Een nieuwe dag is aangebroken.
Een jonge vrouw zit aan de keukentafel met een kopje thee en een beschuitje.
Ze kijkt naar buiten en ziet dat de zon al op begint te komen.
Het zal een warme dag worden.
De vogels beginnen te zingen en de wereld wordt langzaamaan wakker.
Naast haar op de keukentafel zit de poes te spinnen terwijl zij haar aait.
Ze geeft kopjes terug, dat lieve beest.
Weer kijkt de jonge vrouw door het raam naar buiten.
In de verte ziet ze iemand aan komen lopen, die ze herkent als haar Gids.
Ze loopt alvast naar de deur terwijl de Gids het tuinpad op loopt.
Ze opent de deur en kijkt naar een vriendelijk gezicht.
‘Ik kom je weer ophalen’, zei de Gids.
De vrouw keek hem lachend aan en pakte haar jas van de kapstok.
‘Waar gaan we dit keer naartoe?’ vroeg ze hem.
Maar de Gids zei niets. ‘Het is niet ver hier vandaan’, zei hij na een tijdje.
‘Kijk daar bij die bomen, daar is het al!’
De vrouw keek in de richting van waar de Gids naartoe wees.
Het was inderdaad niet ver.
Al snel kwamen ze aan bij een paar oude bomen.
Bij die oude bomen stonden nog meer mensen.
Mensen die ze niet kende. ‘Luister!’ zei de Gids.
‘Wat ik je vandaag laat zien is een nieuwe les van liefde.’
De jonge vrouw knikte en begon te glimlachen en keek de Gids in zijn prachtige groene ogen aan.
‘Iedereen die hier staat moet dezelfde les leren vandaag.
Dus je bent niet de enige die lessen krijgt van ons.’
Ze knikte weer en zei dat ze het begreep.
De Gids legde zijn hand in de hare en plots waren we op een plek die ze herkende.
Het was haar ouderlijk huis.
‘Wat moet ik hier doen?’ vroeg zij aan haar Gids.
‘Kijk nog eens goed!’ zei de Gids.
En de jonge vrouw keek nogmaals om zich heen.
Ze keek naar zichzelf, maar dan in de leeftijd van dertien jaar oud.
Ze was een stil meisje, een meisje dat heel veel verdriet had.
‘Kijk goed’, zei haar Gids.
‘Jij hebt hier net een traumatisch moment meegemaakt.
Je weet denk ik wel welke.’
Ze wist het nog. ‘Ik voel de pijn nu nog’, zei ze tegen hem.
Haar Gids begreep het.
‘De pijn die jij toen had, gaan we omzetten in liefde.
Dat is wat wij jou vandaag gaan leren.’
De jonge vrouw keek haar Gids aan, ze had het begrepen, maar ze voelde zich nog steeds verdrietig.
Alles wat ze toen had meegemaakt kwam opeens weer terug.
Ook wat er zich daarna allemaal had afgespeeld.
Die pijn was zeker net zo erg, als het trauma zelf.
‘Het gaat erom’, zei haar Gids, ‘dat je alles in een ander daglicht gaat zetten.
Je bent niet verdrietig. Dit is niet wie jij echt bent.
Jijzelf bent puur liefde, net als ik en iedereen.
Maar wij mensen houden die pijn vast in een ander lichaam.
Een lichaam dat ons beschermt voor echte lichaam van liefde.
Je kunt het zien als een beschermlaagje.
Alles wat je meemaakt aan nare dingen, vangt dit lichaam allemaal op.
Daar waar pure liefde bestaat, kan niets naar binnen dringen.
Maar soms zit dit lichaam vol, omdat er zoveel pijn en verdriet geweest is.
Er kan niets meer bij.
Dan zal er pijn opgelost moeten worden. Het moet uit dat lichaam.’
‘Waarom moet het uit dat lichaam? Om plaats te maken voor andere pijn?’ vroeg de jonge vrouw.
‘Nee, dat is zeker niet de bedoeling.
Het gaat erom dat je meer pijn weg gaat halen, dan erbij komt.
Als je eenmaal weet hoe je pijn en verdriet uit dat lichaam kunt halen, zal een nieuwe pijn meteen omgezet worden in liefde.’
‘Hoe moet ik die pijn daar dan weg krijgen?’ vroeg ze aan haar Gids.
‘Door te luisteren naar je eigen ziel en geest’, antwoordde hij.
‘Zij zullen je laten zien waar je moet zoeken en hoe je bepaalde trauma's om kunt zetten in liefde.
Het enige wat je moet hebben is vertrouwen in jezelf, in de Engelen en je Gidsen.
Zij zullen je helpen waar ze maar kunnen.
Zolang jij pijn en verdriet wilt oplossen
‘Waarom begrijp jij mij niet! Ik heb je het toch duidelijk uitgelegd!’
Een meisje stond te huilen naast de tafel van de meester.
‘Nou, hou op met huilen! Ik leg het je nog één keer uit!’ De man begon te praten.
Het meisje was zo overstuur dat ze niets van zijn uitleg begreep.
Toen hij klaar was liep ze naar haar tafeltje, ging zitten en keek naar haar opengeslagen boek.
Alle letters begonnen te dansen over de bladzijden.
Ze keek er met een glimlach naar.
De letters maakten telkens andere plaatjes; eerst een hond, daarna een huis en tot slot de meester met een heel raar gezichtje.
Het meisje begon hard te lachen, maar het was stil in de klas en nu keken alle kinderen haar aan.
De meester keek boos, stond op en liep naar het meisje toe.
De man keek in het boek en zei boos: ‘Ben je nu nog niet opgeschoten?!
Voor straf nablijven, totdat je het af hebt!’
Droevig staarde het meisje, tot het einde van de les en iedereen vrij was, in haar boek.
Ze zat alleen in de klas.
Ze had met een vriendinnetje afgesproken om te spelen.
De meester was nergens te bekennen. Hij lette niet op haar.
Het meisje staarde weer naar het boek dat voor haar lag.
En weer gingen alle letters dansen. De letters maakten een heuse film!
Ze keek vol verbazing toe, naar hoe de letters steeds weer veranderden van vorm.
De film ging over een hondje die een bal probeerde te vangen en het lukte hem steeds niet.
Het hondje probeerde maar en probeerde maar.
Toen zag ze dat het hondje verdrietig werd en zijn baasje boos op hem was geworden.
Het filmpje wat ze te zien kreeg, was erg zielig.
De tranen rolden over haar wangen.
Ze zag dat het hondje er ook zo zielig bij zat, terwijl hij zo lief was.
‘Waarom ziet de baas niet dat hij wel goed een pootje kan geven en kan troosten bij verdriet.
Maar ook dat hij gewoon leuk met je kon spelen.’
‘Vreemd!’ dacht het meisje weer, ‘ik kan niet goed lezen en rekenen, maar ik ben wel goed in geschiedenis en aardrijkskunde. Waarom wordt de meester boos op mij?
Waarom kijkt hij niet naar wat ik wel goed kan?’
Het meisje deed haar boek dicht, borg hem op en schoof haar stoel aan.
Op dat moment kwam de meester binnen stappen.
‘Zo, heb je het werk al af?’
Het meisje bleef van schrik staan. ‘Nee meester.’
‘Oh en waarom heb je al je spullen al opgeruimd? Heb ik gezegd dat jij mocht gaan?!’
De meester was boos, het meisje stond angstig voor hem met haar hoofdje gebogen naar de vloer.
Ze huilde zachtjes.
Opeens moest ze weer aan het hondje denken.
Ze veegde de tranen van haar gezicht en keek de meester nu boos aan.
‘U heeft geen idee wat u doet!
U bestraft mij omdat ik iets niet goed kan.
U ziet niet mijn andere kwaliteiten.
U oordeelt alleen maar over dat wat ik niet kan!
U bent een goede leraar, een heel goede zelfs, dat is uw kwaliteit.
Maar uw ongeduld zorgt ervoor dat iedereen u een nare man vindt.
Ik kan er niets aan doen, dat alle cijfers en letters dansen op papier en het mij niet lukt om ze te kunnen lezen.
Maar u kunt wel veranderen, door meer geduld te hebben en niet meteen boos te worden.
Kijk naar wat wij kinderen wel kunnen en niet naar wat wij niet kunnen!’
Het meisje pakte haar tas en zei: ‘Tot morgen meester!’ en ze liep boos de klas uit.
De meester moest even gaan zitten en dacht na over wat dit vreemde kind allemaal gezegd had.
Misschien had ze wel gelijk.
De volgende dag legde hij het nogmaals uit, maar hij had de les die zij hem had gegeven niet begrepen.
Een vrouw stond voor het raam en keek naar buiten.
Ze was bang voor wat er zou gaan komen.
Ze had zo’n voorgevoel dat er iets niet klopte, maar wat kon ze doen?
Ze draaide zich om en keek haar man aan.
Hij was druk bezig om zich om te kleden.
Normaal was hij nooit zo snel, ze moest hem dan vaak op het laatste moment nog zeggen dat hij op moest schieten.
Maar nu was hij voor haar naar boven gestoven, had zijn netste pak uit de kast gehaald en deed hij zijn duurste aftershave op.
Er was wat veranderd, hij die haar normaal alle aandacht gaf, was de laatste week afwezig geweest. Net alsof hij met zijn gedachten ergens anders was.
‘Schiet je op?’ vroeg hij haar toen hij langs haar heen liep, ‘ ik wil niet te laat komen’.
Zij wist dat ze nu niets kon doen.
Ze kon erover beginnen, maar ze kende hem te goed. Hij zou alles ontkennen.
De vrouw deed haar ketting en armband om en bewonderde zichzelf in de spiegel van de kastdeur.
Ze was wat ouder, maar ze zag er nog steeds goed uit vond ze zelf. Stilzwijgend stapten ze de auto in.
Allebei in hun eigen gedachten.
Toen ze de deur van de feestzaal open deden, was het feest al in volle gang.
Hij keek zijn vrouw aan en mompelde: ‘Ik ben zo terug.’
De vrouw keek om zich heen, ze zag geen bekenden.
Het was ook immers een feest van zijn kantoor.
Ze liep door de menigte richting de bar en bestelde een drankje.
Aan het eind van de bar hoorde ze een vrouw giechelen.
Ze keek in haar richting en zag dat de vrouw glimlachte naar een man.
Ze hield even zijn hand vast.
Ze keek nu naar de man, hij zat met zijn rug naar haar toe en had zijn jasje uit gedaan.
Ze keek nu weer naar de barman die een drankje voor haar neerzette.
Ze knikte en bedankte hem.
Weer hoorde ze de vrouw giechelen en de man praten.
Opeens leek haar wereld even stil te staan, ze stond verstijfd aan de bar.
Ze moest zich staande houden om niet te vallen.
Ze keek weer in die richting en zag haar man met die vreemde vrouw, maar ze wist dat het te laat was.
Ze wist dat wat ze ook zou doen, haar verdriet alleen nog maar meer schade aan zou richten.
Haar liefde kon hem blijkbaar niet meer bereiken en ze voelde zich machteloos.
Ze keek naar de beide mensen die gezellig aan de bar zaten en liep op hen af.
Ze toverde een lach op haar gezicht en stak haar hand uit naar de vrouw en stelde zich voor.
Met haar andere hand hield ze de schouder van haar man vast.
‘Schat, ik voel mij toch niet zo lekker, zou jij het erg vinden om een taxi terug te nemen?’
Haar man zag meteen dat er iets was en stond direct op.
‘Wacht!’ zei hij tegen zijn vrouw.
Hij draaide zich weer om naar de vrouw tegenover hem en zei: ‘Het was me een waar genoegen om u te leren kennen en ik zal uw aanbod zeker in overweging nemen.’
De vrouw aan de bar knikte glimlachend en liep bij de bar vandaan.
‘Dank je wel dat je mij kwam redden’, fluisterde hij.
Dat was de vrouw van de directeur en ze wil dat ik haar vaste advocaat ga worden.
Ik wist al een week dat ik die functie aangeboden zou krijgen en dat ze het vanavond definitief wilde maken, nadat ze mij gesproken had.
Maar ze slokt mij helemaal op en ik kon er niet vanaf komen.
Ik wil die functie helemaal niet en zit al de hele week te bedenken hoe ik haar kan afwijzen.
Niemand wil haar als klant, omdat je dan geen tijd meer hebt voor andere zaken.
De vrouw keek haar man vol verbazing aan.
‘Maar schat, waarom heb je mij dat dan niet verteld?
Ik wist niet wat er met je aan de hand was en toen ik je met die vrouw aan de bar zag zitten en zij zo om jou moest lachen, dacht ik dat jouw liefde voor mij over was en dat je voor haar had gekozen.’
Ze keek haar man met betraande ogen aan.
‘Och schatje, mijn meisje…. Ik wilde jou niet van streek maken.’
En hij veegde de tranen van haar gezicht.
‘Ik bel haar maandag gewoon op en zeg dat ik andere verplichtingen heb en dat ik geen tijd kan vinden om ook haar zaken erbij te nemen.’
En hij pakte beide handen van zijn vrouw vast.
‘Kom, laten we gaan dansen.
We zijn door mijn schuld al te veel van elkaar verwijderd geraakt, laten we weer één zijn.’
En hij sleepte haar mee naar de dansvloer, waar ze na het dansen elkaar vol blijdschap aankeken.
‘Niemand komt tussen ons liefje’, zei hij terwijl hij zijn vrouw omhelsde.
Ondertussen knipoogde hij naar de directeursvrouw die voorbij liep en hem lachend aan keek.
Het is weer gebeurd, weer nam het verleden wraak op het moment van nu.
Weer die afgunst, dat gevoel van niet gehoord worden.
Ze had toch duidelijk gezegd hoe ze het wilde hebben?!
‘Ze luisteren helemaal niet.
Is er dan niemand die mij serieus neemt?
Heb ik dan geen stem in deze maatschappij?’
De vrouw liet haar tranen stromen.
Weer dat gevecht tegen de wereld om haar heen.
Weer een strijd die ze wil winnen.
Dit keer laat ze het er niet bij zitten, dit keer wil ze wraak!
Huilend aan tafel bedenkt ze een list, wat ze zou gaan doen om toch haar gelijk te krijgen. Ze zou haar stem laten horen!
Maar ze weet niet dat deze zeer oude grief van, “niet gehoord worden”, haar altijd het gevoel geeft, dat ze zich moet bewijzen.
Het geeft haar het gevoel dat ze minder is dan anderen.
Haar grief heeft haar nu helemaal in zijn greep.
Met grote klauwen houdt hij haar vast.
De grief wil groter worden, het wil meer voeding en de vrouw wordt nog bozer.
‘Ik zal ze leren, al moet de onderste steen boven komen, ik zal gehoord worden!’
De vrouw belt een vriendin en verteld haar verhaal in geuren en kleuren.
Maar haar vriendin zegt niets, ze gaat niet mee in het verhaal van de vrouw.
De vrouw probeert haar vriendin te overtuigen en probeert het verhaal op verschillende manieren over te brengen en steeds probeert ze haar vriendin mee te trekken in haar grief, maar de vriendin reageert niet.
De vrouw werd boos.
Ziet ze dan niet dat ik aan het lijden ben, heb ik dan geen gelijk, een beetje steun kan ik wel gebruiken.
Maar de vriendin luistert alleen maar en probeert het gesprek een andere wending te geven.
De vrouw hangt uiteindelijk op. ‘Stom wijf, wat moet ik nu met zo’n vriendin!’
De vrouw was moe van het denken, hele dagen was ze bezig met haar grief, hele nachten bedacht ze verschillende strategieën om haar gelijk te krijgen, hele gesprekken voerde ze in zichzelf.
Ze was moe, maar haar grief was te sterk.
Nu moest ze doorzetten, ze moest laten zien dat er met haar niet meer gespeeld kon worden.
En zo gingen er weken overheen.
Ze werd magerder en de spanning in haar lijf was als een elastiekje zonder enig rek.
Dit kon zo niet lang meer doorgaan, er zal een moment moeten komen dat ze moet gaan inzien, dat het allemaal niet belangrijk is, maar dat weet die jonge vrouw nog niet.
Tot ze op een morgen uit bed stapte.
Een nacht weer niet geslapen, een nacht vol herhalingen van wat wel en niet gezegd was, die eindeloze discussies in zichzelf, ze was zo moe.
Ze ging op de stoel zitten die voor het raam stond.
Ze keek naar buiten naar de vogels.
Vreemd, dacht de vrouw, ik ben al weken in de ban van mijn conflict, terwijl de vogels gewoon door gaan met wat ze altijd doen.
Zij zitten niet nachtenlang te piekeren, zij hebben niet dat rotgevoel wat al een heel leven lang duurt.
Als ze vechten om een stukje brood, zijn ze het daarna weer vergeten.
Ze blijven er niet mee zitten, ze gaan verder met de dag.
Waarom doe ik dat niet? Waarom ben ik zo boos, mijn hele leven lang ben ik al boos, altijd moet ik mijzelf verdedigen, altijd die strijd. Ik wil dit niet meer!’
Het vrouwtje begon te huilen en opeens kreeg ze een helder moment.
Ze heeft haar hele leven gevochten, maar er nooit iets mee bereikt.
Ze voelde zich altijd aangevallen, omdat ze dacht, nooit goed genoeg te zijn.
Maar heeft ze deze angsten en pijnen niet haar hele leven vast gehouden?
Ja, net als die zin ‘je bent maar één keer slachtoffer, daarna ben je vrijwilliger.’
Er is één keer in mijn leven iemand geweest die heeft gezegd: ‘Je bent niet goed genoeg, je bent dom, je kan niets.’
Er was een eerste keer in haar leven dat ze haar mening wilde geven, maar overrompeld werd door de mening van iemand anders.
Dat gevoel van die eerste keer, dat rotgevoel wat je de eerste keer voelt als je slachtoffer wordt.
Dat gevoel heb ik mijn hele leven met me meegenomen.
En bij elke gelegenheid die zo’n situatie uitlokte, zorgde ikzelf dat ik als vrijwilliger dat gevoel weer opwekte en de grief groter, sterker en slimmer maakte.
Maar nu was het klaar! Ik heb het gezien, en ik ga niet meer mee in dat spel van vrijwilliger.
De jonge vrouw kleedde zich aan, stapte op de fiets en reed naar de winkels.
Bij de bloemist kocht ze prachtige rode rozen voor zichzelf en witte chrysanten om haar verleden mee te kunnen begraven.
Het was vroeg in de ochtend.
Een jonge vrouw stond op en deed haar gordijnen open.
Ze keek naar buiten. Het zou een prachtige dag worden.
Ze liep naar beneden, smeerde een boterham en schonk een glas melk in.
Nog slaperig van de nacht ging ze aan de keukentafel zitten en liet haar blik weer naar buiten dwalen.
Ze zag de vogels druk zoekend naar eten op de grond en haar gedachten dwaalden af.
Haar hele leven was ze bezig geweest met overleven.
Wat ze ook deed, nooit was het goed in de ogen van anderen.
Ze begrepen haar niet; het leek wel of ze uit een ander soort hout gesneden was.
Altijd was er conflict. Niet dat ze het opzocht, integendeel, ze was er altijd bang voor geweest. Maar ze kon er niets aan doen.
Overal waar ze was geweest, of met wie ze ook omging, ontstond er strijd.
Op een gegeven moment durfde ze met niemand meer contact te hebben.
Ze sloot zich af van de buitenwereld en ging volledig haar eigen gang.
Het ging goed.
En langzaamaan begon ze te begrijpen waarom mensen zo tegen haar konden zijn.
Ze was te naïef geweest.
Ze zag de spelletjes die mensen met haar speelden niet.
En wie was er nu een makkelijker doelwit dan zij?
Wie kon je nu eenvoudiger de schuld geven van wat jou was overkomen? Ja, zij.
En wie kon je beter haten dan liefhebben? Ook dat was zij.
Nu zat ze aan de keukentafel en de tranen rolden over haar wangen.
Weer moest ze die buitenwereld betreden, omdat er zich iets vervelends had voorgedaan.
En opnieuw was zij het doelwit geworden van haat, jaloezie, angst, wrok, pijn en verdriet.
Ze wezen haar aan als schuldige.
Er werd een luchtkasteel van onwaarheden om haar heen gebouwd.
Iedereen die geen macht of controle over haar kreeg, bouwde er een torenkamer bij.
Ze maakten van haar een vrouw die niet bestond, een vrouw die niet eens in dat luchtkasteel woonde.
Ze veegde de tranen van haar wangen, keek weer naar buiten en zag de vogels.
Langzaam stond ze op van tafel, verkruimelde een boterham en gooide de kruimels door het open raam naar buiten.
Ze keek hoe de vogels naderden.
Die vogels oordelen niet. Ze kennen geen haat, geen angst, geen wrok of verdriet.
Wat een fijn leven, dacht ze. Wij mensen kunnen daar nog veel van leren.
Er verscheen een glimlach op haar gezicht.
Dit waren haar nieuwe vrienden
