat voor ei dit was.

Maar toen werd Manu opgeschrikt door een krakend geluid.
Hij keek snel terug naar het ei.

Een kleine barst liep over het ei naar beneden.

Opeens kraakte het ei opnieuw en ontstond er nog een dikke barst.
Het ei bewoog wat heen en weer, en daar ging het eerste stukje schaal los.

Een klein kopje kwam door het gat naar buiten.
Met een grappig en vrolijk gezichtje keek een lief klein draakje om zich heen.

 

Manu wist niet wat hij zag.
Zijn wens was voor zijn ogen uitgekomen.

Het kleine beestje probeerde uit het ei te klimmen, maar zat vast met zijn vleugeltje.

“Zal ik je helpen, lief draakje?” vroeg Manu.

Het draakje keek hem nieuwsgierig aan en knikte.

Heel voorzichtig haalde Manu een stukje van de schaal los, zodat het draakje meer ruimte kreeg om uit het ei te klimmen.

Manu legde zijn hand op de grond en het draakje zette voorzichtig het ene pootje voor het andere.
Langzaam liep hij de hand van de jongen op.

Glunderend stond Manu daar, met het draakje in zijn handen.

Een Engel kwam naar hem toegelopen en keek aandachtig naar het kleine draakje dat op zijn hand zat.

“Mijn wens is uitgekomen,” zei Manu blij tegen de Engel.

De Engel keek de jongen en het draakje aan en glimlachte.

“Ik weet het, mijn jongen. Zorg goed voor hem. Je mag voor hem zorgen, maar op een dag moet hij weer terug naar waar hij vandaan is gekomen. Maar zover is het nog niet. Ga vrienden worden met elkaar en laat hem Zomerland zien.

Leer hem wat hij hier mag leren en geniet van deze tijd samen.”

~ ♥ Liefde over de Sluiers ♥ ~

Een kleine Elf kijkt bedroefd voor zich uit.
“Wat is er toch, mijn kind?” vraagt de oude eik.
“Waarom kijk je zo droevig? Kan ik iets voor je betekenen?”

De kleine Elf vliegt van de tak waar ze op zat af en gaat voor de oude eik op een onderste tak staan.
Ze veegt met haar kleine handjes de tranen van haar gezichtje af en kijkt de eik verdrietig aan.

“Ik ben net terug uit de andere wereld,” zegt ze wat verlegen.

“Maar kind,” zegt de oude eik,
“dat is toch helemaal geen wereld voor jou!
Die wereld is één van de moeilijkste werelden die wij kennen.

In die wereld mogen de mensen inzien wat dualiteit is.
Als je daar leeft, dan leef je in een wereld vol conflict.
De mensen hebben conflict met anderen én met zichzelf, en de kunst is om in balans te komen op alle fronten.

Dit is een lang en moeilijk proces, want niet iedereen is even ver in dit stuk van zelfliefde.
De één vecht nog tegen zichzelf en de wereld, terwijl de ander vrede heeft en begrijpt waarom de ander nog vecht.

De mensen proberen op deze manier iedere emotie uit en ondergaan de consequenties die daarop volgen.
Vaak zijn ze zich daar niet bewust van, omdat ze afgescheiden zijn van de Bron waar iedereen vandaan komt.

De mensen zijn zoekende, lopen als geblinddoekte mensen overal tegenaan en dolen wat in het rond.
Het is een proces. Het is goed.
En uiteindelijk zal ook die wereld net zo mooi zijn als de onze.”

 

“Maar hoe kunnen wij ze dan helpen?” vraagt het Elfje.

De oude eik zucht.

“Wij kunnen alleen maar hele kleine bewustzijnslesjes geven.
Een verhaal of een gedicht, een klein stukje tekst waarin inzichten verscholen zitten.

In die wereld zijn zoveel mensen geweest die anderen net dat ene stukje verder hebben weten te brengen.
Ze helpen elkaar, net zoals wij hen helpen.

Kom, mijn kind, laten we hun alle liefde sturen die wij hebben.
Misschien is er dan één iemand die dit verhaal leest en onze liefde in zijn of haar hart voelt gloeien.”

De kleine Elf gaat tegen de oude eik aan zitten en samen sturen ze zoveel liefde,
dat deze wereld wel móét veranderen.

~ ♥ De Reiskabouters ♥ ~

Dicht aan de rand van het bos woonde een klein meisje.

Het was al avond en moeder had haar zojuist een verhaaltje verteld voor het slapengaan.

Daarna had ze haar een nachtzoen gegeven en haar welterusten gewenst.

Het lampje op de overloop bleef aan totdat moeder naar bed zou gaan.

Het was nu donker en langzaam viel ze in slaap.

Ze droomde dat ze heel vroeg wakker werd en blij haar bedje uitsprong en dat ze daarna de trap af rende naar beneden.

Ze waste zich en kamde haar haren om schoon en fris aan de ontbijttafel te verschijnen.

“Heb je lekker geslapen?” vroeg moeder.

Het meisje knikte. “Ja, heel fijn geslapen mama.
Mag ik straks weer naar het bos?” vroeg ze.

Moeder glimlachte. “Ja natuurlijk mag je naar het bos, maar denk erom, niet te ver.”

Het meisje lachte. Haar moeder was altijd zo bezorgd.

 

Nadat ze haar boterhammetje had opgegeten, deed ze haar jasje aan en rende de deur uit.

Ze hoefde maar een klein stukje over het zandpad te lopen om bij de ingang van het bos te komen.

Het bos was haar lievelingsplek. Ze kwam er zo graag.

Vaak zag ze konijntjes als ze echt stil was, maar vaak neuriede ze een vrolijk liedje en keek dan verwonderd om zich heen.

Vandaag wilde ze op het kruispunt in het bos een andere weg inslaan.

Een weg die ze nog nooit genomen had.

Het was best een beetje spannend, want waar zou deze weg naartoe gaan?

 

Met kleine, voorzichtige stapjes liep ze het weggetje in en gelijk zag ze grappige eekhoorntjes die van boom naar boom sprongen.

Het was een prachtig pad en opeens zag ze een grote uil boven op een tak zitten.

Na een tijdje begon ze moe te worden en ze besloot op een boomstronk te gaan zitten die aan de kant van het pad lag.

Ze zat nog maar net, of ze hoorde vanuit de verte een vrolijk liedje.

Ze keek in de richting van waar het liedje vandaan kwam en kon haar ogen niet geloven.

Een klein oud mannetje van een jaar of tachtig kwam haar kant op gelopen.

Hij was niet veel groter dan haar kat en hij had een klein groen vilten hoedje op.

Op zijn rug droeg hij een kleine rugtas en hij stapte dapper haar richting op.

Bij het passeren van het meisje nam hij zijn hoedje af en zei:
“Dag juffrouw, wat een fijne dag is het vandaag hè?”
En hij liep verder en zette zijn hoedje weer op.

Het meisje zat verslagen op de boomstronk en kon niet geloven wat ze zojuist had gezien.

 

Ze was nog aan het bijkomen van haar verbazing toen ze weer een vrolijk deuntje hoorde.

Ze keek weer in die richting en zag nu een klein vrouwtje met een rood hoofddoekje op haar hoofd.

Ze was een jaar of vijftig en net zo groot als het mannetje dat zojuist voorbij was gekomen.

Ze droeg een knapzak over haar schouder.

Met een stralende glimlach keek het kleine vrouwtje haar kant op en zei:
“Dag lief kind, wat een fijne dag is het vandaag hè?”

Zonder op antwoord te wachten liep ook dit vrouwtje verder.

 

Weer moest het meisje even bijkomen van verbazing en keek het vrouwtje na.

Opnieuw hoorde ze een vrolijk deuntje en weer keek ze in de richting van waar het geluid vandaan kwam.

Een lief klein jongetje van een jaar of twaalf met krullend haar kwam haar tegemoet gelopen.

Al zingend liep hij langs het meisje en lachte vrolijk naar haar.

Het jongetje wilde verder wandelen, maar het meisje sprong van haar boomstronk af.

“Mag ik iets vragen?” vroeg ze en het jongetje bleef stilstaan.

“Maar natuurlijk, waar kan ik jou mee helpen?”

“Waar gaan jullie naartoe? Gaan jullie op reis?”

Het jongetje glimlachte. “Inderdaad, wij zijn onderweg.

Elke keer als wij ergens blijven, moeten we ook weer gaan.

We zijn nergens voor altijd. Begrijp je?”

Het meisje schudde met haar hoofdje van nee.

Het jongetje moest lachen. “Het is heel simpel. Wij zijn geen gewone kabouters.

Nee, wij zijn reiskabouters. Wij komen alleen voor in dromen.”

Het meisje keek verbaasd. “Maar ik droom nu niet, ik ben wakker!”

“Is dat zo?” en het jongetje moest heel hard lachen.

“Mag ik met je mee?” vroeg ze nu heel snel.

“Ja hoor,” zei het jongetje, “volg mij maar.”

 

Het jongetje liep nu verder en het meisje liep hem achterna.

“Waar gaan we eigenlijk naartoe?” vroeg ze hem.

“Wij gaan naar een andere wereld.”

“Een andere wereld? Welke dan? Zijn er dan nog meer?”

“Oh ja, er zijn heel veel werelden,” zei het jongetje.

“Maar waar dan? Ik zie niets.”

“Daar waar jij vandaan komt is één wereld, maar er zijn nog zeker tien andere werelden.

Kijk, nu gaan we Dromenland binnen.”

Het meisje begreep er niets van.

Ze was wakker hier in het bos en nu ging ze met het kabouterjongetje een dromenwereld binnen.

“Hoe kan dat nou? Ik ben hier en ik lig niet in mijn bedje.

Hoe kan ik dan Dromenland binnenlopen en waarom juist daarheen?”

“Dromenland is een sfeer waar iedereen samenkomt.

Hier kunnen we elkaar ontmoeten.”

“Maar ik heb je al ontmoet hier in het bos,” zei het meisje nu. “Hoe kan dit?”

“Wacht, volg mij maar, later zal je het begrijpen.”

 

Het meisje volgde de kabouterjongen door het bos, maar opeens veranderde het pad van kleur.

Het was eerst een zandpad waar ze over liepen, maar het veranderde langzaam in een prachtig gouden pad.

Alles sprankelde om haar heen en alles voelde zo liefdevol aan.

Ze zag vlinders fladderen van bloem naar bloem en de vogels zongen hier nog mooier dan ze ooit had gehoord.

De jongen bleef staan en zei:
“Ik ben op mijn bestemming aangekomen, maar als je deze weg verder volgt, zal je vanzelf een andere reiziger tegenkomen.”

Het meisje bedankte hem en liep verder.

 

Het bos kwam tot een einde en het werd lichter om haar heen.

Het gouden pad straalde in de zon en ze zag langs het pad vrolijke bijen zoemen.

Ze doken met hun lijfjes in de kelkjes van de bloemen om daarna onder het stuifmeel er weer uit te vliegen.

Ze waren zo grappig, omdat ze van kop tot vleugels helemaal onder zaten.

Op één van de bankjes die ze langs het gouden pad zag staan, ging ze zitten.

Opeens hoorde ze een bekende stem.
“Ga je met mij mee? Ik heb namelijk op jou gewacht.”

Het meisje zag dat het kaboutervrouwtje achter haar stond.

Ze stond op en liep achter het vrouwtje aan.

“Waar zijn we nu?” vroeg het meisje.

“Wij zijn nu in Zomerland. Kijk maar!” zei het vrouwtje en wees in de richting van een groot attractiepark.

“Wat is Zomerland?” vroeg het meisje weer.

“Zomerland is een wereld waar kinderen naartoe gaan als ze slapen. Hier mogen ze spelen en kind zijn.”

“Maar ik slaap niet! Ik ben juist wakker!”

Het vrouwtje glimlachte.
“Waarom ga je niet fijn spelen? Ga anders eens van de glijbaan of in het reuzenrad?

Ik moet nu gaan, maar er zal straks iemand hier zijn die jou weer terug naar huis brengt.”

 

Het kaboutervrouwtje was plotseling verdwenen.

Het meisje liep naar het attractiepark en zag dat het hier eigenlijk best gezellig was.

Nu begreep ze waarom kinderen in hun dromen naar Zomerland gingen.

Het is hier echt heel erg leuk.

Snel ging ze in de achtbaan die wel acht keer over de kop ging.

Daarna rende ze naar het reuzenrad en stapte snel in.

Eenmaal boven gekomen kon ze over heel Zomerland kijken en daar keek ze haar ogen uit.

Nadat ze weer beneden was gekomen, stond daar de oude kabouter op haar te wachten.

“Hallo lief kind, ga je met mij mee?” vroeg hij.

Het meisje knikte en liep achter de oude man aan.

 

Ze verlieten Zomerland en liepen samen het bos binnen.

Het gouden pad maakte weer plaats voor het zandpad en langzaam liep ze weer terug naar haar eigen wereld van waaruit ze was vertrokken.

Ze verlieten het bos en liepen over de zandweg richting haar huis.

Langzaam opende de oude man de deur van het huis en samen liepen ze naar binnen, de trap op naar boven.

Het meisje volgde hem nog steeds.

In haar slaapkamer zei hij:
“Kleed je maar snel om en doe je pyjama aan, dan zal ik je instoppen.”

Het meisje deed haar pyjama aan, kroop onder de dekens en keek de oude man dankbaar aan.

“Ga je lekker slapen, kleine meid?”

“Maar ik ben wakker,” zei ze nogmaals.

Uit zijn rugzakje pakte het oude mannetje een klein kistje.

Heel voorzichtig opende hij het kistje en tussen duim en wijsvinger nam hij een paar korrels toverzand, die hij in de oogjes van het meisje strooide.

Het meisje begon direct in haar ogen te wrijven en te gapen.

“Slaap lekker mijn kind, droom maar fijn,” zei het oude mannetje, en hij zag hoe ze langzaam in slaap viel en terugkeerde naar Zomerland, waar ze heerlijk kon spelen totdat de zon in haar wereld weer opkwam.

~ ♥ De Kleine Muis ♥ ~

Er was eens… een kleine muis.

Een lieve kleine muis met bruine kraaloogjes en mooie ronde oortjes.

Hij woonde in een grote tuin, samen met allemaal andere grijze muizen.

Maar… deze kleine muis voelde zich vaak alleen.

Hij was wel grijs, net als de andere muizen… maar toch een beetje anders.

 

Elke dag vroeg hij heel beleefd: “Mag ik met jullie meespelen?”

Maar de grijze muizen schudden dan hun kopjes.

“Nee,” piepten ze. “Jij hoort er niet bij.”

De kleine muis werd daar erg verdrietig van.

Met hangende oortjes liep hij dan maar alleen door de tuin.

 

Op een dag zat hij zachtjes te huilen onder een struik.

Boven in de boom zat een wijze uil.

De uil keek naar beneden en vroeg vriendelijk:

“Waarom ben je zo verdrietig, kleine muis?”

De muis keek omhoog, zijn oogjes nat van de tranen.

“Ik mag niet meespelen met de grijze muizen,” piepte hij zacht.

 

De uil vloog van zijn tak en ging voor de kleine muis zitten.

“En waarom mag je niet meespelen?” vroeg hij.

De kleine muis haalde zijn schoudertjes op.

“Ik weet het niet…”

De uil dacht even na.

Toen glimlachte hij.

 

“Misschien,” zei de uil zacht, “zijn deze muizen niet de juiste vriendjes voor jou.

Waarom wil je zo graag met hen spelen?”

“Omdat er geen andere muizen zijn in deze tuin,” zei de kleine muis verdrietig.

 

De uil knikte begrijpend.

Toen kreeg hij een idee.

“Ik weet het!” riep hij vrolijk.

“In de tuin hiernaast woont een groep muisjes… die net zo zijn als jij.

Als je het muizenpad volgt, kom je er vanzelf.”

 

“Echt waar?” piepte de kleine muis hoopvol.

“Echt waar,” zei de uil.

De kleine muis kreeg weer een glimlach op zijn snoetje… en hij rende zo snel als hij kon over het muizenpad.

 

En weet je wat?

De uil zag hoe de kleine muis nieuwe vriendjes vond.

Vriendjes die wél met hem wilden spelen.

Elke dag zag hij ze samen lachen, rennen en plezier maken in de zon.

En de kleine muis?

Die voelde zich nooit meer alleen.

Want soms… moet je niet veranderen om erbij te horen.

Maar moet je de plek vinden… waar je altijd al thuis hoorde.

Wanneer de zon ondergaat en alle kinderen naar bed moeten, mag een klein meisje vanavond nog even opblijven.

Ze mag samen met haar vader naar buiten.

Vader heeft twee ligstoelen in de tuin gezet, met dikke dekens om warm te blijven.

“Zullen we naar buiten gaan?” vraagt hij.

“Trek je jas maar aan.”

Moeder helpt haar in haar warme jas, sjaal, muts en wanten.

Het zal een koude nacht worden.

Opgewonden loopt ze achter haar vader aan naar buiten.

Ze gaat op één van de ligstoelen liggen en legt haar hoofd helemaal achterover, zodat ze goed de donkere hemel kan zien.

Vader gaat naast haar liggen.

Samen kijken ze zwijgend naar de sterren die hoog boven hen fonkelen.

 

Het meisje staart de diepte in en vraagt zich af waar al die sterren vandaan komen.

Ze heeft gehoord over de oerknal… maar wat was er vóór die knal?
En zijn er misschien nog andere universums?

Ze heeft bijna evenveel vragen als sterren.

“Vader?” vraagt ze zacht.

“Ja, mijn kind?”

“Zijn er nog meer universums?”

Vader glimlacht.

“We zijn nog steeds bezig die van ons te ontdekken.

Het zou kunnen… maar eerlijk gezegd, ik weet het niet.”

Ze kijken weer omhoog.

Ze probeert sterren te tellen, maar al snel merkt ze dat het onbegonnen werk is.

Opeens rilt ze.

“Kom,” zegt vader, “het wordt te koud. We gaan naar binnen.”

 

Moeder brengt haar naar bed.

De kou heeft haar slaperig gemaakt en ze valt meteen in een diepe slaap.

Dan hoort ze een zacht liedje…

“Mijn klein, klein sterretje, wat doe je in het bos,
laat je hier je lichtje stralen, hier op het groene mos…”

Ze opent haar ogen.

Verbaasd kijkt ze om zich heen.

Ze zit in een bos, in haar nachthemd, op zacht groen mos.

De zon schijnt en alles voelt warm en vredig.

Weer klinkt het liedje.

“Hier ben ik,” giechelt een stemmetje. “Zoek me dan!”

Ze kijkt rond, maar ziet niets.

“Waar ben je?”

“Hier!”

 

Plots ziet ze iets wonderschoons.

Een klein wezentje met vlindervleugels en het lijfje van een mensje, maar volledig gemaakt van water.

Ze kan er dwars doorheen kijken.

Alleen wanneer de zon erop schijnt, ziet ze regenboogkleuren door het wezentje heen dansen.

“Hallo Eefje, ik zie jou. Zie jij mij ook?”

Ze knikt.

“Ik ben een Watervlinder. Ik woon naast het bos.

Wanneer ik me onderdompel in water, neem ik druppels mee om planten en dieren te helpen.

Wij werken samen met Bosnimfen en Waternimfen.

Maar… wil je met me meekomen? Ik wil je iets laten zien.”

 

Eefje staat meteen op en volgt haar.

Het bos lijkt een sprookje.

Bosnimfen vliegen heen en weer en strooien goudstof over bomen en bloemen.

Alles licht op.

“Niets aanraken,” waarschuwt de Watervlinder, “anders valt het goudstof eraf.

Het is een beschermlaagje van liefde.”

Een Bosnimf vliegt naar Eefje toe en strooit ook goudstof over haar heen.

Ze begint te sprankelen, en voelt zich lichter dan ooit.

 

Ze lopen verder tot aan een rivier.

In de verte ziet ze besneeuwde bergen.

Over het water vliegen Waternimfen, en in de rivier liggen wezens hand in hand op hun rug.

Met lange witte haren… en vissenstaarten.

“Dat zijn Waterengelen,” fluistert de Watervlinder.

“Ze rusten uit na hun reis over zee.

Sommigen dragen zelfs nieuwe leven in zich.”

Eefje kijkt verwonderd.

Dan ziet ze een meisje en een albatros samen in het water liggen.

“Dat zijn Sanne en Alba. Ze reisden met de Waterengelen.

Ze ontmoetten walvissen en dolfijnen.”

Eefje weet niet wat ze hoort.

 

Ze volgen het pad richting de bergen.

“Ik woon daar,” zegt de Watervlinder. “Achter de waterval.”

Het geluid van vallend water wordt steeds luider.

Via een opening kruipt Eefje naar binnen.

 

Achter de waterval ligt een verborgen wereld.

Het zonlicht fonkelt door het water als duizenden diamanten.

“Kijk,” zegt de Watervlinder.

Plots vliegen duizenden Watervlinders om haar heen, giechelend.

“De zon komt bij jou bijna op. Tijd om je naar huis te brengen. Ga hier maar liggen.”

Er ligt een bedje van bladeren klaar.

Eefje gaat liggen.

“Sluit je ogen,” zegt de vlinder zacht.

Dan hoort ze aan de andere kant van de waterval een zacht gezoem:

“Hmmm… Hmmm…”

“Dat zijn de Waterengelen,” fluistert de vlinder. “Hum maar mee.

Wij zingen je naar huis.”

 

Eefje begint mee te hummen.

Langzaam raakt ze in trance.

De Watervlinders zingen helder en sereen.

En zo valt ze weer in slaap… terug naar haar eigen bed.

 

Wanneer de zon opkomt, wordt ze wakker.

Moeder komt binnen.

“Heb je lekker geslapen, Eefje?”

Ze knikt.

Wanneer moeder de kamer verlaat, hoort ze in de verte nog zacht gezang:

 

“Lief, lief vlindermeisje, zo lief en zo sereen, laat je hartje zuiver blijven —
en weet… je bent nooit alleen.”

Heb je een vraag naar aanleiding van dit verhaal? Of wil je graag een reactie plaatsen, dan kan dat ik mijn gastenboek. De vragen zal ik zo liefdevol beantwoorden hier op deze website bij Vraag & Antwoord.

~ ♥ Gastenboek ♥ ~

Commentaren: 0