‘Mama wat is liefde?’ vroeg een meisje aan haar moeder.
Moeder keek haar dochter aan en begon te lachen.
‘Ik weet wel wat liefde is,’ zei moeder.
‘Liefde is alles’, zei haar moeder.
Het meisje keek van haar moeder weg en liep naar het open raam.
‘Alles?’ vroeg het meisje vragend.
‘Ja alles’, zei haar moeder weer.
‘Dus alles wat ik nu zie is liefde?’ en het meisje keek weer achterom haar moeder. Moeder kwam naast haar staan en legde een arm over haar schoudertjes neer.
Ze keken samen naar buiten en staarden samen naar de bomen, de vogels en de zon die scheen. ‘Alles?’ vroeg het meisje nog eens.
‘Ja, alles is liefde’, en moeder gaf haar dochter een zoen op haar blonde haar.
Het meisje kreeg tranen in haar ogen.
‘Maar waarom is deze wereld dan zo kwaad?’
Moeder draaide zich om en keek in het betraande gezichtje van haar kind.
‘Liefde is fijn, maar wij zijn vergeten dat het fijn is.
Liefde brengt geluk, maar wij zijn vergeten wat geluk is.
Liefde brengt liefde, dat is wat niemand begrijpt.’
‘Ik ook niet’, zei het meisje. ‘Wat bedoelt u daarmee?’
‘Als alles liefde is, waar is de liefde dan gebleven als er geen liefde meer is?’
Het kind keek haar moeder aan, maar begreep het nu helemaal niet meer.
‘Het is heel simpel’, zei haar moeder.
‘Wij kunnen liefde vinden in alles wat wij zien. In alles!
Dus dan zit er ook liefde in ons als mens.
Dus liefde is alles, alles is liefde, jij en ik, alles.’
Jij vraagt waarom de wereld zo kwaad is, dat komt omdat de wereld de liefde kwijt is.
En weet jij waar is nu die liefde gebleven, als er geen liefde is?’
Het meisje haalde haar schoudertjes op.
‘Dat zit in ons, in alles, weet je nog? Maar het heeft zich verstopt onder onze emoties.’
‘Wat moeten wij doen om die liefde terug te vinden, mama?’ vroeg het meisje.
‘Dat is heel simpel.
Liefde zit in goed en kwaad, maar onvoorwaardelijke liefde overwint alles!
En die liefde zal ook in deze wereld komen.’
‘Maar hoe kunnen wij dan helpen?’ vroeg het meisje.
‘Door aan alles en iedereen liefde te geven, meer niet.’
‘Zullen ze dan mijn liefde voelen, mama?’
‘Ja, want liefde brengt liefde.’
Moeder gaf haar dochter een kus op haar voorhoofd en samen liepen ze naar buiten.
Een vrouw zat voor het raam, ze keek naar buiten.
Haar gedachten gingen terug naar een paar dagen geleden.
Ze dacht dat ze alles wel had meegemaakt en dat ze alles wel had gezien.
Ze had veel geleerd en veel afgeleerd de afgelopen jaren.
De jaren waren moeilijk, soms te zwaar, maar ze had ze allemaal doorlopen en er was rust in haarzelf gekomen.
Maar een paar dagen geleden kwam daar de toch nog onverwachtse les.
Het leek wel of al haar emoties, waarvan ze dacht die kwijt te zijn, ineens weer naar boven kwamen.
Emoties van jaloezie, verlatingsangst en boosheid kwamen naar boven als een dikke zwarte bal die op haar hart gedrukt werd.
Als ze de emoties binnen ging, werd ze misselijk.
Maar ze wist dat ze dit moest doorzien.
Want achter die grote zwarte bal lag haar vrijheid.
Haar hart ging tekeer, haar gedachten werden heen en weer geslingerd.
Dan ineens begreep ze de les waarin ze zat, om daarna weer volledig overstuur te raken. Maar ze moest rustig blijven, ze moest!
Ze vroeg haar helpers om haar te beschermen en te helpen in deze moeilijke kruisiging.
En toen was de dag voorbij en alle emoties vloeiden weg om plaats te maken voor een verdooft gevoel.
De volgende morgen kwamen de emoties nog harder terug dan de dag daarvoor.
Ze ging weer door alle lagen van haar pijn die nog in haar zat.
Ze werd boos en wilde alle foto’s van overleden dierbaren van de muur af rukken en kapot te slaan.
Ze voelde zich zo verlaten en zo verraden.
Altijd waren haar helpers om haar heen, maar waar waren ze nu?!
Ze hoorde ze niet en zag ze niet.
Ze voelde een enorme haat in haar naar boven komen, maar op de achtergrond wist ze dat ze hierdoorheen moest en het proces moet laten gebeuren.
Opeens werd ze zó boos, maar ze wilde niet boos zijn!
Wat ze ook maar probeerde, ze kwam er niet uit.
Ze wilde niet boos zijn, nee ze wilde weer liefdevol zijn, ze wilde alleen maar liefde….
Ze deed haar ogen dicht en sprak de woorden: “Alstublieft willen jullie mij helpen?”
En daar kwam ze, de Maria van de Hemel en de Aarde.
Met haar prachtige hemelse lichtblauwe kleur stond ze daar voor haar dicht geslagen ogen.
Ze stak haar arm naar de vrouw toe en op haar hand lag een munt van goud.
Deze straalde rijkelijk.
De vrouw pakte de munt uit haar hand en bedankte Maria en legde het in haar hart.
Opeens voelde ze de liefde door haar heen stromen.
Haar duivels in haar verdwenen en ze keek haar man liefdevol aan.
Ik heb mijn demonen gezien, maar de liefde heeft gewonnen.
Haar man nam haar in zijn armen en dankte iedereen die bij hun in de kamer aanwezig waren.
De vrouw keek nog eens door het raam naar buiten.
De zon scheen op de oranje gele bladeren van de bomen.
De wind nam in kracht af en het leek net of niet alleen zij, maar ook de wereld voor haar geestenoog schoon gewaaid was.
En de vrouw was dankbaar, zo intens dankbaar.
Wanneer de eerste zonnestralen door het raam heen schijnen wordt de vrouw wakker.
Het was nog vroeg, maar toch stapte de vrouw uit bed, want vandaag was een belangrijke dag.
Dit was de dag waar ze zo lang naar uit had gekeken.
Ze sprong snel onder de douche en trok haar mooiste jurk aan.
Daarna deed ze wat make up op en bekeek zichzelf in de spiegel.
Ze glimlachte. Voor haar leeftijd zag ze er nog steeds stralend uit, vond ze zelf.
Dit was de dag dat haar zuster langs wilde komen.
Haar zuster die zo ver bij haar vandaan woonde.
Ze hadden elkaar een eeuwigheid niet meer gezien en er was zelfs een tijd geweest dat ze geen contact met elkaar hadden.
Niet dat er iets was gebeurd, maar gewoon omdat ze het allebei erg druk hadden.
De vrouw keek op de klok. Haar zus kon elk moment aanbellen.
Snel rende ze trap af naar beneden en zette alvast koffie.
Het gebak voor bij de koffie had ze gisteren al gehaald.
Daar ging de deurbel.
De vrouw keek verschrikt op, bekeek zichzelf nog eenmaal in de spiegel die in de gang hing en liep naar de deur.
Met een stralende glimlach deed ze de deur open en keek naar het gezicht van haar zus.
Tegelijkertijd voelde ze een gereserveerdheid en een wat ongemakkelijk gevoel bij haar zus.
Het leek net of ze een enorme muur om zichzelf had gezet, waar de vrouw niet achter mocht kijken.
“Kom snel binnen, heb je een fijne reis gehad?” vroeg ze spontaan.
Nadat ze waren gaan zitten en de koffie met gebak voor hen beiden op tafel had gezet, had de vrouw meteen door dat zij het gesprek op gang moest houden, zodat er zo min mogelijk stiltes of ongemakkelijkheden voorkwamen.
Inmiddels begon ze zenuwachtig te worden, omdat haar zus zo gesloten was.
Er was geen enkele balans tussen haar en haar zuster.
Zij stelde haar vragen, maar kreeg korte antwoorden terug.
Het was eenrichtingsverkeer.
Om het gesprek gaande te houden vertelde de vrouw maar veel over zichzelf.
Ze had namelijk veel bereikt en veel over zichzelf mogen leren en afleren.
Het ging nu echt eens een keer goed met haar.
Na een aantal uren van het op gang houden van het gesprek was de vrouw moe.
Ze had zichzelf volledig weggeven om haar zuster te vermaken.
Ze had zelfs voor haar nichtjes en neefjes cadeautjes gekocht, gewoon omdat ze daarmee haar geluk en liefde wilde delen.
Het was laat en haar zuster stond op.
“Ik moet gaan. Het is nog een lange weg terug”.
Ze namen afscheid en omhelsden elkaar.
De vrouw stond met betraande ogen in de deuropening, terwijl ze de auto nazwaaide.
Nadat ze de voordeur achter zich had gesloten keek ze de huiskamer in.
Er hing een vreemde energie die niet bij haar hoorde.
Ze nam plaats op de plek waar haar zus had gezeten en een diep verdriet van eenzaamheid overviel haar.
Ze voelde de muur van haar zuster omvallen en voelde haar gebroken hart dat maar niet geheeld wilde worden.
Ze voelde de innerlijke strijd van haar zus en haar angsten, en opeens moest de vrouw heel hart huilen.
Met gierende uithalen huilde ze tranen van haar zus.
Door het diepe innerlijke verdriet was ze het pijnlichaam van haar zus aan het helen.
Het was niet haar eigen pijn die ze voelde.
Het was ook niet haar eigen verdriet dat ze huilde.
Het waren niet haar tranen, maar die van haar zuster.
De vrouw keek voor zich uit en zag de vogels op de voedertafel.
Ze snoot haar neus en droogde haar tranen.
Daarna stond ze op en zette alle ramen open.
De frisse wind nam de zware energie met zich mee, en de liefdevolle klanken die uit haar platenspeler kwamen, zorgde voor rust en harmonie.
De geur van wierrook zorgde ervoor dat de ruimte schoon werd en de vrouw ging naar buiten.
Ze ging met haar rug tegen de walnotenboom aan staan en vroeg: “Lieve boom, mag ik de zwaarte van mijn zuster bij jou achterlaten, zodat het getransformeerd mag worden in liefde?”
Gelijk voelde de vrouw dat de zware energie via haar voeten de aarde in stroomde.
De zon kwam achter een donkere wolk vandaan en scheen zacht op haar gezicht.
Die warmte, liefde en sereniteit kwamen in haar terug en ze bedankte de zon, de wind en de boom.
Daarna stapte ze haar huis binnen, waar de energie zo liefdevol en zacht was, en ze wist dat zij zich nooit meer weg zou geven.
Ze bleef in het vervolg zichzelf.
Zij die ze zelf was, zonder tranen van een ander.
Het was een koude winteravond toen moeder uit het raam keek.
Haar hele leven had ze gezorgd en nu had ze haar taak als moeder volbracht.
Haar kinderen waren nu groot en konden goed op eigen benen staan.
Ze als moeder haar zorgen gehad.
Haar jongste zoon woonde zo ver weg.
Ze kon niet zomaar even bij hem langs gaan om een kopje koffie te gaan drinken, of als ze om een praatje verlegen zat. Ze miste hem zo erg!
Ze was bang dat hij niet goed voor zichzelf zorgde.
At hij wel voldoende. Kleedde hij zich wel warm aan met dit koude weer?
Ze wist dat hij oud en wijs genoeg was.
Ook dat ze moest leren om hem los te laten en erop te vertrouwen dat hij het kon… Maar dat gevoel… Dat gevoel van onmacht. Het niet meer kunnen zorgen.
Niet meer dagelijks in zijn leven te staan…
Het geen controle meer hebben op zijn doen en laten…
Hem niet meer kunnen bemoederen…
Dat gevoel beklemde haar hart en keel als ze aan hem dacht.
Ze heeft zichzelf er zelfs eens op betrapt, dat ze jaloers was toen hij naar een andere flat verhuisde. Ze had zo graag mee willen helpen.
Lekker die koelkast uit soppen en hem helpen zijn kleding weer netjes gestreken en wel in de kast te kunnen leggen.
Maar hij had hulp genoeg zei hij, ze was niet nodig.
Kom maar langs als ik er woon had hij gezegd.
Nachten had ze liggen huilen.
Ze voelde zich gepasseerd ze was niet meer nodig.
Ze was zelfs boos op zijn vrienden, want zij hadden hém van háár afgepakt!
Maar op een bepaald moment kreeg ze een helder ogenblik.
Waar was ze toch mee bezig…?
Ze was zichzelf ziek aan het maken met al haar gedachtespinsels.
Ze maakte zichzelf nog gek met die jaloezie van haar!
Het is toch heerlijk dat hij vrienden heeft die hem nu helpen en die koelkast kan ik ook een sopje geven als ik daar een keer ben.
Waar maak ik me nu toch druk om…?
Moeder stond nog steeds voor het raam.
Het was donker geworden en ze glimlachte.
Ze wist dat zij zich geen zorgen meer hoefde te maken over haar jongste kind.
Ze kon hem rustig aan het leven toevertrouwen.
Net zoals ze met al haar andere kinderen had gedaan.
En ze was blij en vol trots als moeder.
‘Maak dat je wegkomt!’ Schreeuwde een vrouw tegen haar man.
‘Ik wil je nooit meer zien!’ Gilde ze nog eens.
De man greep verslagen naar zijn autosleutels die op een kastje in de hal lagen.
Met de rug tegen de muur schoof hij steeds een beetje dichter naar de buitendeur toe.
Toen hij er bijna was vloog de vrouw gillend op hem af.
‘Ga weg!!!’ Maar hij was net iets sneller en gooide de deur voor haar neus dicht.
Met de rug tegen de buitendeur gedrukt kwamen de tranen.
Snel veegde hij ze van zijn gezicht.
Er was nu geen tijd om te huilen, hij moest nu handelen.
Snel raapte hij al zijn kleren bij elkaar, die zij in haar woede naar buiten had gegooid.
Hij deed de kofferbak open en legde alles erin.
Hij deed de kofferbak weer dicht en hij keek recht in het gezicht van zijn vrouw.
Ze huilde.
‘Kom toch terug alsjeblieft, het spijt me zo!
Echt ik zal het nooit meer doen.’
De man huilde nu ook.
Het was niet de eerste keer dat zij haar jaloezie en angsten op hem afvuurde.
‘Ik kan niet meer’, zei de man, ‘ik kan niet meer.’
En hij keek haar verdrietig aan.
‘Je hebt een ander hè, nou zeg op, wie is het??!!
Ik zag je laats wel lachen naar de buurvrouw, het is de buurvrouw hè!!’
De man die tegen de auto stond aangeleund huilde zachtjes.
Dikke tranen van onmacht stroomden over zijn wangen.
Huilend smeekte hij haar om hem te laten gaan.
‘Je hebt een ander!!’ schreeuwde ze nu nog harder.
Maar de man was stil geworden.
Er was een rust over hem heen gekomen.
En het enige wat hij deed was haar recht in haar ogen aan kijken.
Hij voelde zijn kracht toenemen en zijn vrouw deed een stap achteruit.
‘Ik heb geen ander’, zei hij zacht.
‘Jij was mijn enige vriendin, en je hebt alles stuk gemaakt.
Alleen maar omdat je bang bent.
Jij hebt je laten leiden door jouw angst, je jaloezie en je herinneringen vanuit je verleden. Ik ben jouw verleden niet!!
Jij hebt alles stuk gemaakt, alles!’
De vrouw deinsde nog meer naar achteren en ging op de stoep zitten.
Hij keek haar aan, tranen liepen over haar wangen.
‘Ik ben zo bang’, zei ze zacht.
De man wist dat dit het begin was van één van haar spelletjes.
Spelletjes die ze zo vaak gespeeld had met hem.
Dit keer zou hij niet meer in haar spel meegaan.
Hij deed het portier van de auto open en ging zitten.
Startte de motor en langzaam reed hij de straat uit.
In zijn binnenspiegel zag hij dat ze was opgestaan en scheldend achter hem aan rende. Hij reed de hoek om en tranen van verslagenheid en verdriet stroomden uit zijn ogen.
Hij had zo van haar gehouden, hij had haar zo lief gehad.
Nu was hij weer alleen en reed een nieuw leven tegemoet.
