Na te veel denken vouwt ze haar handen ineen, sluit haar ogen en begint te bidden:
“Lieve Vader, laat me niet alleen.
Geef mij de kracht om door te gaan.”
Ze vouwt haar handen nog strakker samen en knijpt haar ogen dichter toe, want de pijn die ze voelt is zó groot.
Al haar verdriet ligt als een steen vast in haar keel.
“Oh lieve Vader… help me dan toch…”
Bibberend komen haar woorden naar buiten.
Haar keel doet pijn en haar tranen willen zich door haar dichtgeknepen ogen naar buiten dringen.
“Oh Vader, wat moet ik nu?
Wie helpt mij nu nog?
Alsjeblieft… help me toch…”
Dan begint ze te huilen.
Lange, gierende geluiden komen uit haar keel.
Ze zakt door haar knieën, valt op de grond en huilt tot ze niet meer kan.
Na een aantal minuten komt ze langzaam tot zichzelf.
Na een paar laatste snikken staat ze op, loopt naar de douche, doet haar kleding uit en gaat onder het warme water staan.
Het denken is verdoofd.
Het is stil in haar.
Er zijn geen akelige gedachten.
Geen stemmen die zeggen wat ze moet doen.
Geen herhalingen van gebeurtenissen uit het verleden.
Het is stil…
Dan merkt ze opeens op dat ze niet alleen haar gedachten is.
Haar gedachten die voortkomend uit het verleden, zijn stil.
En toch voelt ze een enorme rust in zichzelf, een rust die heerlijk aanvoelt.
In deze stilte zou ze wel voor altijd willen blijven.
Ze zet de kraan uit en droogt zich bewust af.
Nog steeds is het stil in haar.
Ze observeert… maar geeft het geen naam.
Ze is nu een heel andere vrouw dan een half uur geleden.
Bestaat ze dan uit twee vrouwen?
Eén die denkt… en één die daarachter staat, in stilte?
Langzaam komt het denken terug.
Het probeert opnieuw de controle te krijgen.
“NEE!” zegt de vrouw, wanneer het denken haar wil meenemen naar een ruzie uit het verleden.
Het denken geeft niet op.
Weer zegt ze: “NEE!”
En het stopt.
Het is weer even stil.
Maar zo snel als het weg was, is het ook weer terug.
De vrouw moet om zichzelf lachen.
Het lijkt wel een kat-en-muisspel.
Elke keer wanneer er een nare gedachte opkomt, zegt ze meteen: “NEE!”
Zo doorbreekt ze telkens de negatieve gedachtestroom…
en de stilte komt steeds meer naar voren.
Dan kijkt ze naar de hemel en zegt zacht in zichzelf: “Zal er dan echt iemand zijn…
die om mij geeft… en naar mij luistert?”
Een meisje keek over de landerijen. Ze had vandaag een rotdag.
De moeder van haar beste vriendin deed heel vervelend tegen haar.
Ze kon niets goed doen.
Wat het meisje ook maar probeerde, ze bleef altijd vriendelijk naar deze vrouw.
Ook vroeg ze de vrouw altijd hoe het met haar ging, want de moeder van haar vriendin was wat ziekelijk.
Ze vroeg telkens of ze iets voor haar kon doen, maar ze kreeg altijd een snauw en dat deed het kleine meisje zo’n verdriet.
Haar beste vriendin vond dit heel erg voor haar.
Ze zei dan: “Ik kan er niets aan doen dat mijn moeder zo raar doet.
Ze is gewoon verbitterd door het leven denk ik.”
Het meisje was verdrietig, want eigenlijk wilde de moeder van haar vriendin niet dat zij met elkaar om gingen.
Maar omdat de vrouw zo ziek was, vond ze het zo nu en dan wel fijn dat ze even de zorgen van haar dochter aan een ander kon over laten.
Het meisje keek weer over de landerijen.
Ze zag twee hazen die in gevecht waren met elkaar.
Ze begreep het leven niet meer. Altijd maar die conflicten.
Zelfs de hazen hadden nu een strijd. Het meisje stond op.
Ze was van plan om naar de moeder van haar beste vriendin toe te gaan.
Ze wilde haar vragen wat ze nu verkeerd deed en waarom ze altijd zo naar tegen haar deed.
Ze trok haar jas aan en deed de deur open.
Liep de straat uit en de bocht om.
Aan het einde van de straat woonde haar beste vriendin.
Ze liep het tuinpad op en klopte aan.
Het duurde even voordat de deur openging. Het was de moeder zelf die opendeed.
“Goedemiddag mevrouw, ik wil u graag een paar vragen stellen als dat mag?”
De vrouw keek het meisje verschrikt aan.
“Ik weet niet of ik daar wel tijd voor heb”, zei ze nu.
“Het duurt maar heel even”, zei het meisje snel.
“Nou vooruit dan, vraag maar.”
“Elke keer als ik bij u thuiskom en u bent er ook, dan doet u altijd zo vervelend naar mij.
Mag ik vragen waarom u dat doet?”
De vrouw stond met haar mond vol tanden.
“Ehh, ehh, nou ja…, wat moet ik daarop zeggen…”
Het meisje bleef de vrouw strak in de ogen aankijken.
De vrouw zei nu snel: “Ik vind jou geen geschikte vriendin voor mijn dochter.”
Het kleine meisje schrok, maar herstelde zich gelijk.
“Maar wat is dan wel een geschikte vriendin?
Ik ben altijd aardig naar u geweest, vroeg altijd hoe het met u gaat en ik vroeg altijd of ik iets voor u kon doen?
Wat is een geschikte vriendin?” vroeg ze nog eens.
En ze keek de moeder nog doordringender aan.
De vrouw was van haar stuk gebracht, en wist nu helemaal geen woord uit te brengen. “Nou?” vroeg het meisje weer….
“Ik vind jou gewoon niet leuk”, zei de vrouw nu weer snel.
“Waarom weet ik niet, maar het is gewoon zo.”
“Maar ik heb het druk”, en ze sloeg de deur voor het meisje dicht.
Daar stond ze dan, met nog meer pijn in haar hartje dan daarvoor.
Tranen liepen over haar wangen. Boos veegde ze deze van haar gezicht af.
Draaide zich om en liep het tuinpad af.
Terwijl ze het tuinpad afliep keek haar beste vriendin haar verdrietig van achter het gordijntje na.
Thuis gekomen plofte ze op de bank.
“Wat is er met jou aan de hand”, vroeg haar vader.
“Ik heb aan de moeder van Suzanne gevraagd, waarom ze altijd zo vervelend tegen mij doet.”
“Oei”, zei vader “en wat zei ze?’
“Dat ik geen geschikt vriendinnetje was voor haar dochter en dat ze mij gewoon niet leuk vond”, en ze keek haar vader met betraande ogen aan.
Vader kwam nu naast haar zitten en sloeg een arm om haar heen.
“Weet je, soms kom je mensen in je leven tegen die gewoon niet bij je passen.
Ik denk zelf dat het met bewustzijn te maken heeft.
De één is veel verder in zijn bewustzijnsproces dan de ander.
Veel mensen spelen nog spelletjes met elkaar.
Ze liegen en bedriegen, willen hun zin hebben en kunnen niet tegen tegenspraak, eerlijkheid of de waarheid.
Ze zeggen dat ze altijd de waarheid spreken, maar dat is niet echt de waarheid.
Ze zien de waarheid van hun eigen bewustzijnsniveau.
Hoe hoger het bewustzijn, hoe anders de waarheid wordt.”
Het meisje begreep niets van wat haar vader haar vertelde.
“Wacht”, zei hij, en liep naar de kast, haalde er een paar boeken uit en stapelde ze op de salontafel voor hen uit.
“Dit ben jij”, en hij legde vier boeken op elkaar.
“En dit is de moeder van Susanne”, en hij legde twee boeken op elkaar.
“Dat is het verschil.
Jij denkt en ervaart heel iets anders dan de moeder van Suzanne.
Jij doet zo je best en hoopt zo dat mensen je aardig vinden.
Voor haar is dat een bedreiging.
Ze wil niet dat jij aardig bent.
Ze zoekt een manier om jou uit het leven van haar dochter te bannen.
En dat doet ze door niet aardig te zijn.
Dat zijn de spelletjes die mensen nog steeds met elkaar spelen, jammer genoeg.”
“Dus als ik het goed begrijp, speelt de moeder van Suzanne een spelletje, maar weet ze zelf niet dat ze een spelletje speelt?”
“Ja klopt, en jij kan nog zo je best doen en hopen dat mensen je aardig gaan vinden, maar dat zal je pas lukken als jij en zij hetzelfde bewustzijnsniveau hebben.
Tot die tijd is het verspilde moeite.
Dus laat haar met haar spelletjes en ga jij jezelf niet meer weggeven.
Je doet normaal tegen haar. Je zegt hallo en tot ziens en verder doe je niets.
Je laat haar in haar waarde en zij zal jou met rust laten.
Zoek een balans tussen die twee stapels boeken.”
Het meisje keek naar de boeken en wist dat ze niets kon doen.
Ze begreep nu waarom mensen soms zo hard konden zijn.
Ze stond op en liep met gebogen hoofd naar buiten.
“Wat is er?” vroeg moeder aan vader.
“Onze kleine meid heeft voor het eerst de verschillen van de mens ingezien.
En het is zo moeilijk om niet aardig gevonden te worden, terwijl je zoveel liefde in je draagt.”
Het werd avond.
Ze zaten met zijn drieën bij elkaar toen opeens de deurbel ging.
Het meisje stond op en liep naar de deur en deed hem open.
De moeder van Suzanne stond voor de deur en huilde.
Ze liep op het meisje toe en pakte haar beide handjes vast.
“Het spijt me zo!” En ze begon nog harder te huilen.
“Ik zat vanmiddag na te denken over wat jij mij had gevraagd en besefte opeens, dat ik ook eens een vriendin heb gehad waarvan de moeder mij niet aardig vond.
Ik deed zo mijn best, maar wat ik ook probeerde, ze bleef mij niet leuk vinden.
Dat heeft mij zo verbitterd gemaakt, merkte ik vanmiddag op.
En nu deed ik hetzelfde als die moeder en zo wil ik helemaal niet zijn!
Het spijt me zo.”
Het meisje huilde nu ook en sloeg haar armpjes om de vrouw heen.
“Vergeef me alstublieft!”
En het meisje gaf de vrouw een kus op haar voorhoofd.
Het meisje wist nu wat liefde is.
Wat was er nu opeens misgegaan?
Een meisje zat met haar knietjes in het gras.
Haar lange haren hingen rond haar natte gezicht.
Een gezicht vol met tranen.
Het zou een fijne dag worden.
Ze zou gaan spelen met haar broers.
Na en lange tijd hadden ze haar weer gevraagd om mee te doen.
Ze had zich zo alleen gevoeld die laatste weken, maar nu wilden ze toch weer met haar spelen.
Ze hadden nog een keeper nodig voor hun potje voetbal en hadden haar gevraagd om mee te doen.
Wat was ze blij, maar snel veranderde dit spel in pesten.
Ze kreeg schoppen tegen haar benen en ze werd aan de haren getrokken.
Ze begonnen te schelden toen ze zei dat ze niet meer mee wilde doen.
Ze was dom, gek en dik en ze bleven maar tegen haar schreeuwen: ‘Je bent een trut, je bent dom, jij kan niet eens leren!’
En terwijl ze dit zeiden duwden ze haar steeds meer tegen de muur van het huis aan, tot ze niet verder kon.
Het meisje kon geen kant meer op en huilde.
Met zijn tweeën gingen ze tegen haar tekeer, totdat het meisje zich volledig verslagen op haar knieën liet vallen en overgaf aan alle pijn. Niemand heeft hier ooit iets van gemerkt.
Zij heeft hier nooit over gesproken.
Ze schaamde zich, omdat ze dom, gek en dik was…
Daar stond ze dan, met in haar hand twee kapotte schoenen.
Ze keek haar moeder met tranen in de ogen aan.
Moeder bekeek de schoenen één voor één.
Ze zuchtte. Ze wist dat ze deze schoenen niet meer kon maken.
Ze had al te vaak met oude stof en garen de schoenen vermaakt.
Zelfs met het oude plakband wat ze eens had gevonden bleef het niet zitten.
‘Het spijt me meisje’, zei de vrouw, 'ik kan hier niets meer van maken.’
Het meisje huilde zachtjes en wist wat dit betekende.
Ze had geen schoenen meer. Moeder had geen geld voor nieuwe schoenen, laat staan voor tweedehands.
Een aantal landen verderop, was een moeder met haar zoontje aan het winkelen.
‘Kijk mama, die schoenen wil ik zo graag!’
Zijn moeder keek in de etalageruit.
Ze zag de nieuwste gymschoenen, die alle kinderen bij hen uit de buurt ook droegen.
Ze keek naar de prijs: ‘Ach wat maakt het uit.
We kunnen het betalen’, zei ze toen ze haar zoontje weer aankeek.
‘Maar wees er zuinig op.
Kindjes uit arme landen zouden zo blij zijn met nieuwe schoenen.’
Haar zoontje knikte, hij had zijn moeder begrepen en hand in hand liepen ze de winkel binnen.
Zijn moeder kocht altijd twee paar schoenen.
Ze kende haar zoontje. Hij liep door plassen water en speelde in het zand.
Dan was het fijn om een paar in reserve te hebben.
Vol trots liepen moeder en zoon met twee paar schoenen de deur uit.
Het was nu hoog zomer en het arme meisje had nog steeds geen nieuwe schoenen.
Haar moeder werkte bij een bungalowpark net buiten het dorp.
Het bungalowpark lag aan de rand van het bos. Veel vakantiegangers kwamen naar hun land en genoten dan van het warme weer, de natuur en het grote meer.
Er was van alles te doen. Het meisje had vaak naar al die jongens en meisjes, die zo’n lol in het water hadden gekeken.
Moeder maakte de bungalows schoon en nu ze vrij was van school hielp ze haar moeder mee.
Zo nu en dan gingen ze ook even zwemmen.
Niet waar de vakantiegangers kwamen, nee, op een stil verlaten plek waar alleen de lokale mensen mochten komen.
Op een dag zouden er nieuwe gasten komen en ze waren net op tijd klaar met schoonmaken.
Net op het moment dat moeder de deur achter zich dicht wilde trekken kwam er een auto aan.
Moeder bleef staan.
Ze wilde de gasten begroeten.
Soms gaven ze haar geld voor het schoonmaken, dat gebeurde wel vaker.
Een man en een vrouw en hun zoontje stapten uit de auto en keken naar het meisje en haar moeder.
Ze glimlachten blij. ‘Maria!’
Moeder keek op en zag het gezin wat elk jaar terugkwam.
Ze begroetten elkaar blij en het was een gezellig weerzien.
De vrouw keek naar Maria en haar dochter en gebaarde dat ze moesten blijven wachten.
De vrouw opende de kofferbak van de auto en pakte een tas vol kleding en liep ermee terug naar Maria.
Ze overhandigde de tas vol prachtige kleding.
Maria was blij, want ze had samen met haar dochtertje elke ochtend en avond aan de zon en de maan en de sterren gevraagd, of er een wonder gebeuren mocht.
Maria bedankte de vrouw oprecht en pakte haar kleine meisje bij de hand en liepen het park af.
Enkele minuten later hoorden ze iemand roepen: ‘Maria, Maria!’
Moeder en dochter draaiden zich om.
Het jongetje kwam aangerend, in ieder handje had hij een schoen vast.
Hij bleef voor het meisje stilstaan, keek haar aan en bukte zich.
Hij veegde met zijn handjes het vuile zand van haar voetjes en
heel voorzichtig schoof hij haar voetjes één voor één in de nieuwe gymschoenen.
Ze waren iets te groot maar dat gaf niet.
Het jongetje stond langzaam weer op en keek het meisje in haar grote donkere ogen aan.
Dikke tranen stroomden over haar bruingebrande wangetjes.
Ze deed een stapje naar voren en heel voorzichtig gaf ze de jongen een kusje op zijn wang.
Hij bloosde. Vanaf die dag stuurden zijn moeder en hij grote dozen met kleding naar hen toe.
De zon keek toe en lachte. De maan knikte tevreden.
En de sterren haalden op gelucht adem als ze elke morgen en avond hun dankbaarheid toonden.
‘Ach omaatje, wat is dit toch, bent u gevallen?’
Het oude vrouwtje keek omhoog naar haar kleinzoon.
Hij gaf haar een hand en de oude vrouw greep die vast.
Voorzichtig tilde hij haar van de grond.
Bibberend stond ze naast hem bij de komen van de schrik.
Haar kleinzoon begeleide haar naar een stoel, een stoel die vlak voor het raam stond.
‘Zo, ga hier maar even bijkomen,’ zei hij, ‘ik zal een lekker kopje thee voor u maken.’
De jongeman liep naar de keuken en zette een fluitketel op het vuur.
Terwijl hij wachtte keek hij naar zijn oma die voor het raam zat.
Hij zag haar stilletjes huilen.
Tranen liepen over haar oude gerimpelde wangen, ze bibberde nog steeds van de schrik.
Het water begon te koken, hij nam een theepot uit de kast en schonk het water op.
Naast de theepot in de kast stonden de kopjes en schoteltjes en hij rangschikte alles netjes op een dienblaadje en liep terug de kamer in.
De oude vrouw staarde naar buiten.
Ze zag de vogels van de zelfgemaakte voederplank eten.
Ze had die samen met haar kleinzoon gemaakt.
Dan was er toch nog iets leuks te zien als ze naar buiten keek.
‘Oma, hier is uw kopje thee, drink die maar warm op, het zal u goed doen.’
Ze keek haar kleinzoon aan en een lichte glimlach kwam op haar gezicht.
Wat een geluk dat hij hier net was en dat hij haar kon helpen dacht de vrouw.
Haar kleinzoon keek heel aandachtig naar zijn Oma.
‘Oma, wat als ik er niet was geweest, wat had u dan gemoeten?’
De oude vrouw hield haar schouders op.
‘Ik weet het niet jongen, ik weet het niet.’
‘Wilt u dan niet naar een bejaardentehuis,’ vroeg de jongeman.
De oude vrouw zat gelijk rechtop.
‘Ik ga niet naar een tehuis waar je moet wachten op de dood!
Nee echt niet, ik ben hier geboren en ik zal hier ook sterven.’
De jongeman lachte om zijn Oma, hoe fel ze nog kon wezen.
Hij stond op en liep naar haar toe.
Hij omhelsde haar en gaf haar twee zoenen op haar wang.
Even was er een moment dat ze elkaar recht in de ogen aankeken en opeens moesten ze beide heel hart lachen.
Ze pakte het hoofd van haar kleinzoon met beide handen vast en zei: ‘Oh wat moet ik zonder jou beginnen.’
‘Je hoeft niet zonder mij Oma, wij doen dit samen.’
Nog diezelfde dag verhuisde haar kleinzoon en trok bij haar in.
En haar laatste jaren waren een feest voor beiden, totdat ze in haar slaap overleed met een glimlach op haar gezicht. Een glimlach van dankbaarheid.
